Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1664

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-06-2017
Datum publicatie
28-06-2017
Zaaknummer
201704077/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2927, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) het hoger beroep van [verzoekster] gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 juli 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:5219, vernietigd, het besluit van de burgemeester van 15 juli 2013, kenmerk: 669983, vernietigd en bepaald dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld (hierna: de uitspraak van de Afdeling).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201704077/1/A3.

Datum uitspraak: 21 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de voorzieningenrechter) op een verzoek van [verzoekster], gevestigd te Rotterdam, om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen:

[verzoekster],

en

de burgemeester van Vlaardingen,

verweerder.

Procesverloop

Bij uitspraak van 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2927, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) het hoger beroep van [verzoekster] gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 juli 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:5219, vernietigd, het besluit van de burgemeester van 15 juli 2013, kenmerk: 669983, vernietigd en bepaald dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld (hierna: de uitspraak van de Afdeling).

Hangende het bezwaar heeft [verzoekster] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Hommerson Leisure Vlaardingen B.V. heeft een reactie ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 juni 2017, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door [gemachtigde A], bijgestaan door mr. S.J. Nauta, advocaat te Barendrecht, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. P.IJ. Eikelenboom, bijgestaan door mr. M.J. de Groot en mr. C.N. van der Sluis, beiden advocaat te Rotterdam, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Hommerson, vertegenwoordigd door [gemachtigde B], bijgestaan door mr. J.L. Vissers, advocaat te Kerkdriel, en mr. J. Wassink, advocaat te Wijchen, als belanghebbende gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    In de uitspraak van de Afdeling is geoordeeld dat het besluit op de bezwaren van [verzoekster] moet worden vernietigd en dat de burgemeester opnieuw dient te beslissen op die bezwaren. De Afdeling heeft daarbij aan de burgemeester aangegeven dat zich twee situaties kunnen voordoen. De eerste is de situatie waarin de burgemeester beslist helemaal geen exploitatievergunning te verlenen. In dat geval dienen de vergunningverleningen aan Hommerson te worden herroepen en dient de afwijzing van de aanvraag van [verzoekster] onder verbetering van de gronden in stand te blijven. De tweede betreft de situatie waarin de burgemeester wel een vergunning wil verlenen. In dat geval moet in de voorbereiding op een nieuw besluit op de bezwaren en na herroeping van de vergunningverleningen aan Hommerson en de afwijzing van de aanvraag van [verzoekster], een hernieuwde aanvraagprocedure worden gevolgd.

Het verzoek

2.    Het verzoek van [verzoekster] strekt ertoe om hangende de op grond van de uitspraak van de Afdeling nieuw te nemen beslissing op de bezwaren bij wijze van voorlopige voorziening de aan Hommerson verleende exploitatievergunning van 19 december 2012 en de aan Hommerson verleende aanwezigheidsvergunning van 12 januari 2017 te schorsen totdat de burgemeester onherroepelijk heeft beslist op de bezwaren van [verzoekster].

    [verzoekster] wijst er in haar verzoek op dat de burgemeester na de uitspraak van de Afdeling weliswaar gesprekken met betrokkenen heeft gevoerd maar in weerwil van die uitspraak nog altijd de aan Hommerson verleende exploitatievergunning niet heeft ingetrokken. Dat heeft tot gevolg dat haar inkomsten, uit de door haar in horecabedrijven in de directe omgeving van het bedrijf van Hommerson geplaatste speelautomaten, teruglopen en zij niet op dezelfde wijze als Hommerson toegang heeft tot de speelautomatenmarkt. Volgens [verzoekster] wordt een oneerlijke situatie in stand gehouden die bovendien zorgt voor een oneerlijke concurrentiestrijd. Daarbij komt dat in de uitspraak door de Afdeling aan de bij de Verordening Speelautomaten Vlaardingen 2008 (hierna: de gemeentelijke verordening) behorende kaart verbindende kracht is ontzegd, zodat de grondslag aan de op 19 december 2012 verleende exploitatievergunning aan Hommerson is komen te ontvallen. De burgemeester laat ten onrechte en in strijd met de uitspraak van de Afdeling de oude situatie in stand zonder uitsluitsel te geven over wanneer zij een nieuw besluit op haar bezwaren kan verwachten, aldus [verzoekster].

Huidige stand van zaken

3.    In zijn schriftelijke uiteenzetting en ter zitting heeft de burgemeester te kennen gegeven dat naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling verschillende overleggen hebben plaatsgevonden met zowel de gemeenteraad als betrokkenen. Op 16 februari 2017 is de gemeenteraad in een geheime raadsvergadering geïnformeerd over de strekking van de uitspraak van de Afdeling en de vraagstukken die de uitspraak opleveren. In dat overleg is de planning geschetst waarbij als mogelijke datum voor definitieve besluitvorming over de wijziging van de gemeentelijke verordening mei 2017 is genoemd. In overleggen met [verzoekster] is voorts meegedeeld dat de behandeling van haar bezwaren wordt aangehouden in afwachting van de besluitvorming van de gemeenteraad over de gemeentelijke verordening en de verdere uitwerking van de uitspraak van de Afdeling. Op 11 april 2017 heeft nogmaals een gesprek plaatsgevonden tussen vertegenwoordigers van de gemeente, [verzoekster] en Hommerson. Op 13 april 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen aan de gemeenteraad een memo aangekondigd over het aanstaande raadsvoorstel over de aan te passen gemeentelijke verordening, de kernvragen daarbij en de bijbehorende planning. De besluitvorming binnen het college over dat memo is op 16 mei 2017 afgerond. In het memo, dat onder geheimhouding is overgelegd aan de gemeenteraad, wordt de gemeenteraad een aantal keuzes aangereikt. Voorts wordt daarin een planning geschetst inhoudende dat in juni/juli 2017 het raadsvoorstel door het college kan worden vastgesteld en aan de gemeenteraad verstuurd kan worden. Dan zou het op 31 augustus 2017 kunnen worden behandeld in de raadscommissie en vervolgens op 14 september 2017 in de gemeenteraad. Dan kan de definitieve besluitvorming met betrekking tot de wijziging van de gemeentelijke verordening op laatstgenoemde datum plaatsvinden. [verzoekster] is over deze planning geïnformeerd bij e-mail van 24 mei 2017.

Beoordeling

4.    De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat [verzoekster] een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening heeft ingediend en dat, anders dan Hommerson heeft gesteld, niet een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit aan de orde is. De voorzieningenrechter is gelet op artikel 8:113, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 8:81, eerste lid, van de Awb bevoegd kennis te nemen van het door [verzoekster] ingediende verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening. Immers, in de uitspraak van de Afdeling is toepassing gegeven aan artikel 8:113, tweede lid, van de Awb, waardoor de Afdeling bevoegd is te beslissen in de hoofdzaak indien beroep wordt ingesteld tegen het door de burgemeester te nemen nieuwe besluit en de voorzieningenrechter derhalve bevoegd is te beslissen op een hangende dit nieuwe besluit ingediend verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening.

    Dit geldt echter naar voorlopig oordeel niet voor zover het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt tot schorsing van de aan Hommerson verleende aanwezigheidsvergunning van 12 januari 2017. Tegen die vergunning dient immers op grond van artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb bezwaar te worden gemaakt alvorens daartegen beroep kan worden ingesteld. Het door de burgemeester te nemen nieuwe besluit ziet slechts op de bezwaren van [verzoekster] tegen de exploitatievergunning van 19 december 2012 en de aanwezigheidsvergunning van 16 januari 2013. De voorzieningenrechter merkt evenwel op dat het door [verzoekster] beoogde effect van een te treffen voorlopige voorziening als door haar verzocht reeds kan worden bereikt met schorsing van de exploitatievergunning van Hommerson, omdat Hommerson ook dan de exploitatie van haar bedrijf zal moeten staken.

5.    Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, blijkt dat zowel Hommerson als [verzoekster] belang hebben bij duidelijkheid over een eventuele nieuwe aanvraagprocedure. Vaststaat dat de huidige exploitatievergunning van Hommerson geldig is tot uiterlijk 19 december 2017. Bij afweging van alle betrokken belangen ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de vergunning van Hommerson op dit moment te schorsen totdat de burgemeester heeft beslist op de bezwaren van [verzoekster]. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in de uitspraak van de Afdeling ervoor is gekozen de exploitatievergunning van Hommerson in stand te laten en Hommerson ter zitting te kennen heeft gegeven dat bij schorsing van de vergunning op dit moment een faillissement niet kan worden voorkomen. Hoe dat laatste ook zij, de voorzieningenrechter acht aannemelijk dat schorsing van de aan Hommerson verleende vergunning haar belangen ingrijpend zou aantasten, terwijl het belang van [verzoekster] bij die schorsing op dit moment minder groot is, nu Hommerson toch al reeds een groot aantal jaren over de vergunning beschikt. Als het nemen en handhaven van het bestreden besluit door de burgemeester jegens [verzoekster] onrechtmatig zou blijken is een thans uitgesproken schorsing van de vergunning en daarmee stillegging van de exploitatie van Hommerson voor de nog korte resterende periode van de looptijd van de vergunning slechts in beperkte mate een daarbij passende reactie. Daarbij kan er echter niet aan voorbij worden gegaan dat, hoewel door de toelichting van de burgemeester wellicht verklaarbaar, sinds de uitspraak van de Afdeling geruime tijd is verstreken. Ter zitting heeft de burgemeester desgevraagd verklaard dat naar de huidige planning in de raadsvergadering van 14 september 2017 een nieuwe gemeentelijke verordening wordt vastgesteld, die duidelijkheid zal scheppen over de nieuwe aanvraagprocedure en dat als daarbij wordt gekozen voor de hiervoor aangeduide tweede situatie [verzoekster] een eerlijke kans zal krijgen mee te dingen naar een vergunning en daarbij dus niet bepalend zal zijn dat Hommerson thans vergunninghouder is. Gegeven de uitspraak van de Afdeling en gegeven de huidige situatie waarin ter uitvoering van die uitspraak nog weinig concrete voortgang is geboekt, dient die datum te worden gehaald. De voorzieningenrechter acht op dit moment het belang van [verzoekster] in het kader van deze voorlopige voorzieningsprocedure in het licht van de uitspraak van de Afdeling met name gelegen in een nog zo adequaat mogelijke uitvoering van de uitspraak met het oog op het tijdvak na expiratie van de vergunning van Hommerson. Indien 14 september 2017 onverhoopt niet wordt gehaald, gaan de belangen van [verzoekster] naar het oordeel van de voorzieningenrechter gelet op het tijdsverloop, zwaarder wegen dan het belang van Hommerson bij het behoud van de vergunning. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat, gelet op het oordeel in de uitspraak van de Afdeling over de gemeentelijke verordening waarop de verlening daarvan op 19 december 2012 was gebaseerd, ernstige twijfel bestaat over de vraag of deze in stand zal kunnen blijven. Bij die omstandigheid komt in dat geval dat alsdan onvoldoende uitzicht bestaat op de uitvoering van de uitspraak van de Afdeling met het oog op een rechtmatige situatie omtrent de speelautomaten in Vlaardingen in het tijdvak na 19 december 2017. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter het grote belang dat rechterlijke uitspraken met bekwame spoed behoren te worden nagekomen. Aldus ziet de voorzieningenrechter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

6.    De burgemeester dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat, indien de gemeente Vlaardingen niet uiterlijk op 14 september 2017 een nieuwe gemeentelijke verordening of een gewijzigde Verordening Speelautomaten Vlaardingen 2008 vaststelt het besluit van 19 december 2012, kenmerk: 543898, zal zijn geschorst met ingang van die datum;

II.    veroordeelt de burgemeester van Vlaardingen tot vergoeding van bij [verzoekster] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III.    gelast dat de burgemeester van Vlaardingen aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Veenboer, griffier.

w.g. Polak    w.g. Veenboer

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2017

730.