Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:167

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-01-2017
Datum publicatie
25-01-2017
Zaaknummer
201601809/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 januari 2015 heeft het college aan de gemeente Noordenveld een omgevingsvergunning verleend voor het vellen van zestien eiken, één beuk en één esdoorn op het perceel gelegen ter hoogte van de Roderweg 2 te Roden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/453
JOM 2017/109
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601809/1/A1.

Datum uitspraak: 25 januari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

IVN, Vereniging voor Natuur- en Milieueducatie, Afdeling Roden (hierna: IVN), gevestigd te Roden, gemeente Noordenveld,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 4 februari 2016 in zaak nr. 15/3104 in het geding tussen:

IVN

en

het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld.

Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2015 heeft het college aan de gemeente Noordenveld een omgevingsvergunning verleend voor het vellen van zestien eiken, één beuk en één esdoorn op het perceel gelegen ter hoogte van de Roderweg 2 te Roden.

Bij besluit van 16 juni 2015 heeft het college het door IVN daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 27 januari 2015 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 4 februari 2016 heeft de rechtbank het door IVN daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft IVN hoger beroep ingesteld.

Het college heeft gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid een schriftelijke uiteenzetting te geven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 januari 2017, waar IVN, vertegenwoordigd door C.J. Koelewijn en het college, vertegenwoordigd door mr. C.M. Bertels, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Mixed Hockey Club Roden, vertegenwoordigd door R.B.A. Voerman, gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1. De zestien eiken en de beuk vormen tezamen een houtwal tussen de twee kunstgrasvelden van de Mixed Hockey Club Roden. De esdoorn staat aan de rand van één van de kunstgrasvelden. De gemeente heeft de omgevingsvergunning aangevraagd op verzoek van de hockeyclub. Volgens de hockeyclub vervuilen de bomen het kunstgrasveld als gevolg waarvan de toplaag eerder moet worden vervangen en de onderhoudskosten hoger zijn. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat het college het belang bij de kap van de bomen zwaarder mocht laten wegen dat het belang bij behoud van de bomen. IVN is het daarmee niet eens. Volgens haar zijn de bomen te waardevol om te kappen en heeft de hockeyclub er zelf voor gekozen het kunstgrasveld in de nabijheid van de bomen aan te leggen.

Beoordeling van het hoger beroep

2. IVN betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college het belang van het kappen van de bomen in redelijkheid zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van behoud daarvan. Daartoe voert zij aan dat in een ambtelijk advies over de aanvraag om omgevingsvergunning van 16 januari 2015 is opgenomen dat de houtwal en de esdoorn landschappelijk en voor het dorpsschoon waardevol zijn en daarom behouden moeten blijven. Bovendien heeft de hockeyclub er zelf voor gekozen het kunstgrasveld in de nabijheid van de bomen te realiseren en het onderhoud van het kunstgrasveld grotendeels zelf te verzorgen. Volgens IVN behoren de gevolgen van de overlast die de bomen veroorzaken en de extra kosten van het onderhoud van het kunstgrasveld om die reden voor rekening van de hockeyclub te komen. Bovendien zijn de door de hockeyclub in dat verband genoemde bedragen volgens IVN niet onderbouwd. Zij voert voorts aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college van belang heeft kunnen achten dat de hockeyclub, gelet op de circa 300 leden daarvan, een relatief grote maatschappelijke waarde heeft voor Roden en omstreken. Volgens IVN miskent de rechtbank daarbij dat IVN ruim 400 leden heeft die de bomen waardevol achten.

2.1. Artikel 4:11 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Noordenveld (hierna: de APV) luidt aldus:

"1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag de volgende houtopstand(en) te vellen of te doen vellen:

a. bomen met een dwarsdoorsnede van meer dan 10 cm, gemeten op 1,3 m hoogte op terreinen met recreatiewoningen gelegen in bos;

a. bomen in een houtwal of houtsingel;

b. een houtopstand die ter uitvoering van een herplantplicht als bedoeld in artikel 4:12b of 4:12c is geplant;

c. overige bomen met een dwarsdoorsnede van meer dan 30 cm.

2. Het verbod geldt niet:

a. […]

b. voor bomen in eigendom van de gemeente, die niet zijn aangewezen als monumentaal en mits het vellen wordt uitgevoerd overeenkomstig het door het bevoegd gezag vastgestelde beleid;

c. […]."

Artikel 4.12a van de APV luidt aldus:

"In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning in elk geval worden geweigerd op grond van:

a. de monumentale waarde van de houtopstand;

b. de natuurwaarde van de houtopstand;

c. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

d. de waarde van de houtopstand voor het dorpsschoon;

e. de leeftijd van de houtopstand;

f. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

g. de waarde van de houtopstand als speelobject en/of voor de recreatie."

2.2. Niet in geschil is dat voor het kappen van de bomen een omgevingsvergunning nodig is.

Het college heeft aan het besluit van 16 juni 2015 het advies van de bezwaarschriftencommissie ten grondslag gelegd. In dit advies is onder meer opgenomen dat aan het perceel waarop de bomen staan ingevolge het op dat moment ter plaatse geldende bestemmingsplan "Woonwijken Roden" de aanduiding 'Sportieve/recreatieve doeleinden' was toegekend. De sport- en spelvoorzieningen zijn daarom de hoofdfunctie, zodat het college aan de functie sportuitoefening groot gewicht toekent. Zo maken naast de hockeyclub ook voetbalverenigingen en scholen gebruik van de kunstgrasvelden. Ten aanzien van het onderhoud van het kunstgrasveld, heeft het college het standpunt ingenomen dat dit plaatsvindt door de hockeyclub en dat door middel van offertes is aangetoond dat het onderhoud jaarlijks € 20.000,00 duurder uitvalt als de bomen niet worden gekapt. De oorzaak daarvan is vervuiling van en verhoogde algengroei op het kunstgrasveld hetgeen door de bomen wordt veroorzaakt. Voorts gaat de aanwezigheid van de bomen ten koste van de levensduur van het kunstgrasveld. Indien de bomen niet worden gekapt, zou de toplaag daarvan na ongeveer zes in plaats van twaalf jaar moeten worden vervangen. De afschrijving van het kunstgrasveld wordt daardoor verhoogd met € 16.500,00 per jaar, hetgeen voor de hockeyclub met 330 leden een groot financieel nadeel betekent. Ter zitting van de rechtbank heeft de hockeyclub hierop aangevuld dat leveranciers van kunstgrasvelden minder lang garantie geven wanneer er bomen rondom het veld staan. Het college heeft verder opgemerkt dat aanvankelijk is geprobeerd om het onderhoudsprobleem van het kunstgrasveld te verhelpen door het snoeien en de kap van een beperkt aantal bomen hetgeen echter niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Voorts is opgenomen dat het college het vanwege mogelijke precedentwerking onwenselijk acht een financiële bijdrage voor het onderhoud te verstrekken aan de hockeyclub en dat de bomen, hoewel ze dienen te worden omschreven als landschappelijk en voor het dorpsschoon waardevol, niet behoren tot de gebiedsranden en de groene overgangen van de hockeyclub naar de omliggende woongebieden.

2.3. In hetgeen IVN heeft aangevoerd, wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college het belang van het kappen van de bomen in redelijkheid zwaarder heeft kunnen laten wegen dat het belang van behoud van de bomen. Het college heeft onderkend dat de bomen landschappelijk en voor het dorpsschoon waardevol zijn, maar heeft het maatschappelijk belang van de aanwezigheid van de hockeyclub voor de gemeente in redelijkheid zwaarder kunnen laten wegen. De rechtbank heeft in dat verband terecht overwogen dat het gebied ten tijde van de vergunning de aanduiding 'sportieve/recreatieve doeleinden' had en daarna de bestemming 'Sport', dat in de opeenvolgende bestemmingsplannen de bomen niet worden beschermd en dat het college aan de uitoefening van sport een groot belang heeft kunnen toekennen. Dat IVN, naar zij stelt, meer leden heeft dan de hockeyclub, leidt niet tot het oordeel dat de rechtbank niet tot deze conclusie heeft mogen komen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de hockeyclub gelet op het aantal leden daarvan een relatief grote maatschappelijke waarde heeft voor Roden en omstreken. Dat er andere verenigingen zijn met meer leden en andere belangen, betekent niet dat die overweging van de rechtbank geen stand kan houden. De rechtbank heeft voorts terecht van belang geacht dat het behoud van de bomen voor de hockeyclub een groot financieel nadeel met zich brengt. IVN heeft dat met de enkele stelling dat de in dit verband genoemde bedragen niet zijn onderbouwd, onvoldoende weersproken. Dat de hockeyclub volgens IVN zelf voor de locatie van het kunstgrasveld heeft gekozen en voorts zelf heeft gekozen het onderhoud daarvan grotendeels door vrijwilligers uit te voeren, geeft evenmin aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de belangen van de hockeyclub in redelijkheid zwaarder mocht laten wegen dat de belangen van IVN. Het college heeft in zijn schriftelijke uiteenzetting in hoger beroep aangegeven dat de gekozen locatie van het kunstgrasveld met de huidige kennis over het onderhoud van kunstgrasvelden wellicht ongelukkig is geweest, maar destijds voor de hand lag vanwege de nabijheid van de kantine en de kleedkamers.

Het betoog faalt.

Conclusie

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Duifhuizen, griffier.

w.g. Hagen w.g. Duifhuizen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2017

724.