Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1649

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-06-2017
Datum publicatie
21-06-2017
Zaaknummer
201600335/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:13855, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 november 2013 heeft het college aan de Faunabeheereenheid op grond van artikel 68, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) onder voorschriften ontheffing verleend voor, voor zover thans van belang, het in de periode van 1 oktober tot en met 31 mei gedurende een uur voor zonsopgang tot een uur na zonsondergang met geweren en honden verjagen en doden van knobbelzwanen op percelen met ingezaaid gras, graszoden, graszaad en koolzaad, het in de periode van 15 november tot en met 31 mei gedurende een uur voor zonsopgang tot een uur na zonsondergang met geweren en honden verjagen en doden van knobbelzwanen op percelen met gras en granen, en het gedurende een uur voor zonsopgang tot een uur na zonsondergang met geweren en honden verjagen en doden van knobbelzwanen op of in de onmiddellijke nabijheid van wegen of fietspaden. De ontheffing is geldig in de gehele provincie Zuid-Holland tot en met 31 mei 2018.

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet
Besluit beheer en schadebestrijding dieren
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3162
JOM 2017/663
Jurisprudentie Grondzaken 2017/215 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600335/1/A3.

Datum uitspraak: 21 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    Stichting De Faunabescherming, gevestigd te Amstelveen, (hierna: de Faunabescherming),

2.    Stichting Faunabeheereenheid Zuid-Holland, gevestigd te Den Haag, (hierna: de Faunabeheereenheid),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 december 2015 in zaken nrs. 14/6856 en 14/10943 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland.

Procesverloop

Bij besluit van 19 november 2013 heeft het college aan de Faunabeheereenheid op grond van artikel 68, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) onder voorschriften ontheffing verleend voor, voor zover thans van belang, het in de periode van 1 oktober tot en met 31 mei gedurende een uur voor zonsopgang tot een uur na zonsondergang met geweren en honden verjagen en doden van knobbelzwanen op percelen met ingezaaid gras, graszoden, graszaad en koolzaad, het in de periode van 15 november tot en met 31 mei gedurende een uur voor zonsopgang tot een uur na zonsondergang met geweren en honden verjagen en doden van knobbelzwanen op percelen met gras en granen, en het gedurende een uur voor zonsopgang tot een uur na zonsondergang met geweren en honden verjagen en doden van knobbelzwanen op of in de onmiddellijke nabijheid van wegen of fietspaden. De ontheffing is geldig in de gehele provincie Zuid-Holland tot en met 31 mei 2018.

Bij besluit van 28 augustus 2014 heeft het college, voor zover thans van belang, het daartegen door Natuur- en Vogelwerkgroep De Krimpenerwaard gemaakte bezwaar, voor zover dit ziet op het gebruik van het geweer voor zonsopgang en na zonsondergang, gegrond verklaard en het door de Faunabescherming gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij dit besluit heeft het college de periode voor het doden van knobbelzwanen met het geweer beperkt tot de periode tussen zonsopgang en zonsondergang, en ontheffing verleend voor het verstoren en beschadigen van nesten van knobbelzwanen en het rapen, uit nesten nemen en beschadigen van eieren van knobbelzwanen.

Bij besluit van 2 juni 2015 heeft het college, voor zover thans van belang, de motivering van het besluit van 28 augustus 2014 aangevuld.

Bij uitspraak van 3 december 2015 heeft de rechtbank de beroepen van de Faunabescherming en de Faunabeheereenheid tegen de besluiten van 28 augustus 2014 en 2 juni 2015 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de Faunabescherming en de Faunabeheereenheid hoger beroep ingesteld.

Het college en de Faunabeheereenheid hebben elk een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

Bij besluit van 12 juli 2016 heeft het college een aantal aan de ontheffing verbonden voorschriften aangepast.

De Faunabescherming en de Faunabeheereenheid hebben elk een schriftelijke toelichting ingediend.

De Faunabescherming en de Faunabeheereenheid hebben elk een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 december 2016, waar de Faunabescherming, vertegenwoordigd door [gemachtigden], de Faunabeheereenheid, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door B.B. van de Water, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden en de Ffw ingetrokken. Nu het besluit op bezwaar voor die datum is genomen, is de Ffw op dit geding nog van toepassing. De relevante bepalingen van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB 2010 L 20) (hierna: de Vogelrichtlijn), van de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb), van de Ffw en van het Besluit beheer en schadebestrijding dieren (hierna: het Bbsd) zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

2.    Het college heeft de ontheffing verleend op basis van een door de Faunabeheereenheid opgesteld, op 29 oktober 2013 door het college goedgekeurd Faunabeheerplan. Volgens het Faunabeheerplan is de knobbelzwaan (Cygnus olor), een beschermde inheemse diersoort, in Zuid-Holland een algemeen en bijzonder talrijk voorkomende soort en brengen grote groepen foeragerende knobbelzwanen van de vroege herfst tot ver in het voorjaar aanzienlijke schade toe aan percelen met (ingezaaid) gras en granen. De schade kon de voorgaande jaren worden beperkt door onder meer verjaging en afschot. Indien dit beheer niet wordt voortgezet, dreigt de schade aanzienlijk toe te nemen, aldus het Faunabeheerplan.

Hoger beroep van de Faunabeheereenheid

3.    De Faunabeheereenheid betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college geen ontheffing kan verlenen voor het gebruik van een geweer voor zonsopgang en na zonsondergang, omdat deze tijdstippen niet in een wettelijk voorschrift zijn neergelegd en uit artikel 9, tweede lid, van de Vogelrichtlijn volgt dat het college niet van artikel 7, negende lid, aanhef en onder a, van het Bbsd kan afwijken. Hiertoe voert de Faunabeheereenheid aan dat het verlenen van ontheffing voor gebruik van het geweer voor zonsopgang en na zonsondergang niet in strijd met de Vogelrichtlijn is. Het oordeel van de rechtbank is gebaseerd op een onjuiste interpretatie van de uitspraak van de Afdeling van 4 januari 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV0107). Het draait in deze zaak immers niet om het toestaan van dodingsmiddelen die niet in een wettelijk voorschrift zijn neergelegd, maar om het toestaan van het gebruik van het geweer in de nacht, hetgeen geen essentieel aspect van de Vogelrichtlijn is en waarop de Vogelrichtlijn niet ziet. Uit het oordeel van de rechtbank volgt dat elke ontheffingsverlening onmogelijk wordt. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1423 betoogt de Faunabeheereenheid voorts dat in de uitspraak van 4 januari 2012 ten onrechte is geoordeeld dat de middelen in een wettelijk voorschrift moeten zijn neergelegd. Voorts voert de Faunabeheereenheid aan, uitgaande van de toepasselijkheid van de Vogelrichtlijn, dat de rechtbank heeft miskend dat de tijdstippen waarvoor een verbod geldt voldoende zijn bepaald, zodat daarvoor ontheffing kan worden verleend.

3.1.    Het college kan ingevolge artikel 68, derde lid, van de Ffw, in samenhang met artikel 72, vijfde lid, gelezen, afwijken van de in artikel 72, derde lid, bedoelde regels met betrekking tot het gebruik van de in artikel 72, eerste lid, bedoelde middelen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat afwijking van de in artikel 7, negende lid, van het Bbsd neergelegde regel dat geweren niet voor zonsopgang en na zonsondergang worden gebruikt, in strijd is met artikel 9, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vogelrichtlijn.

    De rechtbank heeft terecht dit standpunt van het college onderschreven. Een wettelijk voorschrift waarin de door de Faunabeheereenheid gewenste mogelijkheid om het geweer een uur voor zonsopgang en een uur na zonsondergang te gebruiken, ontbreekt. In de uitspraak van 4 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV0107, heeft de Afdeling voorts geoordeeld dat uit artikel 9, tweede lid, van de Vogelrichtlijn volgt dat in een wettelijk voorschrift moet zijn bepaald met welke middelen beschermde inheemse vogels mogen worden gedood. Dat oordeel geldt ook voor de in artikel 9, tweede lid, onder c, van de Vogelrichtlijn bedoelde voorwaarden met betrekking tot het risico en onder welke omstandigheden van tijd en plaats deze afwijkende maatregelen mogen worden genomen. In de uitspraak van 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1423, in de zaak waarnaar de Faunabeheereenheid verwijst, heeft de Afdeling dit oordeel bevestigd.

    Het betoog faalt.

Hoger beroep van de Faunabescherming

4.    Het college heeft ter zitting van de Afdeling naar voren gebracht, dat de Faunabescherming geen belang heeft bij de behandeling van haar hoger beroep. Het college beroept zich hierbij op de per 1 januari 2017 in werking getreden Wnb. De Ffw is hierbij ingetrokken.

    Ingevolge artikel 9.5, zevende lid, van de Wnb gelden ontheffingen als bedoeld in artikel 68, eerste lid, van de Ffw als ontheffingen als bedoeld in 3.17, eerste lid. Aangezien de ontheffing op grond van het overgangsrecht in volle omvang blijft bestaan, heeft de Faunabescherming belang bij een beoordeling of die ontheffing terecht is verleend. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat op grond van het overgangsrecht ook het huidige faunabeheerplan van kracht blijft.

    Gelet hierop heeft de Faunabescherming nog belang bij de behandeling van haar hoger beroep.

5.    De Faunabescherming betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college met zijn verwijzing naar het Faunabeheerplan en aanvullende schadegegevens van het Faunafonds over de jaren 2011 tot en met 2014 voldoende heeft onderbouwd dat aan het in artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ffw voor verlening van ontheffing gestelde vereiste van belangrijke schade is voldaan. Hiertoe voert de Faunabescherming aan dat de gegevens waarop het college zich beroept niet juist zijn. Met die gegevens wordt gesuggereerd dat er in Zuid-Holland jaarlijks ongeveer twintig gevallen van schade zijn en dat de gemiddelde schade per geval ongeveer € 250,00 bedraagt. Uit schadegegevens over het jaar 2012 en de eerste helft van 2013 die op de website van het Faunafonds zijn gepubliceerd, blijkt echter dat er per jaar gemiddeld drie gevallen zijn waarbij de schade hoger dan € 250,00 is, dat de schade aan gras altijd in de maanden januari en februari wordt aangericht, dat het om zeer grote percelen gras gaat zodat de gemiddelde schade per hectare vaak laag is en dat zich slechts één geval van schade aan wintergraan in mei heeft voorgedaan. De Faunabescherming verwijst naar de uitspraken van de Afdeling van 17 maart 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BL7785) en 1 mei 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ9067) en naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 22 april 2015 (ECLI:NL:RBNHO:2015:3285), waaruit volgens haar volgt dat een incidenteel schadegeval onvoldoende basis voor een ontheffing vormt. De ontheffing had voorts niet mogen worden verleend voor andere gewassen dan blijvend grasland en wintergraan en voor andere maanden dan januari, februari en mei. Voorts bestaat het risico dat overwinterende knobbelzwanen uit Oost-Europa dan wel exemplaren van de bedreigde kleine zwaan of de wilde zwaan worden geschoten, aldus de Faunabescherming.

5.1.    Artikel 68 van de Ffw is de implementatie van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, derde gedachtestreepje, van de Vogelrichtlijn. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 februari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH1843), is niet gebleken dat de implementatie niet op een juiste wijze is geschied. Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van 24 januari 2012 in zaak C-282/10 (ECLI:EU:C:2012:33), Dominguez, laat dit evenwel onverlet dat artikel 68 van de Ffw moet worden uitgelegd en toegepast in het licht van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, derde gedachtestreepje, van de Vogelrichtlijn.

    Het Hof heeft in zijn arrest van 8 juni 2006 in zaak C-60/05 (ECLI:EU:C:2006:378), WWF Italia e.a., onder verwijzing naar zijn arrest van  7 maart 1996 in zaak C-118/94 (ECLI:EU:C:1996:86), Associazione Italiana per il WWF e.a., overwogen dat, aangezien het hier gaat om een uitzonderingsregeling die strikt moet worden uitgelegd en volgens welke de autoriteit die het besluit neemt voor elke afwijking moet bewijzen dat aan de gestelde voorwaarden is voldaan, de lidstaten moeten waarborgen dat elke ingreep die de beschermde soorten raakt slechts wordt toegestaan op basis van besluiten die steunen op een nauwkeurige en treffende motivering die verwijst naar de in artikel 9, eerste en tweede lid, van de Vogelrichtlijn opgesomde redenen, voorwaarden en vereisten (zie ook het arrest van het Hof van 14 juni 2007 in zaak C-342/05 (ECLI:EU:C:2007:341), Commissie/Finland).

    In het arrest van 7 maart 1996 heeft het Hof overwogen dat de afwijking van de in de Vogelrichtlijn neergelegde verbodsbepalingen moet voldoen aan nauwkeurig omschreven vormvoorwaarden, die tot doel hebben de afwijkingen tot het strikt noodzakelijke te beperken. Ofschoon artikel 9 van de Vogelrichtlijn een ruime afwijking van de algemene beschermingsregeling toestaat, moet het niettemin een concrete en gerichte toepassing vinden teneinde tegemoet te komen aan nauwkeurige vereisten en specifieke situaties.

5.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9067) is aan het in artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ffw gestelde vereiste van belangrijke schade voldaan, indien is gebleken van een concrete dreiging van belangrijke schade.

    Ingevolge artikel 3 van het Bbsd, gelezen in samenhang met bijlage 2 bij dit besluit, is de knobbelzwaan aangewezen als beschermde inheemse diersoort die in delen van het land veelvuldig belangrijke schade aanricht als bedoeld in artikel 65, eerste lid, aanhef en onder b, van de Ffw. Ingevolge het tweede lid van artikel 65 kan die aanwijzing slechts worden gedaan wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort. In de provincie Zuid-Holland bevindt zich het zwaartepunt van de verspreiding van de knobbelzwaan in Nederland. De knobbelzwaan is in Zuid-Holland een algemeen en zeer talrijk voorkomende soort. Uit het Faunabeheerplan en de Handreiking Faunaschade van het Faunafonds blijkt dat knobbelzwanen schade aanrichten aan de in de ontheffing opgenomen gewassen; gewassen die in de provincie Zuid-Holland veelvuldig worden verbouwd.

5.3.    Uit het enkele gegeven dat knobbelzwanen en schadegevoelige gewassen in de gehele provincie voorkomen, kan niet de conclusie worden getrokken dat belangrijke schade zich in de gehele provincie voordoet. De ontheffing dient zich dan ook te beperken tot die specifieke situaties waarvoor op grond van de schadehistorie aannemelijk is gemaakt dat ten aanzien daarvan belangrijke schade is aangericht of dreigt te worden aangericht.

5.4.    Niet is vereist dat belangrijke schade zich al heeft voorgedaan, maar gelet op de hiervoor onder 5.1. weergegeven jurisprudentie van het Hof, moet bij het besluit waarbij ontheffing wordt verleend wel bewijs worden geleverd dat aan de voorwaarden wordt voldaan en moet dat besluit steunen op een nauwkeurige en treffende motivering.

    De verleende ontheffing vormt een voortzetting van het reeds in de jaren 2006-2011 gevoerde beheer. Volgens het Faunabeheerplan is de vorige ontheffing op 21 november 2006 verleend. Deze ontheffing was vijf jaar geldig. Op grond van deze ontheffing zijn vanaf de winterperiode 2006/2007 tot en met de winterperiode 2010/2011 jaarlijks tussen de 1.029 en 1.856 knobbelzwanen afgeschoten. De populatie knobbelzwanen is in deze periode stabiel gebleven. Knobbelzwanen veroorzaken vraatschade, vervuilingsschade en schade door verslemping van de bodem. Ondanks het gevoerde beheer heeft het Faunafonds in die periode ieder jaar tussen de € 5.000,00 en € 10.000,00 schade getaxeerd. De werkelijke schade is hoger, omdat niet alle gedupeerden bij het Faunafonds een tegemoetkoming faunaschade hebben aangevraagd en het Faunafonds alleen vraatschade vergoedt. Schade wordt verspreid over de gehele provincie aangericht. Er was schade aan gras, granen en koolzaad, welke gewassen in de gehele provincie worden verbouwd. Schade wordt met name veroorzaakt door groepen niet-broedende dieren van de vroege herfst tot ver in het voorjaar. Zwanen beginnen eerst op vijfjarige leeftijd met broeden, zodat er altijd niet-broedende vogels aanwezig zijn die schade kunnen veroorzaken, aldus het Faunabeheerplan.

    Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich op grond van het voorgaande niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat van een concrete dreiging van belangrijke schade is gebleken. Anders dan het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, verleent het college van Noord-Holland slechts een ontheffing indien op grond van recente taxaties of anderszins cijfermatig aan het college aannemelijk is gemaakt dat en waar zonder ingrijpen belangrijke schade te vrezen is. De verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 22 april 2015, waarin die rechtbank heeft geoordeeld dat het college van Noord-Holland zijn standpunt over belangrijke schade ondeugdelijk heeft gemotiveerd, kan de Faunabescherming niet baten, reeds omdat het college van Noord-Holland een ander beleid voert dan het college van Zuid-Holland.

    Gezien het vorenstaande komt de Afdeling tot het oordeel dat het college onder verwijzing naar het Faunabeheerplan voldoende nauwkeurig en treffend heeft gemotiveerd dat zich een concrete dreiging van belangrijke schade voordoet.

    Het betoog faalt.

6.    De Faunabescherming betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college met zijn verwijzing naar het Faunabeheerplan en de Handreiking Faunaschade aannemelijk heeft gemaakt dat het effect van preventieve maatregelen, waarbij geen afschot plaatsvindt, zeer beperkt is en geen bevredigende oplossing als bedoeld in artikel 68, eerste lid, van de Ffw biedt om belangrijke schade aan gewassen te voorkomen. Hiertoe voert zij aan dat er alternatieve middelen voorhanden zijn om knobbelzwanen te verjagen, zoals akoestische en visuele middelen en het vogelafweerpistool, waarmee in de provincie Groningen wordt gewerkt. Voorts is het vernielen van nesten van de knobbelzwaan geen bevredigende oplossing om schade aan gewassen te beperken. De schade wordt immers door grote groepen onvolwassen knobbelzwanen, niet door broedparen, veroorzaakt. Het vernielen van nesten werkt zelfs averechts, omdat een broedpaar een territorium vrijhoudt van andere zwanen en de kans op schade in dat territorium daardoor wordt geminimaliseerd, aldus de Faunabescherming.

6.1.    De rechtbank heeft terecht het standpunt van het college onderschreven dat het effect van preventieve middelen ter voorkoming van schade aan gewassen, zonder dat daarbij afschot plaatsvindt, zeer beperkt is. Dat er andere methoden voorhanden zijn, zegt op zichzelf niets over de effectiviteit daarvan zonder afschot. De situatie in de provincie Groningen is voorts niet met die in Zuid-Holland vergelijkbaar, omdat in Groningen veel minder knobbelzwanen voorkomen. Voorts is de ontheffing voor het verstoren en beschadigen van nesten van knobbelzwanen, anders dan de Faunabescherming suggereert, verleend ter voorkoming van onveilige situaties bij wegen, niet ter voorkoming van schade aan gewassen.    

    Het betoog faalt.

7.    Voorts betoogt de Faunabescherming dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van het college heeft onderschreven dat afschot van knobbelzwanen noodzakelijk is in het belang van de openbare veiligheid, omdat knobbelzwanen langs wegen en fietspaden onveilige situaties kunnen veroorzaken. Hiertoe voert zij aan dat er andere bevredigende oplossingen voorhanden zijn, bijvoorbeeld het plaatsen van een raster tussen nest en weg. In het uiterste geval zou een nest kunnen worden verplaatst, aldus de Faunabescherming.

7.1.    De rechtbank heeft terecht het standpunt van het college onderschreven dat afschot van knobbelzwanen noodzakelijk is in het belang van de openbare veiligheid, omdat knobbelzwanen langs wegen en fietspaden onveilige situaties kunnen veroorzaken. Dat er alternatieve methoden voorhanden zijn, zegt op zichzelf niets over de effectiviteit daarvan zonder afschot. Zoals de Faunabeheereenheid onweersproken naar voren heeft gebracht, kan een knobbelzwaan om een raster heenlopen of eroverheen vliegen, en is verplaatsing van nesten in het algemeen niet goed mogelijk. Ook dit betoog faalt.

8.    De hoger beroepen van de Faunabescherming en de Faunabeheereenheid zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Besluit van 12 juli 2016

9.    De hoger beroepen moeten ingevolge de artikelen 6:19 en 6:24 van Algemene wet bestuursrecht worden geacht mede beroepen voor de Faunabescherming en de Faunabeheereenheid tegen het besluit van 12 juli 2016 te omvatten.

    Bij het besluit van 12 juli 2016 heeft het college op basis van voortschrijdende inzichten bepaalde voorschriften in de ontheffing gewijzigd. Dit betreft onder meer voorschriften ten aanzien van de uit te voeren preventieve maatregelen.

10.    Het beroep van de Faunabeheereenheid is ongegrond, omdat zij in haar toelichting op dat beroep de wijziging van de aan de ontheffing verbonden voorschriften niet aanvecht.

    De Faunabescherming komt op tegen de wijziging van de aan de ontheffing verbonden voorschriften ten aanzien van de uit te voeren preventieve maatregelen. Reeds gelet op het onder 6.1. overwogene, is het beroep van de Faunabescherming eveneens ongegrond.

11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    verklaart de beroepen tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 12 juli 2016 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Ley-Nell, griffier.

w.g. Lubberdink    w.g. Ley-Nell

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2017

597. BIJLAGE

Vogelrichtlijn

Artikel 1

1. Deze richtlijn heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. Zij betreft de bescherming, het beheer en de regulering van deze soorten en stelt regels voor de exploitatie daarvan.

[…].

Artikel 5

Onverminderd de artikelen 7 en 9 nemen de lidstaten de nodige maatregelen voor de invoering van een algemene regeling voor de bescherming van alle in artikel 1 bedoelde vogelsoorten; deze maatregelen omvatten met name de volgende verbodsbepalingen:

a) een verbod om, ongeacht de gebruikte methode, opzettelijk de bedoelde vogels te doden of te vangen;

b) (...);

c) (...);

d) een verbod om deze vogels, met name gedurende de broedperiode, opzettelijk te storen, voor zover een dergelijke storing, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn, van wezenlijke invloed is;

e) (...).

Artikel 9

1. De lidstaten mogen, indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat, om onderstaande redenen afwijken van de artikelen 5, 6, 7 en 8:

a) - in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid,

- in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer,

- ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren,

- ter bescherming van flora en fauna;

b) (...);

c) (...).

2. In de in lid 1 bedoelde afwijkende bepalingen moet worden vermeld:

a) (…);

b) (…);

c) onder welke voorwaarden met betrekking tot het risico en onder welke omstandigheden van tijd en van plaats deze afwijkende maatregelen mogen worden genomen;

d) (…);

e) (…).

[…].

Wnb

Artikel 3:12

[…]

7. Het faunabeheerplan behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten van de provincie waarin de faunabeheereenheid werkzaam is. Ingeval een gezamenlijk faunabeheerplan is vastgesteld door faunabeheereenheden in verschillende provincies, geschiedt de goedkeuring door gedeputeerde staten van de provincie waarin het leefgebied van de soort grotendeels is gelegen, in overeenstemming met gedeputeerde staten van de andere provincies waarin het leefgebied mede is gelegen. Een goedgekeurd faunabeheerplan wordt openbaar gemaakt door de betreffende faunabeheereenheid.

[…]

Artikel 3:17

1.Ten behoeve van de beperking van de omvang van een populatie van vogels als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, of van dieren van soorten als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, verlenen gedeputeerde staten ontheffing als bedoeld artikel 3.3, eerste, vierde en vijfde lid, 3.4, tweede lid, 3.8, eerste en vijfde lid, 3.9, tweede lid, of 3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, tweede lid, indien deze beperking nodig is:

a.    ingeval van vogels:

1°. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;

2°. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

3°. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren, of

4°. ter bescherming van flora en fauna;

b.    (…);

c.    (…).

[…]

Artikel 9.5

1. Goedkeuringen van faunabeheerplannen als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de Flora- en faunawet gelden voor het tijdvak waarvoor de desbetreffende faunabeheerplannen van kracht zijn als goedkeuringen als bedoeld in artikel 3.12, zevende lid.

[…]

7 Ontheffingen als bedoeld in artikel 68, eerste lid, van de Flora- en faunawet gelden als ontheffingen als bedoeld in 3.17, eerste lid.

[…]

Ffw

Artikel 4

1. Als beschermde inheemse diersoort worden aangemerkt:

a. (...);

b. alle van nature op het Europese grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie voorkomende soorten vogels met uitzondering van gedomesticeerde vogels behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten;

c. (...);

d. (...).

[…]

Artikel 9

Het is verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen.

Artikel 10    

Het is verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.

Artikel 11

Het is verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

Artikel 12

Het is verboden eieren van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te zoeken, te rapen, uit het nest te nemen, te beschadigen of te vernielen.

Artikel 65

1. Bij algemene maatregel van bestuur worden beschermde inheemse diersoorten aangewezen, die niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen soorten die:

a. in het gehele land schade aanrichten;

b. in delen van het land schade aanrichten.

2. Slechts wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, kan de aanwijzing bedoeld in het eerste lid worden gedaan ter voorkoming van:

a. belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren, of

b. schade aan de fauna.

[…]

Artikel 68

1. Wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, kunnen gedeputeerde staten, voorzover niet bij of krachtens enig ander artikel van deze wet vrijstelling is of kan worden verleend, ten aanzien van beschermde inheemse diersoorten, het Faunafonds gehoord, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 9 tot en met 15, 15a, 15b, tweede lid in samenhang met het eerste lid, 16, 17, 18, 53, eerste lid, onderdelen c en d, 72, vijfde lid, en 74:

a. (...);

b. (...);

c. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren;

d. (...) of

e. (...).

[…]

3. Gedeputeerde staten kunnen bij verlening van een ontheffing als bedoeld in het eerste lid niet afwijken van het bepaalde bij of krachtens artikel 72, vijfde lid, voor het toestaan van middelen die onnodig lijden van dieren veroorzaken.

[…]

Artikel 72

[…]

3. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, worden regels gesteld met betrekking tot het gebruik van de in het eerste en tweede lid bedoelde middelen. Deze regels betreffen in ieder geval:

a. de soorten waarop de middelen betrekking hebben;

b. de afmetingen van de gronden waarop de middelen gebruikt mogen worden en

c. de vaardigheden waarover bij het gebruik van de middelen beschikt moet worden.

[…]

5. Het is verboden dieren te vangen of te doden met andere dan de in het eerste of tweede lid bedoelde middelen of in strijd met de toestemming, bedoeld in het vierde lid of de regels die op grond van het derde lid worden gesteld.

[…]

    

Bbsd

Artikel 3

Als beschermde inheemse diersoorten die in delen van het land veelvuldig belangrijke schade aanrichten als bedoeld in artikel 65, eerste lid, onderdeel b, van de wet zijn aangewezen de soorten genoemd in bijlage 2 bij dit besluit.

Artikel 7

[…]

9. Geweren worden niet gebruikt:

a. voor zonsopgang en na zonsondergang, met dien verstande dat wilde eenden waarop de jacht is geopend ook mogen worden gedood gedurende een half uur voor zonsopgang en een half uur na zonsondergang;

b. (…);

c. (…);

d. (…);

e. (…).

[…]

Bijlage 2

(…)

Cygnus olor        knobbelzwaan

(...)

Bekendmaking lijsten beschermde inheemse diersoorten 2013

Artikel 1

De soorten die worden aangemerkt als beschermde inheemse diersoorten als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Flora- en faunawet, zijn opgenomen in:

a. (...);

b. bijlage 2, voor zover het betreft van nature op het Europese grondgebied van de Lidstaten van de Europese Unie voorkomende soorten vogels;

c. (...);

d. (...).

Bijlage 2

(...)

Cygnus olor        knobbelzwaan

(...)