Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1707

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-06-2017
Datum publicatie
28-06-2017
Zaaknummer
201608418/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:7519, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 januari 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een verzoek van [appellante] om bij de berekening van de huurtoeslag over 2014 met een bijzondere situatie rekening te houden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201608418/1/A2.

Datum uitspraak: 28 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 oktober 2016 in zaak nr. 16/3975 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een verzoek van [appellante] om bij de berekening van de huurtoeslag over 2014 met een bijzondere situatie rekening te houden afgewezen.

Bij besluit van 23 mei 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 oktober 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juni 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door [partner], vergezeld door [gemachtigde], en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellante] heeft in 2014 voorschotten huurtoeslag ontvangen. Bij besluit van 10 juli 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag definitief berekend en vastgesteld op nihil en € 2.407,00 aan teveel uitgekeerde voorschotten teruggevorderd. Aan het besluit is ten grondslag gelegd dat het gezamenlijke toetsingsinkomen van [appellante] en haar partner, [partner], te hoog is om aanspraak te kunnen maken op huurtoeslag.

    Bij formulier, ondertekend op 18 december 2015 heeft [appellante] verzocht om bij de berekening van de huurtoeslag over 2014 de afkoop van een ouderdomspensioen buiten beschouwing te laten.

    Aan de afwijzing van dit verzoek bij besluit van 12 januari 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat een verzoek om met een bijzondere situatie rekening te houden kan worden gedaan tot aan het moment waarop de termijn om bezwaar te maken tegen de definitieve berekening is verstreken. [appellante] kon tot 24 augustus 2015 bezwaar maken, zodat het verzoek, nu dat is ontvangen op 30 december 2015, te laat is ingediend. In bezwaar is het besluit gehandhaafd.

    De rechtbank heeft het standpunt van de Belastingdienst/Toeslagen onderschreven en het beroep ongegrond verklaard.

Hoger beroep    

2.    [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat in haar geval de hardheidsclausule van toepassing is. Daartoe voert zij aan dat ten tijde van het indienen van het verzoek om bij de berekening van de huurtoeslag over 2014 met een bijzondere situatie rekening te houden de daarvoor geldende termijn weliswaar was vestreken, maar dat zij te goeder trouw heeft gehandeld aangezien zij door een medewerker van de Belastingdienst is geholpen met het invullen en verzendklaar maken van het voor het verzoek bestemde formulier. [appellante] heeft daaraan toegevoegd dat zij en haar partner chronisch ziek zijn en zij bovendien al een grote schuld hadden bij de Belastingdienst/Toeslagen die zwaar op hun besteedbare budget drukt en die zij maar met moeite kunnen aflossen.

3.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

4.    Niet in geschil is dat [appellante] het verzoek om bij berekening van de huurtoeslag over 2014 met een bijzondere situatie rekening te houden niet binnen de in artikel 2c, eerste lid, van het Besluit op de huurtoeslag (hierna: het Bht) bedoelde termijn heeft ingediend. Het geschil heeft betrekking op de vraag of [appellante] de termijnoverschrijding kan worden tegengeworpen en deze derhalve aan de afwijzing van het verzoek ten grondslag kon worden gelegd.

5.    De Afdeling stelt voorop dat in het Bht geen bepaling is opgenomen op grond waarvan van de in artikel 2c, eerste lid, bepaalde termijn voor het indienen van een verzoek kan worden afgeweken. Afgezien daarvan is naar het oordeel van de Afdeling geen sprake van feiten of omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat er een rechtvaardiging is voor het te laat indienen van het verzoek. Dat zij niet wist dat zij een verzoek kon doen is daartoe niet voldoende, nu deze onwetendheid moet worden geacht voor rekening en risico van [appellante] te komen. Van andere persoonlijke feiten of omstandigheden is niet gebleken.

    Aan de omstandigheid dat een medewerker van de Belastingdienst haar heeft geholpen met het invullen en verzendklaar maken van het verzoek kon [appellante] evenmin het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat haar de overschrijding van de in artikel 2c, eerste lid, van het Bht bedoelde termijn niet zou worden tegengeworpen. Daarbij is van belang dat weliswaar niet in geschil is dat [appellante] is geholpen bij het invullen en verzendklaar maken van het verzoek, maar dat niet is gebleken dat daarbij concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan ten aanzien van de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding van het verzoek of de inhoudelijke beoordeling ervan.

    Tot slot kent de toepasselijke regelgeving, die naast het Bht, uit de Wet op de huurtoeslag en de Algemene wet inkomensafhankelijke regeling bestaat, geen algemene hardheidsclausule, zodat voor toepassing van een dergelijke clausule, in die zin dat het te laat indienen van het verzoek niet aan [appellante] wordt tegengeworpen en het verzoek wordt gehonoreerd, geen aanleiding bestaat.

    Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van [appellante] heeft kunnen afwijzen vanwege het te laat indienen ervan.

    Het betoog faalt.

Conclusie

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Wieland, griffier.

w.g. Pans    w.g. Wieland

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2017

502. BIJLAGE

Wet op de huurtoeslag

Artikel 1a

1. Op deze wet is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met uitzondering van artikel 6, eerste en tweede lid, van toepassing.

[…].

Artikel 7

1. Het recht op en de hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, diens partner en de medebewoners.

[…].

Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 1

1. Deze wet geldt voor inkomensafhankelijke regelingen.

[…].

Artikel 7

1. Ter bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling wordt het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, van de belanghebbende en dat van zijn partner in aanmerking genomen.

[…].

Artikel 8

1. Toetsingsinkomen is: het op het berekeningsjaar betrekking hebbende inkomensgegeven.

[…].

Artikel 20

1. Indien na de toekenning van de tegemoetkoming uit een eerste vaststelling, eerste bepaling of wijziging van een inkomensgegeven of niet in Nederland belastbaar inkomen blijkt dat de tegemoetkoming tot een te hoog of te laag bedrag is toegekend, herziet de Belastingdienst/Toeslagen de tegemoetkoming met inachtneming van die eerste vaststelling, eerste bepaling of wijziging.

[…].

Besluit op de huurtoeslag

Artikel 2b

1. Op verzoek blijven bij de toepassing van artikel 7, eerste en tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen voor zover het betreft het toekennen van een huurtoeslag, de navolgende bestanddelen van het toetsingsinkomen buiten beschouwing:

a. afkoopsommen van ouderdoms- of nabestaandenpensioen die in het berekeningsjaar niet meer bedragen dan het bedrag dat is opgenomen in artikel 66, eerste lid, van de Pensioenwet en artikel 78, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;

[…].

Artikel 2c

1. Een verzoek als bedoeld in de artikelen 2, eerste lid, 2a, eerste lid, en 2b, eerste lid, kan worden gedaan tot het tijdstip dat de toekenning van de huurtoeslag over het desbetreffende berekeningsjaar onherroepelijk is geworden.

[…].