Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1708

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-06-2017
Datum publicatie
28-06-2017
Zaaknummer
201702138/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Tamarinde" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3368
JOM 2018/358
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201702138/1/R6.

Datum uitspraak: 28 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Leersum, gemeente Utrechtse Heuvelrug,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Tamarinde" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft AM B.V. een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juni 2017, waar [appellant], bij monde van [appellant A], bijgestaan door mr. H.P. Verheyen, advocaat te Utrecht, en de raad, vertegenwoordigd door G. Veenstra en J.L.C. van Unen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting AM B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. T. Brouwer, gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1. Het bestemmingsplan heeft betrekking op de voormalige locatie van zorginstelling Tamarinde aan de Scherpenzeelseweg 43 in Leersum. Het plan maakt het mogelijk om maximaal 28 woningen op deze locatie te realiseren. Het deel van het plangebied aan de Scherpenzeelseweg en aan de zuid- en zuidwestelijke rand van het plangebied heeft een bouwvlak waarbinnen uitsluitend 11 vrijstaande woningen mogen worden gebouwd. In de rest van het voor woondoeleinden bestemde plangebied mogen vrijstaande woningen en twee-onder-een-kapwoningen worden gebouwd.

1.1. [appellant], die direct ten zuiden van het plangebied aan de [locatie] woont, heeft bezwaren tegen het plan, omdat volgens hem teveel woningen op te kleine percelen mogen worden gebouwd. [appellant] wenst alleen vrijstaande woningen op ruime kavels van 1.500 tot 2.500 m2, zodat het stedelijk gebied vloeiend overgaat in het bosrijke gebied ten noorden van de kern Leersum.

Toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Ingetrokken beroepsgrond

3. Ter zitting heeft [appellant] zijn beroepsgrond over de toepassing van de Crisis- en Herstelwet ingetrokken.

Woningdichtheid en gemeentelijk beleid

4. [ appellant] stelt dat het plan teveel woningen mogelijk maakt op te kleine percelen. Voor een woning is gemiddeld ongeveer 570 m2 in het plan beschikbaar en dit is volgens [appellant] te weinig, gelet op de grootte van de kavels in de omgeving en het naastgelegen bosgebied aan de noordelijke en oostelijke zijde van het plangebied. De kavels in de omgeving van de woning van [appellant] zijn 1.500 tot 2.500 m2. De kavelgrootte in het plan is volgens [appellant] in strijd met het gemeentelijke beleid in de Visie Leersum-Noord (hierna: Visie) die van toepassing is, en waarin staat dat de bebouwing en het aantal woningen steeds dunner wordt naarmate het gebied dichter bij het bosgebied ligt, zodat een natuurlijke aansluiting ontstaat met het bosgebied. Volgens [appellant] kan geen vergelijking worden gemaakt met het woongebied aan de Peisenlaan, omdat deze wijk dichter bij de kern van Leersum ligt en daarom een grotere woningdichtheid kent. Voorts dient de raad wat betreft de beeldkwaliteit volgens [appellant] meer naar de oostelijke zijde van de Scherpenzeelseweg te kijken dan naar de westzijde van het plangebied en is de Scherpenzeelseweg karakterbepalend voor het bebouwingsbeeld. Het plan zal volgens [appellant] leiden tot een afnemende ruimtelijke kwaliteit.

[appellant] stelt dat het plan in strijd is met de Structuurvisie "Groen dus Vitaal 2030", omdat natuur en landschap het uitgangspunt behoren te zijn en voor wonen en economische ontwikkeling alleen ruimte is als dat in het verlengde van het uitgangspunt kan worden gevonden. Het maximale aantal van 28 woningen is slechts marginaal ten opzichte van het huidige woonbestand en daarom draagt dit plan nauwelijks bij aan de voorziening in de woningbehoefte. In de structuurvisie wordt bovendien tweedelijnsbebouwing verboden en het plan laat deze bebouwing ten onrechte wel toe.

[appellant] stelt dat de raad ten onrechte (steeds weer) een vergelijking maakt met de situatie die 15 jaar geleden bestond toen de bebouwing van zorginstelling Tamarinde nog aanwezig was. Deze vergelijking is onjuist, omdat het om een reeds sinds 2004 braakliggend terrein gaat en de bebouwing die toen feitelijk of planologisch aanwezig was, in dit kader niet van belang is.

4.1. De raad stelt dat het plan voorziet in het vervangen van een maatschappelijke bestemming in een woonfunctie die zich beter voegt naar het karakter van het omliggende woongebied. Hierbij is tevens sprake van een afname van bebouwingsmogelijkheden. Per woning is een gemiddelde oppervlakte van ongeveer 600 m2 beschikbaar bij een maximale invulling van het plan. Dit is volgens de raad een zeer gebruikelijke en royale maat voor een kavel voor een vrijstaande woning. Indien enkele woningen aaneen worden gebouwd, zijn de kavels nog groter. Het naastgelegen woongebied aan de Peisenlaan en De Plaggenberg heeft een vergelijkbare woningdichtheid. Van geval tot geval dient te worden bekeken of het op grond van locatiespecifieke eigenschappen en een goede ruimtelijke onderbouwing mogelijk is om tot verdichting over te gaan. Het plangebied ligt binnen de zogenoemde rode contouren. Binnen deze grenzen behoort verstedelijking in beginsel tot de mogelijkheden. De Visie heeft volgens de raad geen betekenis voor het voorliggend plan, omdat deze een ander doel dient. In 2010 is de Structuurvisie voor de gemeente opgesteld. In deze Structuurvisie is het plangebied aangeduid als een ontwikkelingsgebied voor woningbouw. Volgens de raad is het plan niet hiermee in strijd. Het plan maakt invulling van het perceel op een ruimtelijk verantwoorde wijze mogelijk en zorgt voor een aanzienlijke vermindering van de bebouwingsmogelijkheden in vergelijking met de vorige planologische situatie op grond waarvan meer dan 50.000 m3 mocht worden gebouwd. Het plan maakt ongeveer 30.000 m3 aan bebouwing mogelijk.

Het plangebied maakt deel uit van het woningbouwprogramma in de Woonvisie die in 2014 is geactualiseerd, en is nodig om in de woningbehoefte te kunnen voorzien.

4.2. Het plan maakt maximaal 28 woningen mogelijk. Ingevolge artikel 4, lid 4.2.2, aanhef en onder a, van de planregels mogen binnen de twee bouwvlakken uitsluitend woningen in de vorm van vrijstaande woningen worden gebouwd. Binnen het bouwvlak langs de Scherpenzeelseweg zijn maximaal 5 en binnen het bouwvlak aan de zuidelijke en zuidwestelijke zijde van het plangebied zijn maximaal 6 woningen toegestaan. De goot- en bouwhoogten mogen niet meer dan 6 m respectievelijk 10 m bedragen. Buiten deze bouwvlakken mogen ingevolge artikel 4, lid 4.2.3, aanhef en onder a, uitsluitend halfvrijstaande woningen of vrijstaande woningen worden gebouwd. Deze woningen mogen een goothoogte hebben van maximaal 7 m en een bouwhoogte van maximaal 11 m.

In het vorige plan "Noord", dat de raad heeft vastgesteld op 2 april 1986 en is goedgekeurd op 2 december 1986, heeft het plangebied de bestemming "Bijzondere Doeleinden" en "Tuinen" en mag het bouwvlak van ongeveer 9.000 m2 tot 60% worden bebouwd met een goothoogte van 9 m en een bouwhoogte van 14 m.

4.3. De Afdeling stelt vast dat de Visie, die is vastgesteld in 2000, niet is opgesteld om in het kader van de vaststelling van een bestemmingsplan de woningdichtheid te kunnen bepalen, maar om een kader te stellen voor burgers met verzoeken om inbreiding op eigen perceel. Naast aanbevelingen voor de groene structuur wordt hierin geadviseerd geen woningen in bestaande bebouwingslinten toe te voegen of binnenterreinen te benutten voor woningbouw. In het plan dat thans voorligt, is hiervan geen sprake.

De raad heeft op 28 januari 2010 de Structuurvisie vastgesteld. De structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het (ruimtelijke) beleid voor het hele grondgebied van de gemeente in de periode tot 2030. Het plangebied is in de structuurvisie kaarten 1 en 2 op de pagina’s 51 en 56 aangeduid als een rode zone en valt daarmee binnen de rode contour. Dat betekent dat, hoewel het plangebied aan de rand van de rode zone ligt, woningbouw in dit gebied in principe mogelijk is. Daarbij is het Tamarindeterrein als mogelijke ontwikkelingslocatie aangeduid in de Visiekaart op pagina 102. Met het onderhavige initiatief wordt invulling gegeven aan de herontwikkeling van dit terrein. De Structuurvisie geldt als het meest actuele ruimtelijke beleid. De ontwikkeling van het plangebied tot een woningbouwlocatie past daarmee binnen het beleid van de gemeente.

Verder heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat nu het plan tevens de aanleg van een nieuwe ontsluitingsweg mogelijk maakt, van een tweedelijnsbebouwing geen sprake is. Overigens staat in de structuurvisie niet dat het oprichten van bebouwing in de tweede lijn ongewenst is.

4.4. Zoals onder 2 is overwogen, moet de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De omstandigheid dat voorheen ter plaatse bebouwing van zorginstelling Tamarinde aanwezig was, kan in de door de raad te maken afweging wel een rol spelen, maar betekent niet dat de raad niet of in mindere mate gehouden is ervoor zorg te dragen dat het plan strekt tot een goede ruimtelijke ordening.

4.5. Uit de stukken blijkt dat het woongebied De Plaggenberg, dat ligt aan de westelijke zijde van het plangebied en dat ook ongeveer 1,85 ha groot is, een vergelijkbare woningdichtheid van 15,1 woning per ha kent. Ook indien een groter woongebied dat grenst aan het plangebied in de beschouwing wordt betrokken, waaronder het woongebied Peisenlaan, komt men tot nagenoeg dezelfde woningdichtheid. Het perceel Peisenlaan 12 is een uitzondering hierop. Gelet hierop mocht de raad er vanuit gaan dat de percelen in het plangebied ongeveer even groot zijn als de percelen in de aangrenzende woongebieden ten westen van de Scherpenzeelseweg. De raad hoefde geen aansluiting te zoeken bij de woningdichtheid aan de oostelijke zijde van de Scherpenzeelseweg, omdat dat gebied buiten de rode contour rond Leersum ligt. Wat betreft de in het plan voorziene bebouwingsdichtheid langs de westzijde van de Scherpenzeelseweg overweegt de Afdeling dat het plan ter plaatse over een afstand van ongeveer 175 m maximaal 6 vrijstaande woningen in de bouwvlakken mogelijk maakt op een afstand van minimaal 10 m van de plangrens langs de Scherpenzeelseweg. Naar het oordeel van de Afdeling wordt hiermee dit bebouwingsbeeld langs de Scherpenzeelseweg niet aangetast.

4.6. Gelet op het voorgaande falen de betogen.

Flora en fauna

5. [ appellant] stelt dat de raad slechts een verkennend flora- en faunaonderzoek heeft ingesteld en dat dit onvoldoende is, gelet op het feit dat het plangebied in de omgeving van het bosgebied ligt dat behoort tot de Utrechtse Heuvelrug. De Utrechtse Heuvelrug staat bekend om de aanwezigheid van bijzondere dieren. [appellant] betwijfelt verder of de verplichting in artikel 4, lid 4.3.4, van de planregels met betrekking tot de verlichting voldoende bescherming biedt aan vleermuizen.

5.1. De raad stelt dat door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek de effecten van het plan op beschermde natuurwaarden zijn beoordeeld. Naar aanleiding hiervan zijn voorwaardelijke verplichtingen in het plan opgenomen. In verband hiermee worden geen negatieve effecten op flora en fauna verwacht.

5.2. Het plangebied bevindt zich niet in de directe nabijheid van een Natura 2000 gebied. Uit de toelichting op het plan blijkt dat in het kader van de voorbereiding van het plan een verkennend flora- en faunaonderzoek (op basis van bronnenonderzoek en verkennend veldbezoek) en nader onderzoek is ingesteld. Deze onderzoeken zijn als bijlage 8 en 9 aan de toelichting gevoegd. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de raad niet heeft mogen afgaan op de conclusie van deze onderzoeken die inhoudt dat indien voldaan wordt aan de in het plan in artikel 4, leden 4.3.3 en 4.3.4, van de planregels opgenomen voorwaardelijke verplichtingen, geen negatieve effecten op beschermde flora en fauna zijn te verwachten. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de voorwaardelijke verplichting in artikel 4, lid 4.3.4, onvoldoende bescherming zou bieden aan vleermuizen. Het betoog faalt.

Gelet hierop hoeft het betoog van AM B.V., dat erop neerkomt dat artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht aan vernietiging van het bestreden besluit op deze grond in de weg staat, geen bespreking meer.

Verkeersdruk

6. [ appellant] stelt dat de verkeersdruk zal toenemen ten gevolge van de voorziene woningbouw en dat de raad deze toename ten onrechte vergelijkt met de voorheen feitelijk bestaande situatie en de situatie onder het vorige plan. Ook komt de verkeersveiligheid op de Scherpenzeelseweg, in het bijzonder voor fietsers, in het gedrang omdat dit een zeer smalle en kronkelige weg is.

6.1. De raad stelt dat in het plan rekening is gehouden met 8 verkeersbewegingen per woning per etmaal. Dit resulteert in 224 bewegingen per etmaal en dit is voor de raad aanvaardbaar. Volgens de raad is gebleken dat de (toekomstige) wegenstructuur dit toekomstige verkeersaanbod ruimschoots kan verwerken. De verkeersintensiteiten op de Scherpenzeelseweg zijn zodanig laag dat de verkeersveiligheid niet in het gedrang komt. Volgens de raad kan de Scherpenzeelseweg het auto- en fietsverkeer dat over de weg rijdt op een goede en veilige wijze verwerken.

6.2. De Scherpenzeelseweg is een erftoegangsweg en de weg voldoet aan de eisen die in de landelijke richtlijnen daaraan worden gesteld. Uit verkeerstellingen uit 2011 is gebleken dat ongeveer 700 motorvoertuigen per etmaal van de weg gebruik maken, hetgeen ruim minder is dan de op grond van de CROW-richtlijnen aanvaardbaar te achten maximale intensiteit voor een erftoegangsweg. De raad heeft ervan uit mogen gaan dat de toename van het verkeer als gevolg van het plan niet tot een verkeersonveilige situatie leidt. Het betoog faalt.

Aantasting woongenot

7. [ appellant] vreest dat zijn woongenot door het plan wordt aangetast, onder meer door activiteiten die in de tuinen van de voorziene woningen kunnen plaatsvinden en die geluidoverlast veroorzaken en door ernstige aantasting van het bestaande uitzicht en van de rust. Voorts vreest [appellant] voor lichthinder.

7.1. De raad stelt dat de grens van het bouwvlak in het plan op meer dan 10 m van de woning van [appellant] ligt. De raad vindt de bouwmogelijkheden die het plan biedt aanvaardbaar, mede gelet op de situatie die onder het vorige plan kon ontstaan. Verder stelt de raad dat de hinder van kunstmatige verlichting niet zal afwijken van een reguliere lichtbelasting in een woongebied.

7.2. Het bouwvlak dat ten noorden van het perceel van [appellant] ligt, ligt op ruim 10 m afstand van zijn woning. De hoofdgebouwen die binnen dit bouwvlak worden opgericht, mogen ingevolge artikel 4, lid 4.2.2, onder f, van de planregels een goot- en bouwhoogte hebben van maximaal 6 m respectievelijk 10 m. Naar het oordeel van de Afdeling hoefde de raad bij afweging van de betrokken belangen aan de door [appellant] aangevoerde bezwaren tegen de voorziene woningbouw geen overwegende betekenis toe te kennen tegenover het belang dat met de voorziene woningbouw wordt gediend. Het betoog faalt.

Alternatieven

8. [ appellant] stelt dat de raad het door omwonenden aangedragen alternatief onvoldoende heeft onderzocht. De raad heeft hun voorstel uitsluitend om economische redenen afgewezen en heeft dit niet op planologische gronden beoordeeld.

8.1. De raad stelt dat hij het alternatief van de omwonenden dat erop neerkomt dat ten hoogste 13 woningen in het plangebied kunnen worden gerealiseerd in plaats van de voorziene 28 woningen, heeft beoordeeld. Volgens de raad heeft dit alternatief tot gevolg dat de economische uitvoerbaarheid van het plan en van het project Bijenkorf in het centrum van Leersum, dat hiermee onlosmakelijk samenhangt, niet meer is gewaarborgd.

8.2. De Afdeling stelt vast dat de raad, gelet op de "Nota van beantwoording zienswijzen ontwerpbestemmingsplan ‘Leersum, Tamarinde’" die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, het door de omwonenden aangedragen alternatief om maximaal 13 woningen in het plangebied te realiseren, heeft onderzocht. De raad heeft in de zienswijzennota en in bijlage 2 bij de plantoelichting inzake de ladder voor duurzame verstedelijking, gemotiveerd uiteengezet waarom hij dit alternatief niet heeft overgenomen. Bij deze afweging hebben financieel-economische motieven een rol gespeeld. Daarnaast heeft de raad in zijn belangenafweging ook het belang betrokken dat de met het plan beoogde woningen voorzien in een kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte. Het betoog faalt.

Herhaling zienswijzen

9. [ appellant] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijzen over het ontwerp. In de Nota van beantwoording zienswijzen is ingegaan op deze zienswijzen. [appellant] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijzen onjuist zou zijn. Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

10. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, griffier.

w.g. Uylenburg w.g. Kooijman

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2017

177.