Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1659

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-06-2017
Datum publicatie
21-06-2017
Zaaknummer
201606876/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:4117, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2015 heeft het college beslist op het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2017/277 met annotatie van Redactie, P.J. Stolk
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201606876/1/A3.

Datum uitspraak: 21 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 1 augustus 2016 in zaak nr. 16/254 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant.

Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2015 heeft het college beslist op het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob).

Bij besluit van 16 december 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 augustus 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 mei 2017, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. H.J.W. Leenen, vergezeld door ing. H.G.M. Keizer, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het verzoek van [appellant] houdt verband met een procedure in het kader van de Wet inrichting landelijk gebied en het inrichtingsplan Weerijs-Zuid. In het inrichtingsplan staat welke werkzaamheden moeten worden uitgevoerd en het bevat een opdracht tot herverkaveling. Nadat een ruilplan is opgesteld, is op basis daarvan een aanbestedingsprocedure gestart. In dit kader is een concept-bestek opgesteld. Het definitieve bestek is op 31 maart 2015 gepubliceerd op Tendernet, waar alle aanbestedingen van de Nederlandse overheid worden geplaatst.

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat uit zijn verzoek van 10 maart 2015 niet blijkt dat hij toen al heeft verzocht om verslagen van gesprekken met het waterschap Brabantse Delta, de bestuurscommissie Weerijs-Zuid en de provincie die hebben plaatsgevonden in de periode voorafgaand aan het conceptbestek.

2.1.    De rechtbank heeft op basis van het dossier en hetgeen tijdens de zitting bij de rechtbank is besproken vastgesteld dat [appellant] openbaarmaking wil van gesprekken met het waterschap, de bestuurscommissie en de provincie die hebben plaatsgevonden in de periode voorafgaand aan het conceptbestek. Volgens de rechtbank blijkt uit het verzoek van [appellant] van 10 maart 2015 niet dat hij daar toen al om heeft verzocht, zodat het college terecht stelt dat dit buiten het verzoek van 10 maart 2015 valt.

2.2.    Het verzoek van [appellant] van 10 maart 2015 luidt:

"Ik vraag uw aandacht voor de volgende zaken met verwijzing naar de Wob.

In de nieuwsbrief wordt gesproken over wensgrond en de uitwerking van een concept bestek voor de werkzaamheden door Arcadis.

Ik kom graag in het bezit van dit bestek door Arcadis.

Bovendien is dit bestek (als onderdeel van de voorbereiding uitvoering werkzaamheden en projectplannen) aan de orde geweest in overleg met het waterschap Brabantse Delta en de BC. Van die besprekingen van de BC met het waterschap moet verslaglegging beschikbaar zijn.

Ik wil ook graag over die stukken kunnen beschikken.

In de stukken die zijn ingebracht door GS zitten stukken van de gemeente Zundert. Ik wil onderzoeken hoe die stukken in het dossier van het ruilplan terecht zijn gekomen en wil u dan ook vragen alle stukken die daarmee te maken hebben aan mij beschikbaar te stellen. U moet dan denken aan (begeleidende) brieven, e-mails, verslagen enz. tussen de BC, GS, de gemachtigde GS of de gemeente Zundert. Anders gezegd de historie van schriftelijke stukken die betrekking hebben op wat uiteindelijk heeft geresulteerd in hetgeen in de procedure bij de rechtbank is ingebracht.

Ik behoud mij nadrukkelijk het recht voor aanvullende verzoeken in te dienen."

2.3.    Het college stelt dat het naar behoren uitvoering heeft gegeven aan het verzoek van [appellant]. Over het verzoek heeft telefonische afstemming met hem plaatsgevonden en daarbij heeft hij er nooit blijk van gegeven ook verslagen te willen ontvangen van overleggen voorafgaand aan het ontwerpen van het conceptbestek. [appellant] heeft steeds het oog gehad op verslagen die samenhingen met het conceptbestek, aldus het college. Niettemin zijn kopieën van deze verslagen bij brief van 7 november 2016 alsnog aan [appellant] toegezonden, zodat volgens het college [appellant] op dit punt inmiddels over alle stukken beschikt.

2.4.    De Afdeling is van oordeel dat een redelijke lezing van het verzoek van [appellant] met zich brengt dat dit verzoek niet alleen ziet op de periode na formele vaststelling van het conceptbestek, maar ook op de periode daarvoor. Het besluit van 16 december 2015 is in zoverre genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het betoog slaagt.

    Volgens het college zijn de door [appellant] gewenste verslagen inmiddels alsnog overgelegd. Het college heeft toegelicht dat het alle niet-ambtelijke verslagen betreft en dat van de niet-ambtelijke overleggen geen verslagen zijn gemaakt, maar dat de uitkomsten daarvan zijn verwerkt in een wijzigingenregister.

    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 21 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3429), is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, dat document toch onder het bestuursorgaan berust.

    De Afdeling acht de toelichting van het college dat inmiddels alle verslagen over het concept-bestek aan [appellant] zijn verstrekt niet ongeloofwaardig. [appellant] heeft ter zitting toegelicht dat hij gelet op het belang van het onderwerp vermoedt dat meer verslagen beschikbaar moeten zijn waarin de verdeling van wensgrond aan de orde komt, omdat al lange tijd voorzienbaar was dat wensgrond beschikbaar zou komen en omdat het gaat om een groot project. Deze veronderstelling maakt naar het oordeel van de Afdeling echter niet aannemelijk dat, anders dan het college stelt, niet alle verslagen over het conceptbestek waarop het verzoek van [appellant] ziet, inmiddels zijn overgelegd.

3.    [appellant] stelt dat in het dossier aanbiedingsdocumenten bij stukken die zijn uitgewisseld tussen ambtenaren van de Dienst Landelijk Gebied en de gemeente Zundert ontbreken en betoogt dat de rechtbank ten onrechte op hem de bewijslast heeft gelegd dat die documenten onder het college berusten. Volgens [appellant] gaat het om documenten in de zin van de Wob die het college gehouden was te bewaren en was het niet aan het college om te bepalen dat die documenten inhoudsloos zijn en daarom konden worden vernietigd. Zo kan het van belang zijn om vast te stellen wie een stuk heeft verzonden en wanneer en aan wie het is verzonden, aldus [appellant].

3.1.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het college op niet ongeloofwaardige wijze heeft ontkend dat het beschikt over begeleidende correspondentie inzake het aan de rechtbank overgelegde procesdossier. De rechtbank is uitgegaan van de juistheid van de mededeling van het college dat deze documenten zijn ontvangen met een brief of e-mail met de tekst "conform afspraak" of "ter kennisneming". Volgens de rechtbank heeft [appellant] het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

3.2.    Het college stelt dat de begeleidende correspondentie waar [appellant] op doelt aanbiedingsbrieven zijn die zijn meegestuurd bij toezending van stukken en die een aanbieding bevatten als "ter kennisneming" of "volgens telefonische afspraak". Bij de opheffing van de Dienst Landelijk Gebied en de overdracht van de archieven aan het college zijn volgens het college alleen de stukken overgedragen en niet ook begeleidende mails omdat aanbiedingsdocumenten met een aanbieding in de zin van "ter kennisneming" of "volgens telefonische afspraak" geen documenten zijn met informatie over een bestuurlijke aangelegenheid, zodat ze niet worden gearchiveerd. Het college stelt nog navraag te hebben gedaan bij de gemeente Zundert of daar aanbiedingsdocumenten aanwezig zijn, maar dat het college heeft begrepen dat dit niet het geval is omdat mails met een inhoud als "conform afspraak" niet worden bewaard, alleen de meegezonden stukken zelf. Overigens stelt het college dat het alsnog aan [appellant] heeft medegedeeld door wie en aan wie de documenten zijn verstrekt en in welke periode dat is geweest.

3.3.    Gelet op de onder 2.4 weergegeven jurisprudentie van de Afdeling is de rechtbank terecht nagegaan of de stelling van het college dat de aanbiedingsdocumenten niet onder hem berusten niet ongeloofwaardig is. Gelet op de hiervoor weergegeven toelichting van het college is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank deze stelling terecht niet ongeloofwaardig heeft geacht. De stelling van [appellant] dat een jurist van de Dienst Landelijk Gebied zou moeten weten dat ook aanbiedingsdocumenten bewaard moeten blijven, maakt niet aannemelijk dat de door het college geschetste handelwijze de gang van zaken onjuist weergeeft en dat deze documenten wel onder het college berusten of hadden moeten berusten.

Herhalen en inlassen van beroepsgronden

4.    Voor zover [appellant] in hoger beroep voorts zijn in eerdere instantie aangevoerde gronden slechts heeft herhaald en ingelast, is het hoger beroep een niet nader gemotiveerde herhaling daarvan. In de overwegingen van de aangevallen uitspraak is de rechtbank op die gronden ingegaan. [appellant] heeft in het hogerberoepschrift, noch ter zitting, afgezien van hetgeen hiervoor is besproken, redenen aangevoerd waarom de weerlegging van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist, dan wel onvolledig zou zijn. Gelet hierop kan het in zoverre aangevoerde niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Conclusie en proceskosten

5.    Gelet op het overwogene in 2.4 is het hoger beroep gegrond.

De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 16 december 2015 alsnog gegrond verklaren, voor zover daarbij niet is besloten op het verzoek van [appellant] voor zover dat zag op verslagen van gesprekken met het waterschap, de bestuurscommissie en de provincie die hebben plaatsgevonden in de periode voorafgaand aan het concept-bestek. Dat besluit komt in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

    Gelet op hetgeen voorts in 2.4 is overwogen naar aanleiding van de alsnog aan [appellant] overgelegde stukken en gezien het overwogene onder 3.3 zal de Afdeling bepalen dat het college geen nieuw besluit op bezwaar behoeft te nemen.

6.    De burgemeester dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 1 augustus 2016 in zaak nr. 16/254;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 16 december 2015, voor zover daarbij niet is besloten op het verzoek van [appellant] voor zover dat zag op verslagen van gesprekken met het waterschap, de bestuurscommissie en de provincie die hebben plaatsgevonden in de periode voorafgaand aan het concept-bestek;

V.    bepaalt dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant geen nieuw besluit op bezwaar behoeft te nemen;

VI.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.021,51 (zegge: duizendeenentwintig euro en eenenvijftig cent), waarvan € 990,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Steenbergen, griffier.

w.g. Borman

lid van de enkelvoudige kamer    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2017

528.