Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:165

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-01-2017
Datum publicatie
25-01-2017
Zaaknummer
201601499/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:574, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 februari 2015 heeft het college vastgesteld dat aan [appellant] ten onrechte bekostiging is verleend voor de kosten van niet afgemelde ritten leerlingenvervoer en een bedrag van € 1.351,07 van hem teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601499/1/A2.

Datum uitspraak: 25 januari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Zoetermeer,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 januari 2016 in zaak nr. 15/5016 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer.

Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2015 heeft het college vastgesteld dat aan [appellant] ten onrechte bekostiging is verleend voor de kosten van niet afgemelde ritten leerlingenvervoer en een bedrag van € 1.351,07 van hem teruggevorderd.

Bij besluit van 15 juni 2015 heeft het college het bedrag van de terugvordering gewijzigd in € 1.310,13 en het door [appellant] tegen het besluit van 9 februari 2015 gemaakte bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 januari 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 november 2016, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door M. Azzihmed en L.C.A. Straathof, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Bij besluit van 13 mei 2014 heeft het college besloten dat de dochter van [appellant], [dochter], met ingang van 25 augustus 2014 tot de zomervakantie van 2015 gebruik kan maken van het door de gemeente verzorgde taxivervoer naar Koninklijke Visio Onderwijs Amsterdam, een school voor blinde en slechtziende leerlingen.

Na aanvang van het schooljaar is het vervoer desgevraagd aangepast, omdat de dochter om de week bij haar moeder in Apeldoorn verbleef. Op 6 oktober 2014 heeft het college bericht ontvangen dat de dochter de rest van het schooljaar bij haar vader in Zoetermeer zou verblijven, waarop het vervoer is aangepast naar vijf dagen per week van Zoetermeer naar Amsterdam en terug.

Bij het besluit van 9 februari 2015 heeft het college een bedrag van € 1.351,07 voor de kosten van de niet afgemelde ritten leerlingenvervoer van [appellant] teruggevorderd. Het college heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat de dochter sinds 24 oktober 2014 structureel niet meerijdt met het door de gemeente verzorgde taxivervoer op vrijdagmiddag in de oneven weken en op maandochtend in de even weken en de dochter vanaf januari 2015 structureel niet meerijdt in de even weken met uitzondering van de vrijdagmiddag en in de oneven weken niet meerijdt op vrijdagmiddag. [appellant] heeft deze ritten niet bij het college afgemeld. Het betreft in totaal 33 ritten.

Tijdens de hoorzitting in bezwaar is gebleken dat het college in het besluit van 9 februari 2015 ten onrechte een rit op 10 november 2014 bij de terugvordering heeft betrokken, waardoor in het besluit van 15 juni 2015 het bedrag van de terugvordering is gewijzigd in € 1.310,13. Voor het overige is bij het besluit van 15 juni 2015, onder verwijzing naar het advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften, het besluit van 9 februari 2015 gehandhaafd.

Aangevallen uitspraak

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college bevoegd was om tot terugvordering van de niet afgemelde ritten leerlingenvervoer over te gaan. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de omstandigheid, dat de dochter om het weekend bij haar moeder in Apeldoorn verbleef, een structurele wijziging betrof. [appellant] wist dan wel had moeten weten dat een dergelijke wijziging had moeten worden doorgegeven aan het college, aldus de rechtbank.

Beoordeling hoger beroep

3. [appellant] heeft ter zitting zijn betoog over de hoogte van de ritprijs ingetrokken.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college bevoegd was om tot terugvordering over te gaan. Hij heeft alle ritten bij de vervoerder afgemeld op het moment dat hem bekend werd dat zijn dochter daarvan geen gebruik zou maken. Voorts mocht hij erop vertrouwen dat de bij de vervoerder afgemelde ritten niet door de vervoerder bij het college gedeclareerd zouden worden. Verder heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de geconstateerde wijziging een structurele wijziging betrof. Op het moment dat de wijziging zich voordeed wist hij niet waar zijn dochter in de toekomst zou verblijven, waardoor hij het college niet behoefde te informeren. Voorts heeft het college niet geverifieerd of de door [appellant] niet afgemelde ritten ook daadwerkelijk behoren tot de ritten die van de door het college aangenomen structurele wijziging deel uitmaken, aldus [appellant].

4.1. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Verordening leerlingenvervoer gemeente Zoetermeer 2014 (hierna: de Verordening) zijn ouders verplicht wijzigingen die van invloed kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorziening onverwijld schriftelijk mede te delen aan het college. Dat [appellant] verplicht is wijzigingen aan het college mede te delen staat voorts in het besluit van 13 mei 2014 en de daarbij gevoegde informatiefolder. [appellant] heeft tot 6 oktober 2014 ook alle wijzigingen in het vervoer aan het college gemeld. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat [appellant] wist dan wel behoorde te weten dat hij wijzigingen betreffende het vervoer van zijn dochter aan het college diende mede te delen en dat de afmelding bij de vervoerder niet volstond. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat hij erop mocht vertrouwen, dat de bij de vervoerder afgemelde ritten niet door de vervoerder bij het college gedeclareerd zouden worden.

Op grond van artikel 6, vierde lid, van de Verordening kan ten onrechte genoten bekostiging van de ouders worden teruggevorderd. Het college hanteert daarbij de vaste gedragslijn dat niet gemelde incidentele wijzigingen niet, maar structurele wijzigingen wel van de ouders worden teruggevorderd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat dit geval een structurele wijziging betreft. Het gaat in totaal om 32 ritten, waarin een vast patroon is te herkennen. Bovendien maakte de dochter op de dagen waarop ze geen gebruik maakte van het door de gemeente Zoetermeer bekostigde taxivervoer, gebruik van door de gemeente Apeldoorn verzorgd vervoer. Het college heeft dit patroon geverifieerd bij de gemeente Apeldoorn en telefonisch bij [appellant] op 3 februari 2015. Dat [appellant] op het moment dat de wijziging zich voordeed niet wist waar zijn dochter in de toekomst zou verblijven, doet niet af aan het structurele karakter van de wijziging.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college tot terugvordering van de niet afgemelde ritten leerlingenvervoer heeft mogen besluiten.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het besluit van 15 juni 2015 in strijd is met het verbod van willekeur, omdat onvoldoende duidelijk is onder welke omstandigheden het college gebruik maakt van zijn bevoegdheid om tot terugvordering over te gaan en de wijze van financiering van het leerlingenvervoer niet aan de aanvragers daarvan bekend wordt gemaakt.

5.1. Het college is weliswaar bevoegd maar, anders dan [appellant] lijkt te betogen, niet gehouden om beleidsregels vast te stellen en bekend te maken voor de toepassing van de hem op grond van artikel 6, vierde lid, van de Verordening toekomende discretionaire bevoegdheid. Het college is voorts niet verplicht de wijze van financiering van het leerlingenvervoer aan de aanvragers daarvan bekend te maken. Gelet hierop geeft hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het besluit van 15 juni 2015 in strijd is met het verbod van willekeur.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het besluit van 15 juni 2015 in strijd is het met het proportionaliteitsbeginsel. Het college heeft bij dat besluit onvoldoende meegewogen dat tijdens het schooljaar grote problemen waren met de vervoerders en hij in weerwil van het besluit van 13 mei 2014 meermalen zelf het vervoer heeft moeten bekostigen.

6.1. Ter zitting is komen vast te staan dat dit betoog ziet op het vervoer in week 39 van 2014 en mei 2015. Het betoog heeft dus betrekking op een andere periode dan waar de terugvordering op ziet en valt daarom buiten dit geding.

7. [appellant] betoogt tevens dat het college in strijd heeft gehandeld met het beginsel van hoor en wederhoor. Het college heeft hem na de constatering van diens bevindingen ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld hierop te reageren.

7.1. [appellant] is op 3 februari 2015 door het college telefonisch in de gelegenheid gesteld om op diens bevindingen te reageren. Voorts is [appellant] in bezwaar in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Van strijd met het beginsel van hoor en wederhoor is daarom geen sprake.

Het betoog faalt.

8. Het betoog van [appellant] dat het college ten onrechte niet is overgegaan tot een schikking faalt, reeds omdat het college hiertoe niet is gehouden.

Slotsom

9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Van Dokkum

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2017

480-809.