Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1656

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-06-2017
Datum publicatie
21-06-2017
Zaaknummer
201606673/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2016:3272, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 april 2016 heeft de staatssecretaris de aanvraag van [appellant] om afgifte van een Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) ten behoeve van de inschrijving als tolk/vertaler in het register bij de Raad voor Rechtsbijstand te ‘s-Hertogenbosch afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2017/359 met annotatie van Redactie, L.M. Koenraad
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201606673/1/A3.

Datum uitspraak: 21 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 24 augustus 2016 in zaak nr. 16/1598 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 13 april 2016 heeft de staatssecretaris de aanvraag van [appellant] om afgifte van een Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) ten behoeve van de inschrijving als tolk/vertaler in het register bij de Raad voor Rechtsbijstand te ‘s-Hertogenbosch afgewezen.

Bij besluit van 3 juni 2016 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 augustus 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juni 2017, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J. Zwanenburg, is verschenen.

Overwegingen

    Wet- en regelgeving

1.    Artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg) luidt:

"Een verklaring omtrent het gedrag is een verklaring van Onze Minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon."

Artikel 35, eerste lid, luidt:

"Onze Minister weigert de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan."

Artikel 36, eerste lid, luidt:

"Onze Minister kan bij zijn onderzoek met betrekking tot de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag van een natuurlijk persoon kennis nemen van op de aanvrager betrekking hebbende justitiële gegevens […]."

Inleiding

2.    Op 23 februari 2016 heeft [appellant] een aanvraag ingediend om afgifte van een VOG ten behoeve van de inschrijving als tolk/vertaler in het register bij de Raad voor Rechtsbijstand te ‘s-Hertogenbosch. Bij brief van 18 maart 2016 heeft de staatssecretaris [appellant] te kennen gegeven voornemens te zijn de aanvraag af te wijzen. [appellant] is daarbij in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze in te dienen, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

Besluitvorming

3.    Bij het besluit van 3 juni 2016 heeft de staatssecretaris de afwijzing van de aanvraag van [appellant] gehandhaafd. Hij heeft hierbij de Beleidsregels VOG-NP-RP 2013 (Stcrt. 1 maart 2013, nr. 5409, hierna: de beleidsregels) toegepast. Aan de afwijzing heeft hij ten grondslag gelegd dat uit het uittreksel uit het Justitieel Documentatie Systeem (hierna: JDS) volgt dat [appellant] binnen de terugkijktermijn op 7 december 2015 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 maanden wegens valsheid in geschrifte. Deze uitspraak is niet onherroepelijk. Daarnaast volgt daaruit dat [appellant] op 24 november 2010 is veroordeeld tot een werkstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis waarvan 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren wegens mishandeling, terwijl hij het misdrijf begaat tegen zijn echtgenote. Deze uitspraak is onherroepelijk. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat deze justitiële gegevens, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie waarvoor [appellant] de VOG heeft aangevraagd. Hierbij is van belang dat [appellant] als tolk/vertaler contact zal hebben met cliënten die zijn bijstand verzoeken. De werkzaamheden kunnen onder meer bestaan uit het als tolk/vertaler functioneren voor een (minderjarige) verdachte of getuige waardoor [appellant] veelvuldig in aanraking komt met vertrouwelijke en gevoelige informatie. Gelet op de veroordeling wegens valsheid in geschrifte bestaat het risico dat [appellant] die informatie misbruikt teneinde zichzelf of anderen (financieel) te bevoordelen. Bovendien is sprake van een vertrouwenspositie ten opzichte van cliënten. Gelet op de veroordeling wegens mishandeling bestaat een risico voor het welzijn en de veiligheid van cliënten en andere personen met wie [appellant] tijdens zijn werk in aanraking komt. Ten slotte is van belang dat van een tolk/vertaler die ingeschreven staat in het register van de Raad voor Rechtsbijstand een hoge mate van integriteit wordt verwacht, aangezien zij werkzaam zijn voor bijvoorbeeld opsporingsdiensten, het Openbaar Ministerie en de rechterlijke macht.

    Volgens de staatssecretaris bestaat voorts geen aanleiding om op grond van het subjectieve criterium over te gaan tot afgifte van de gevraagde VOG. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat de verstreken periode sinds de laatste veroordeling van 7 december 2015, bezien in het licht van de terugkijktermijn, op dit moment nog te kort is om te kunnen concluderen dat het risico voor de samenleving in voldoende mate is afgenomen. Daarbij komt dat [appellant] binnen de terugkijktermijn meermaals in aanraking is geweest met justitie. Wat betreft geweldsincidenten is bovendien sprake van recidive gelet op een eerder incident uit 2005. Het belang dat [appellant] heeft bij verstrekking van de VOG heeft de staatssecretaris onderkend en gewogen. Dat belang weegt echter minder zwaar dan het belang van de samenleving. Er is geen sprake van omstandigheden die zodanig bijzonder zijn dat toepassing van de beleidsregels gevolgen heeft die onevenredig zijn tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

Aangevallen uitspraak

4.    De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris de afgifte van een VOG terecht heeft geweigerd. De staatssecretaris heeft zich hierbij op het standpunt mogen stellen dat aan het objectieve criterium is voldaan, omdat de binnen de terugkijktermijn op naam van [appellant] geregistreerde justitiële gegevens, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie waarvoor [appellant] de VOG heeft aangevraagd. De staatssecretaris heeft zich voorts op het standpunt mogen stellen dat bij de afweging van de belangen in het kader van het subjectieve criterium een zwaarder gewicht toekomt aan het beperken van het risico voor de samenleving dan aan het belang van [appellant] bij afgifte van een VOG, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

Objectieve criterium

5.    [appellant] betoogt allereerst dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft mogen stellen dat aan het objectieve criterium is voldaan. Hij voert hiertoe aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij is veroordeeld wegens mishandeling als bedoeld in artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht, nu de mishandeling heeft plaatsgevonden in de relationele sfeer en hij derhalve is veroordeeld voor het feit als bedoeld in artikel 304. Dit geldt eveneens voor de mishandeling in 2005, die bovendien is afgedaan met een transactie. Wat betreft de veroordeling wegens valsheid in geschrifte heeft de rechtbank miskend dat de staatssecretaris ten onrechte geen gewicht heeft toegekend aan het feit dat de veroordeling nog niet onherroepelijk is. Dit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, nu alle omstandigheden van het geval bij de beoordeling dienen te worden betrokken, aldus [appellant].

5.1.    Volgens paragraaf 3.2. van de beleidsregels wordt de afgifte van een VOG in beginsel geweigerd, indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor een VOG is aangevraagd.

5.2.    Bij de beoordeling van de aanvraag om de afgifte van een VOG mocht de staatssecretaris uitgaan van de justitiële gegevens in het JDS. De beoordeling of aan het objectieve criterium wordt voldaan, houdt een objectieve toets in. De omstandigheden waaronder een strafbaar feit is begaan, zijn in dit kader niet van belang. Bij de beoordeling heeft de staatssecretaris de veroordelingen wegens overtreding van artikel 300, eerste lid, en artikel 231, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht betrokken. De veroordeling uit 2005 wegens mishandeling valt buiten de terugkijktermijn en is door de staatssecretaris alleen betrokken bij de beoordeling van het subjectieve criterium.

    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft mogen stellen dat in het geval van overtreding van artikel 300, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, indien herhaald in de hoedanigheid van de functie tolk/vertaler, een risico bestaat voor het welzijn en de veiligheid van de cliënten en andere personen waarmee [appellant] in aanraking komt. De rechtbank is hierbij terecht uitgegaan van een veroordeling wegens overtreding van artikel 300 en niet artikel 304 van het Wetboek van Strafrecht. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat artikel 304 geen strafbaar feit bevat, maar slechts bepalingen op grond waarvan de in artikel 300 bepaalde gevangenisstraf met een derde kan worden verhoogd. De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat de staatssecretaris zich voorts op het standpunt heeft mogen stellen dat in het geval van overtreding van artikel 231, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, indien herhaald in de hoedanigheid van de functie tolk/vertaler, een risico bestaat dat [appellant] deze functie en de vertrouwelijke en gevoelige informatie waarmee hij in aanraking komt misbruikt teneinde hemzelf of anderen (financieel) te bevoordelen. Voor het oordeel dat de staatssecretaris ten onrechte en in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel geen gewicht heeft toegekend aan het feit dat die veroordeling nog niet onherroepelijk is, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 5 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5109, mag de staatssecretaris ingevolge de Wjsg de in het JDS voorkomende justitiële gegevens bij de beoordeling van de aanvraag om een VOG betrekken. De staatssecretaris betrekt slechts niet in zijn oordeel de justitiële gegevens met betrekking tot strafbare feiten die zijn afgedaan met een onherroepelijke vrijspraak. De staatssecretaris mocht bij de beoordeling dus ook feiten betrekken waarvoor [appellant] niet onherroepelijk is veroordeeld zonder daarbij gewicht toe te kennen aan het feit dat die veroordeling nog niet onherroepelijk is. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft mogen stellen dat op grond van de beleidsregels van een tolk/vertaler die staat ingeschreven in het register van de Raad voor Rechtsbijstand een hoge mate van integriteit wordt verwacht en dat voormelde justitiecontacten niet zijn te verenigen met die integriteit.

    De rechtbank heeft gelet op het voorgaande terecht overwogen dat de staatssecretaris zich op het standpunt mocht stellen dat de op naam van [appellant] geregistreerde justitiële gegevens, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, aan een behoorlijke uitoefening van de functie van tolk/vertaler in de weg staan en derhalve aan het objectieve criterium is voldaan.

    Het betoog faalt.

Subjectieve criterium

6.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft mogen stellen dat geen aanleiding bestaat om op grond van het subjectieve criterium toch over te gaan tot afgifte van de gevraagde VOG. Hij voert hiertoe aan dat de veroordeling wegens valsheid in geschrifte nog niet onherroepelijk is. Daarnaast heeft de mishandeling plaatsgevonden in de relationele sfeer en niet in een werksfeer. Dat geldt zowel voor de veroordeling uit 2010 als voor die uit 2005. Hij verwijst hiertoe naar de uitspraak van de Afdeling van 11 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:772, waaruit volgens hem kan worden afgeleid dat, indien aan het subjectieve criterium wordt toegekomen, de omstandigheid dat de strafbare feiten vooral in de relationele sfeer zijn begaan bij de beoordeling dient te worden betrokken, aldus [appellant].

6.1.    Volgens paragraaf 3.1.1. van de beleidsregels betrekt de staatssecretaris, indien in de voor de aanvraag van toepassing zijnde terugkijktermijn relevante justitiële gegevens zijn aangetroffen, bij de beoordeling van de aanvraag ook alle overige voor de aanvraag relevante justitiële gegevens die buiten de terugkijktermijn liggen in de beoordeling van de aanvraag. Aan deze strafbare feiten komt, nu deze buiten de terugkijktermijn hebben plaatsgevonden, onvoldoende gewicht toe om zelfstandig te worden betrokken bij de beoordeling van de VOG-aanvraag. Deze strafbare feiten worden echter wel betrokken bij de subjectieve criteria en zullen derhalve een rol spelen bij de belangenafweging. Op grond van de zowel binnen als buiten de termijn aangetroffen strafbare feiten wordt een inschatting gemaakt van het risico dat de aanvrager opnieuw met justitie in aanraking komt.

    Volgens paragraaf 3.3. kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van een VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt een VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium.

    Volgens paragraaf 3.3.1. zijn omstandigheden van het geval die altijd in de beoordeling worden betrokken de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten. (…) In het geval dat de staatssecretaris na weging van de omstandigheden van het geval niet tot een goede oordeelsvorming kan komen en twijfel heeft over de vraag of een VOG kan worden afgegeven, worden de omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden in de beoordeling betrokken.

6.2.    Zoals volgt uit hetgeen onder 5.2 is overwogen, mocht de staatssecretaris bij de beoordeling van de aanvraag ook de nog niet onherroepelijke veroordeling betrekken. Dit geldt ook bij de toetsing aan het subjectieve criterium. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat een expliciet verschil in de belangenafweging in het kader van het subjectieve criterium moet worden gemaakt wanneer in de beoordeling van het objectieve criterium een veroordeling is betrokken die nog niet onherroepelijk is. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de beoordeling van het subjectieve criterium geen aanleiding geeft tot afgifte van een VOG. Hierbij heeft zij terecht in aanmerking genomen dat de staatssecretaris van belang heeft mogen achten dat de vergrijpen [appellant] door de strafrechter niet licht zijn aangerekend en dat sprake is van recidive wat betreft geweldsincidenten nu [appellant] buiten de terugkijktermijn, in 2005, eveneens is veroordeeld wegens een geweldsincident. Voor zover [appellant] heeft betoogd dat uit de uitspraak van de Afdeling van 11 maart 2015 kan worden afgeleid dat de omstandigheid dat de strafbare feiten vooral in de relationele sfeer zijn begaan bij de beoordeling dient te worden betrokken, overweegt de Afdeling dat dit berust op een verkeerde lezing van die uitspraak. De Afdeling heeft in die uitspraak juist overwogen dat alleen als er twijfel is over de vraag of de VOG kan worden verleend er aanleiding is voor de staatssecretaris om de omstandigheden waaronder het strafbare feit is begaan nader te bezien. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat bij hem geen twijfel bestond over de vraag of de VOG kon worden afgegeven, zodat hij terecht voorbij is gegaan aan de omstandigheid dat de strafbare feiten vooral in de relationele sfeer zijn begaan.

    Het betoog faalt.

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Veenboer, griffier.

w.g. Michiels    w.g. Veenboer

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2017

730.