Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1747

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-07-2017
Datum publicatie
12-07-2017
Zaaknummer
201604493/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2016:2756, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 augustus 2014 heeft het college de bedrijfsparkeervergunning van [wederpartij] voor het voertuig met kenteken […] ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2017/384 met annotatie van L.J.A. Damen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201604493/1/A3.

Datum uitspraak: 12 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 mei 2016 in zaak nr. 15/4443 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2014 heeft het college de bedrijfsparkeervergunning van [wederpartij] voor het voertuig met kenteken […] ingetrokken.

Bij besluit van 23 juni 2015 heeft het college opnieuw op het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar beslist en het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 mei 2016 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 juni 2015 vernietigd en het besluit van 29 augustus 2014 herroepen en bepaald dat die uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 januari 2017, waar het college, vertegenwoordigd door mr. D.R. de Vries, en [wederpartij], bijgestaan door mr. R.P.M. Janse van Mantgem, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

De zaak is vervolgens verwezen naar een meervoudige kamer.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gelaten, waarna de Afdeling het onderzoek krachtens artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

Overwegingen

1.    [wederpartij] oefent aan de [locatie] te Amsterdam een tandartspraktijk uit. Op hetzelfde adres wordt nog een tandartspraktijk uitgeoefend. Het college heeft de bedrijfsparkeervergunning van [wederpartij] ingetrokken omdat zij volgens het college samen met de andere tandarts moet worden beschouwd als één bedrijf als bedoeld in de Parkeerverordening 2013 en de tandartsen samen niet voldoende werknemers hebben om recht te hebben op behoud van de bedrijfsparkeervergunning van [wederpartij].

2.    De rechtbank heeft overwogen dat het college de twee tandartspraktijken ten onrechte als één bedrijf heeft aangemerkt en dat de door het college naar voren gebrachte feiten en omstandigheden niet tot de conclusie leiden dat zodanige verwevenheid tussen de op het adres gevestigde zelfstandige beroepsbeoefenaren bestaat dat naar maatschappelijke opvatting sprake is van één bedrijf als bedoeld in de Parkeerverordening 2013. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de bedrijfsvoering gescheiden is en dat beide tandartsen hun eigen expertise, assistente en telefoonnummer hebben. Ook is het volgens de rechtbank niet ongebruikelijk dat zelfstandige beroepsbeoefenaren gebruik maken van gemeenschappelijke diensten en de kosten daarvan delen. De vermelding van elkaar als collega op hun websites maakt daarvoor ook geen verschil.

3.    Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat [wederpartij] en de tweede tandarts zich in het maatschappelijk verkeer presenteren als één bedrijf. Het college wijst hierbij op de uitspraken van de Afdeling van 22 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1739 en ECLI:NL:RVS:2016:1740, waaruit dit criterium volgt. Op de websites van beide tandartsen wordt vermeld dat ze nauw samenwerken en uit de samenwerkingsovereenkomst en uit de gevel van het gebouw blijkt dat er wordt gehandeld en naar buiten toe wordt opgetreden onder één naam, "Tandartspraktijk [belanghebbende]-[wederpartij]". De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat van belang is dat de bedrijven gescheiden bedrijfsvoeringen hebben. Daarbij bestrijdt het college dat de bedrijfsvoeringen zijn gescheiden.

4.    Artikel 1, aanhef en onder b, van de Parkeerverordening 2013 luidt:

"In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. […]

b. bedrijf of beroep:

- elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin krachtens arbeidsovereenkomst of krachtens publiekrechtelijke aanstelling arbeid wordt verricht;

- de zelfstandige die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf of zelfstandig beroep;

- een niet-commerciële organisatie die hieraan door het college is gelijkgesteld;

met dien verstande dat bedrijven en beroepen worden beschouwd als één bedrijf en één beroep indien de vestigingsadressen hetzelfde zijn of het een aaneengesloten bebouwing betreft, dan wel sprake is van een (juridische) constructie waaruit moet worden geconcludeerd dat het in wezen één bedrijf of beroep betreft.

5.    Vaststaat dat in de Parkeerverordening tot uitgangspunt is genomen dat bedrijven als één bedrijf moeten worden beschouwd als zij op hetzelfde adres zijn gevestigd. Het college hanteert echter de vaste, niet uit de Parkeerverordening 2013 voortvloeiende gedragslijn dat in alle gevallen waarin aan voormelde eis wordt voldaan, tevens wordt bezien of sprake is van een juridische constructie waaruit moet worden geconcludeerd dat het in wezen één bedrijf betreft. Dit doet het college omdat in Amsterdam ook zogenoemde bedrijfsverzamelgebouwen zijn waarin diverse, volledig van elkaar gescheiden, bedrijven zijn gevestigd. Gelet op het feit dat het college en [wederpartij] hebben verwezen naar diverse uitspraken van de Afdeling die tot verschillende conclusies in deze zaak zouden leiden (zie onder meer de uitspraken van 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:999 en 1002 en van 22 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1739 en 1740), ziet de Afdeling aanleiding haar jurisprudentie in het licht van de handelswijze van het college te verduidelijken. In het kader van de beoordeling of sprake is van één bedrijf in de zin van de Parkeerverordening 2013 ligt het in de rede om eerst te bezien of de vergunninghouders zich in het maatschappelijk verkeer presenteren als één bedrijf. Daarnaast kan worden bezien of er feiten of omstandigheden zijn die wijzen op een zodanige juridische constructie tussen de bedrijven dat om die reden moet worden geconcludeerd dat in wezen sprake is van één bedrijf. Zoals blijkt uit de beoordeling van de voorliggende zaak in de navolgende overweging, hangt van de omstandigheden van het geval af welk van de twee genoemde aspecten bepalend is voor de beantwoording van de vraag of in het kader van de Parkeerverordening 2013 sprake is van één bedrijf. Zie ook de uitspraken van vandaag, ECLI:NL:RVS:2017:1746 en ECLI:NL:RVS:2017:1748, in vergelijkbare zaken die op dezelfde datum ter zitting zijn behandeld.

5.1.    De tandartspraktijk van [wederpartij] is gevestigd in een pand waarin ook tandartspraktijk [belanghebbende] is gevestigd. Blijkens de raambekleding is in het pand "Tandartspraktijk [belanghebbende]-[wederpartij]" gevestigd. De tandartspraktijken presenteren zich hiermee in het maatschappelijk verkeer als één bedrijf. Daarnaast hebben de tandartspraktijken weliswaar eigen cliënten en personeel, aparte telefoonnummers en een gescheiden bedrijfsvoering, maar daartegenover staat dat zij een gezamenlijk huurcontract hebben, een groot deel van de overige vaste lasten delen en een gemeenschappelijke entree en wachtkamer hebben. Deze aspecten duiden op het bestaan van een juridische constructie. Gelet op de presentatie in het maatschappelijk verkeer en de aspecten die duiden op het bestaan van een juridische constructie, heeft het college terecht de tandartspraktijken van [wederpartij] en [belanghebbende] als één bedrijf in de zin van de Parkeerverordening 2013 aangemerkt.

    Het betoog slaagt.

6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling alsnog de overige beroepsgronden van [wederpartij] beoordelen.

7.    [wederpartij] betoogt dat aan haar een bedrijfsparkeervergunning is verleend op grond van dezelfde regelgeving als die nu geldt. Gelet hierop mocht zij erop vertrouwen dat die bedrijfsparkeervergunning niet zou worden ingetrokken.

7.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 24 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5700), kon [wederpartij] niet op basis van de opeenvolgende, stilzwijgende verlengingen erop vertrouwen ook in de toekomst steeds over de aan haar verleende bedrijfsparkeervergunning te beschikken. Het is mogelijk dat parkeervergunningen, ook gedurende vele jaren, telkens worden verlengd zonder dat is getoetst of aan de voorwaarden wordt voldaan. Het college heeft geen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen gedaan, waaraan rechtens de verwachting kon worden ontleend dat [wederpartij] ook in de toekomst over de bedrijfsparkeervergunning kon blijven beschikken.

    Het betoog faalt.

8.    [wederpartij] betoogt voorts dat de intrekking leidt tot willekeur. Zij wijst erop dat het college als uitgangspunt hanteerde dat de meest recente bedrijfsparkeervergunning zou moeten worden ingetrokken, maar dat de bedrijfsparkeervergunningen van [wederpartij] en de andere tandarts op dezelfde datum zijn verleend. Niet duidelijk is waarom haar vergunning is ingetrokken, aldus [wederpartij].

8.1.    De Afdeling overweegt dat het college de twee tandartsen beschouwt als één bedrijf in de zin van de Parkeerverordening 2013. Uit de Parkeerverordening 2013 volgt niet hoe in een situatie waarin de parkeervergunningen gelijktijdig zijn verleend, moet worden bepaald welke van de parkeervergunningen moet worden ingetrokken. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in onderling overleg tussen de tandartsen kan worden bepaald op welk kenteken de overblijvende bedrijfsparkeervergunning wordt gesteld. Gelet hierop kan niet worden staande gehouden dat deze handelswijze bij gelijktijdig verleende parkeervergunningen leidt tot willekeur.

    Het betoog faalt.

9.    Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 23 juni 2015 alsnog ongegrond verklaren.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 mei 2016 in zaak nr. 15/4443;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van [wederpartij] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van drs. M.H. Kuggeleijn-Jansen, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Kuggeleijn-Jansen

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2017

545.