Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1654

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-06-2017
Datum publicatie
21-06-2017
Zaaknummer
201607052/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:4947, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 mei 2015 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur gedeeltelijk toegewezen en voor het overige afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201607052/1/A3.

Datum uitspraak: 21 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 juli 2016 in zaak nr. 16/817 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Economische Zaken.

Procesverloop

Bij besluit van 18 mei 2015 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur gedeeltelijk toegewezen en voor het overige afgewezen.

Bij besluit van 21 december 2015 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 juli 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 mei 2017, waar [appellant], bijgestaan door ing. D. Hart, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. W.L.C. Rijk, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    In 2002 zijn varkens van de toenmalige veehouderij van [appellant] onderzocht op MPA, een hormoon, in niervet. Het Wob-verzoek van [appellant] van 15 juli 2014 heeft betrekking op uitslagen van onderzoek van zijn varkens. Volgens hem beschikt de staatssecretaris over meer gegevens dan aan [appellant] zijn verstrekt.

2.    [appellant] voert aan dat onder de staatssecretaris meer onderzoeksresultaten moeten berusten dan de 10 verstrekte onderzoeksresultaten uit 2002, aangezien er in de periode 2002-2004 453 varkens van zijn bedrijf zijn afgevoerd en volgens [appellant] daarom 453 uitslagen beschikbaar moeten zijn. Volgens [appellant] heeft de staatssecretaris zich ten onrechte beperkt tot het jaar 2002. [appellant] wijst er op dat een door hem bij de ombudsman ingediende klacht gegrond is verklaard wegens schending van het vereiste van transparantie.

3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 21 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3429), is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, dat document toch onder het bestuursorgaan berust.

    Buiten de gevallen waarin de stukken waarvan openbaarmaking is gevraagd bij het aangezochte orgaan behoren te berusten, bevat de Wob geen verplichting voor dat orgaan om die documenten van elders te vergaren (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 19 maart 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC7085).

4.    De staatssecretaris stelt dat in juli 2002 op het bedrijf van [appellant] voermonsters zijn genomen en dat na onderzoek is gebleken dat een deel van de voermonsters residuen van MPA bevatte. Vervolgens zijn varkens van dat bedrijf geselecteerd voor onderzoek, waaruit bleek dat 1 monster van die varkens positief testte, hetgeen volgens de staatssecretaris inhoudt dat dit varken MPA bevatte in een hoeveelheid die lag boven de gehanteerde actiegrens. Volgens de staatssecretaris is naar aanleiding van eerdere Wob-verzoeken in het verleden al onderzocht of zich nog onderzoeksresultaten onder de staatssecretaris berusten, maar bleek dat niet het geval. Naar aanleiding van een in bezwaar door [appellant] overgelegd laboratoriumrapport kon volgens de staatssecretaris een relatie worden gelegd tussen MPA-analyses van niervet van de op 11 juli 2002 van het bedrijf van [appellant] afgevoerde 20 varkens. Naar aanleiding hiervan is grondig onderzoek verricht in het laboratorium registratiesysteem en is er daarmee alles aan gedaan om de gevraagde informatie boven water te krijgen, maar is er geen verdere informatie gevonden dan de informatie die al aan [appellant] is bekendgemaakt. Ter zitting heeft de staatssecretaris desgevraagd verklaard dat zijn onderzoek naar verdere onderzoeksresultaten zich niet heeft beperkt tot het jaar 2002, maar zich ook uitstrekte over andere jaren.

5.    De Afdeling acht de stelling van de staatssecretaris dat hij niet over meer resultaten van onderzoek op de varkens van [appellant] beschikt dan aan hem zijn verstrekt niet ongeloofwaardig, gelet op de door hem gegeven toelichting op het in het verleden verrichte onderzoek naar aanleiding van eerdere Wob-verzoeken en het aanvullende onderzoek naar aanleiding van het verzoek dat in deze procedure aan de orde is.

    Het aangevoerde geeft de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat [appellant] aannemelijk heeft gemaakt dat onder de staatssecretaris nog stukken berusten of hadden behoren te berusten die gelet op zijn verzoek ten onrechte nog niet zijn overgelegd. Zijn veronderstelling dat gegevens bewust worden achtergehouden, is daartoe onvoldoende. Ook de omstandigheid dat de ombudsman naar aanleiding van een klacht van [appellant] heeft geoordeeld dat is gehandeld in strijd met het vereiste van transparantie, maakt niet aannemelijk dat de staatssecretaris onderzoeksresultaten over het voormalige bedrijf van [appellant] achterhoudt. Volgens het rapport over deze klacht heeft de ombudsman immers geen kennis genomen van onderzoeksresultaten en is ook aan hem meegedeeld dat deze er niet meer zijn.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Steenbergen, griffier.

w.g. Borman

lid van de enkelvoudige kamer    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2017

528.