Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1644

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-06-2017
Datum publicatie
21-06-2017
Zaaknummer
201609920/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:8897, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 september 2015 heeft het college de schulddienstverlening aan [appellante] met ingang van 7 september 2015 beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201609920/1/A2.

Datum uitspraak: 21 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 november 2016 in zaak nr. 16/1147 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 22 september 2015 heeft het college de schulddienstverlening aan [appellante] met ingang van 7 september 2015 beëindigd.

Bij besluit van 7 januari 2016 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 november 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juni 2017, waar [appellante], bijgestaan door mr. S.C. Scheermeijer, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. I. Weltevrede-Plaisier en J.M.A. Bravenboer, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (hierna: de Wgs) is een college van burgemeester en wethouders verantwoordelijk voor de schuldhulpverlening aan de inwoners van zijn gemeente. Het college van Rotterdam heeft ter uitvoering van die taak de Beleidsregels schulddienstverlening Rotterdam 2013 vastgesteld. De feitelijke uitvoering van de schulddienstverlening wordt namens het college gedaan door de Kredietbank Rotterdam (hierna: de KBR).

2.    [appellante] heeft zich wegens schuldenproblematiek in juli 2013 gewend tot de KBR. De schulddienstverlening door de KBR bestond uit budgetbeheer en het proberen te komen tot een minnelijke regeling met de schuldeisers van [appellante]. Toen bleek dat een minnelijke regeling niet mogelijk was, is [appellante] in juni 2014 toegelaten tot de schuldsaneringsregeling van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (hierna: de Wsnp). Een voorwaarde daarbij was dat het budgetbeheer door de KBR zou worden voortgezet.

3.    Ten tijde van de aanvang van de schulddienstverlening ontving [appellante] een bijstandsuitkering. Bij besluit van 14 januari 2015 heeft het college die uitkering met ingang van 30 januari 2012 ingetrokken en een bedrag van € 38.512,50 van haar teruggevorderd, omdat zij niet de benodigde informatie heeft verschaft waarmee het recht op een uitkering kon worden vastgesteld. Bij besluit van 22 mei 2015 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dat besluit heeft zij geen beroep ingesteld.

4.    Als gevolg van de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering is op 10 april 2015 de schuldsaneringsregeling van de Wsnp tussentijds beëindigd.

5.    Het college heeft vervolgens de schulddienstverlening, bestaande uit het budgetbeheer door de KBR, eveneens beëindigd. Aan die beëindiging heeft het, voor zover nu nog van belang, ten grondslag gelegd dat [appellante] de met haar bij aanvang van de schulddienstverlening gemaakte afspraken, zoals vastgelegd in het door haar op 24 juli 2013 ondertekende Verklaring rechten en plichten schulddienstverlening niet is nagekomen. Zij heeft in strijd met die afspraken een nieuwe schuld laten ontstaan, te weten de terugvordering van de bijstandsuitkering. Daarnaast is door de intrekking van de bijstandsuitkering sinds oktober 2014 geen inkomen meer ontvangen door de KBR, waardoor in strijd met de afspraken de vaste lasten niet tijdig konden worden betaald.

    [appellante] heeft door het niet nakomen van de afspraken artikel 4, aanhef en onder a en f, van de Beleidsregels overtreden, aldus het college. Ingevolge dat artikel is de schuldenaar verplicht om alle medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is tijdens het schulddienstverleningstraject. Deze medewerking bestaat onder andere uit het nakomen van gemaakte afspraken en het tijdig betalen van de vaste lasten.

    Geschil en oordeel van de rechtbank

6.    In geschil is of het college op grond van voormelde redenen redelijkerwijs tot beëindiging van de schulddienstverlening heeft kunnen besluiten.

7.    De rechtbank heeft overwogen dat [appellante] de verplichtingen op grond van artikel 4, aanhef en onder a en f, van de Beleidsregels verwijtbaar heeft geschonden, nu zij geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit van het college van 22 mei 2015 waarbij haar bezwaar tegen de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering ongegrond is verklaard. Het college was derhalve bevoegd de schulddienstverlening te beëindigen. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid gebruik heeft mogen maken van die bevoegdheid.

    Gronden van het hoger beroep en beoordeling

8.    De Afdeling laat het eerst ter zitting aangevoerde betoog van [appellante] dat artikel 4 van de Beleidsregels in strijd is met de Wgs buiten beschouwing, aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom dat betoog niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd en zij dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen.

9.    [appellante] betoogt verder dat de rechtbank haar ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 22 mei 2015. Volgens haar is het te wijten aan haar toenmalige gemachtigde dat geen beroep is ingesteld. Daarnaast had zij, als zij wel beroep had ingesteld, geen invloed kunnen uitoefenen op de uitkomst daarvan. Zij betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte geen waarde heeft toegekend aan haar stelling dat zij het slachtoffer is van identiteitsdiefstal. Zonder haar medeweten zijn in Engeland bedrijven op haar naam opgericht, hetgeen de reden is geweest van de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering.

    Onder deze omstandigheden kan haar geen verwijt worden gemaakt van het schenden van de verplichtingen van artikel 4, aanhef en onder a en f, van de Beleidsregels, aldus [appellante]. Het was volgens haar dan ook onredelijk van het college om de schulddienstverlening te beëindigen, te meer nu de schuldeisers zich daardoor vrij voelden incasso- en executietrajecten te herstarten.

9.1.    Het bij het besluit van 22 mei 2015 gehandhaafde besluit van 14 januari 2015 is het gevolg van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan [appellante] verleende bijstandsuitkering. Uit dat onderzoek is naar voren gekomen dat [appellante] sinds 31 januari 2011 staat ingeschreven in Groot-Brittannië, een Brits burgerservicenummer heeft en sinds 30 januari 2012 bij de Britse Kamer van Koophandel staat ingeschreven als directeur van drie bedrijven. Verder is zij in Groot-Brittannië een islamitisch huwelijk aangegaan, heeft zij een huurovereenkomst mede ondertekend en beschikt zij over een Britse bankrekening. Over al deze feiten heeft [appellante] vóór het onderzoek geen inlichtingen verschaft aan het college. Ook nadat zij tijdens het onderzoek met deze feiten is geconfronteerd, heeft zij geen inlichtingen verschaft over met name de drie bedrijven en heeft zij evenmin aannemelijk gemaakt dat zij niets van doen had met die bedrijven. Als gevolg daarvan kon haar recht op bijstand niet worden vastgesteld en is de bijstandsuitkering vanaf 30 januari 2012 ingetrokken en teruggevorderd, aldus het besluit van 22 mei 2015.

    Doordat [appellante], ongeacht de oorzaak daarvan, geen beroep heeft ingesteld tegen dat besluit is dat in rechte komen vast te staan. Dat betekent dat het besluit van 22 mei 2015 thans als rechtmatig geldt. De identiteitsdiefstal waar [appellante] zich op beroept, had in een procedure tegen dat besluit naar voren kunnen worden gebracht. De rechtbank heeft aan hetgeen zij daarover in deze procedure heeft aangevoerd dan ook terecht niet de waarde toegekend die [appellante] daaraan gehecht wenste te zien.

    Gezien de inhoud van het besluit van 22 mei 2015, dient er in deze procedure vanuit te worden gegaan dat het ontstaan van de nieuwe schuld, te weten de terugvordering van de bijstandsuitkering, en het niet kunnen betalen van de vaste lasten door de intrekking van de bijstandsuitkering aan [appellante] zijn toe te rekenen. In dit licht bezien is de overweging van de rechtbank dat, nu [appellante] geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 22 mei 2015, niet gezegd kan worden dat haar van de schendingen van haar verplichtingen op grond van artikel 4, aanhef en onder a en f, van de Beleidsregels geen verwijt kan worden gemaakt, niet onjuist. De rechtbank heeft voorts gelet op deze schendingen terecht overwogen dat het college bevoegd was de schulddienstverlening te beëindigen.

9.2.    De rechtbank heeft eveneens terecht overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Dat de beëindiging van de schulddienstverlening, bestaande uit budgetbeheer, onevenredige gevolgen voor [appellante] heeft, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Zoals het college in beroep en hoger beroep heeft uiteengezet, is het gegeven dat de schuldeisers zich weer bij [appellante] hebben gemeld, het gevolg van de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van de Wsnp. Een minnelijke regeling door de KBR was immers niet tot stand gekomen. Anders dan [appellante] stelt, was de KBR dan ook niet het aanspreekpunt voor de schuldeisers ten aanzien van de schulden. Verder was budgetbeheer ten tijde van de besluitvorming feitelijk niet langer mogelijk, omdat er als gevolg van de intrekking van de bijstandsuitkering geen inkomsten waren waaruit de vaste lasten konden worden betaald. Dat [appellante], naar zij stelt, in de toekomst weer inkomsten zou verkrijgen, brengt niet mee dat het college het budgetbeheer ten tijde hier van belang niet mocht beëindigen.

9.3.    Gezien het voorgaande, faalt het betoog.

    Eindoordeel

10.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. de Vries-Biharie, griffier.

w.g. Hagen    w.g. De Vries-Biharie

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2017

611.