Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1637

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-06-2017
Datum publicatie
21-06-2017
Zaaknummer
201509469/2/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 februari 2017 heeft het college [appellant A] € 13.250,00 en [appellant D] in totaal € 20.900,00, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van ontvangst van de aanvraag, toegekend wegens door hen geleden planschade.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3196
Module Ruimtelijke ordening 2017/7835 met annotatie van M.G.O. De lange
TBR 2017/182 met annotatie van H.P. Wiersema, A.J.F. Viruly
JOM 2017/675
JOM 2017/661
OGR-Updates.nl 2017-0121
Jurisprudentie Grondzaken 2017/193 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Jurisprudentie Grondzaken 2017/194 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201509469/2/A2.

Datum uitspraak: 21 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant A]) en [appellant C] en [appellant D] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant D]), allen wonend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 20 november 2015 in zaak nr. 15/175 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant D]

en

het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 30 november 2016 in zaak nr. ECLI:NL:RVS:2016:3196 (hierna: de tussenuitspraak) heeft de Afdeling het college opgedragen binnen tien weken na verzending daarvan met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen de gebreken in het besluit op bezwaar van 26 november 2014 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 10 februari 2017 heeft het college [appellant A] € 13.250,00 en [appellant D] in totaal € 20.900,00, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van ontvangst van de aanvraag, toegekend wegens door hen geleden planschade.

Bij brief van 9 maart 2017 hebben [appellant A] en [appellant D] een zienswijze ingediend over dit besluit.

De Afdeling heeft bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Achtergrond en besluitvorming

1.    [appellant A] is sinds 15 februari 2002 eigenaar van de woning op het perceel aan [locatie 1] te [plaats]. [appellant D] is sinds 1965 eigenaar van de woning op het perceel aan de [locatie 2] en van de woning op het perceel aan [locatie 3], beide gelegen in [plaats].

    [appellant A] en [appellant D] hebben het college op 21 februari 2013 voor ieder van de percelen verzocht om een tegemoetkoming in de planschade die zij stellen te hebben geleden als gevolg van de inwerkingtreding op 23 augustus 2007 van het bestemmingsplan "Partiële herziening ‘Overtoom’ en ‘Recreatiegebied Heerhugowaard Zuid’ ten behoeve van windpark" (hierna: het nieuwe bestemmingsplan) en het besluit van 27 maart 2008, waarbij vrijstelling is verleend van het nieuwe bestemmingsplan (hierna: het vrijstellingsbesluit).

    Het nieuwe bestemmingsplan voorziet in de realisatie van twee windturbines in het plangebied van het bestemmingsplan ‘Recreatiegebied Heerhugowaard Zuid’ en één windturbine met transformatorstation in het plangebied van het bestemmingsplan "Overtoom". De drie windturbines mogen op basis van het nieuwe bestemmingsplan - ieder - een maximale masthoogte van 80 m, een maximale rotordiameter van 70 m en drie rotorbladen hebben, en het bij het windpark behorend transformatorstation een maximale hoogte van 3 m en een maximaal oppervlak van 10 m2. Bij het vrijstellingsbesluit is een overschrijding van de rotordiameter met 1 m en een overschrijding van de masthoogte van twee turbines met 3 m en voor de derde turbine met circa 2.87 m mogelijk gemaakt.

2.    Aan de op de aanvragen volgende besluitvorming heeft het college drie afzonderlijke adviezen van Langhout & Wiarda Juristen en Rentmeesters (hierna: Langhout) ten grondslag gelegd. Volgens Langhout geldt voor alledrie de percelen dat de windturbines bij een maximale invulling van de tussengelegen bestemmingen deels aan het zicht worden onttrokken, de verwachte hinderduur als gevolg van slagschaduw per jaar maximaal minder dan 6 uren is en de windturbines, hoewel deze onder het referentieniveau van het omgevingsgeluid blijven, vooral in de nachtelijke uren te horen zijn. Langhout heeft de hierdoor geleden planschade begroot op € 20.000,00 per perceel. Daarbij heeft hij gesteld dat de plaatsing van een windturbine als een normale maatschappelijke ontwikkeling moet worden beschouwd, zodat hij aanleiding ziet voor een hogere aftrek voor het normaal maatschappelijk risico dan de forfaitaire drempel van 2%. Deze korting heeft hij evenwel niet nader uitgewerkt, omdat de geleden planschade volgens Langhout in alledrie de gevallen niet voor vergoeding in aanmerking komt. In dat kader heeft hij over het perceel aan [locatie 1] uiteengezet dat de planologische ontwikkeling ten tijde van de aankoop van dit perceel door [appellant A] in juni 2001 voorzienbaar was op basis van het Structuurplan Heerhugowaard-Zuid (hierna: het Structuurplan) en een raadsbesluit van 25 april 2000. De bij de percelen aan de [locatie 2] en [locatie 3] door [appellant D] geleden planschade is volgens Langhout anderszins verzekerd. [appellant D] heeft bij koopovereenkomst van 29 januari 2002 ruim 5.38 ha grond aan de gemeente Heerhugowaard verkocht voor een prijs die ruim boven de marktprijs lag. Bovendien heeft hij op een destijds hem toebehorend stuk grond drie bouwkavels verkregen waarop de bouw van drie vrijstaande woningen planologisch mogelijk werd gemaakt. Dit heeft de waarde van deze grond met € 438.000,00 vermeerderd. De hogere opbrengst van de verkochte gronden en de waarde van de planologische mogelijkheid om drie vrijstaande woningen te bouwen overstijgen de begrote planschade, aldus Langhout.

    Het vrijstellingsbesluit heeft volgens Langhout, gelet op de geringe toegestane overschrijding van de in het nieuwe bestemmingsplan neergelegde maten van de windturbines, geen planologisch nadeel tot gevolg.

Tussenuitspraak

3.    De Afdeling heeft in de tussenuitspraak allereerst geoordeeld dat de planologische ontwikkeling ten tijde van de aankoop van het perceel aan [locatie 1] voor [appellant A] niet voorzienbaar was, noch op basis van het Structuurplan noch op basis van het raadsbesluit. Voorts is in de tussenuitspraak geoordeeld dat de door [appellant D] op basis van de overeenkomst ontvangen vergoeding voor de verkoop van zijn gronden aan de gemeente niet geacht kan worden tevens compensatie te behelzen voor de later geleden planschade als gevolg van de realisatie van de drie windturbines, zodat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant D] geleden planschade anderszins verzekerd is. Over de door Langhout getaxeerde omvang van de geleden planschade, te weten € 20.000,00 per perceel, heeft de Afdeling geoordeeld dat Langhout niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij is gekomen tot die bedragen en welke invloed respectievelijk de zicht-, schaduw- en geluidhinder op de door hem getaxeerde schadebedragen hebben. Ten slotte is geoordeeld dat er een aanzienlijk verschil bestaat tussen de waardedaling in het kader van de planschade en de waardedaling in het kader van de WOZ-waarde, zodat het op de weg van het college had gelegen om het besluit van 26 november 2014 op dit punt van een nadere motivering te voorzien. De Afdeling heeft het college opgedragen om de geconstateerde gebreken te herstellen door een nieuw besluit op het door [appellant A] en [appellant D] tegen het besluit van 17 april 2014 gemaakte bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen.

Nieuw besluit op bezwaar

4.    Het college heeft over het nieuw te nemen besluit op bezwaar wederom advies gevraagd aan Langhout.

    Langhout heeft in een advies van 30 januari 2017 allereerst uiteengezet dat op de gronden die zijn gelegen tussen de drie percelen en de drie windturbines, voor zover relevant, de bestemmingen ‘recreatieve doeleinden intensief’ en ‘tuincentrum’ rusten. Op de gronden waarop de bestemming ‘tuincentrum’ rust kunnen binnen het bouwvlak gebouwen worden gerealiseerd met een bouwhoogte van 7 meter. Het bebouwingsvlak mag maximaal 14.500 m2 bedragen en de gronden met deze bestemming beslaan een oppervlak van circa 13 ha. Op de gronden waarop de bestemming ‘recreatieve doeleinden intensief’ rust kunnen een muziektent, een uitkijktoren, speelvoorzieningen en gebouwtjes ten dienste van recreatieve voorzieningen worden gerealiseerd. Volgens Langhout wijkt deze planologisch maximaal mogelijke invulling relevant af van de feitelijke situatie, zodat dit het verschil in taxatie in het kader van de WOZ-waarde enerzijds en in het kader van de planschade anderzijds verklaart.

    Voorts heeft Langhout in het advies uiteengezet in welke mate er volgens hem sprake is van zicht-, schaduw en geluidhinder als gevolg van de planologische ontwikkeling. Wat betreft de zichthinder heeft Langhout aan de hand van zichtlijnen vanuit zowel de begane grond als de eerste etage van de drie woningen op ooghoogte aangegeven, uitgaande van een maximale invulling van de tussengelegen gronden, in welke mate de turbines zichtbaar zijn. Langhout komt aan de hand van die zichtlijnen tot de conclusie dat de meest noordelijke windturbine voor de woningen aan de [locatie 2] en aan [locatie 3] niet en voor de woning aan [locatie 1] vanaf de eerste verdieping voor een klein deel zichtbaar is, de middelste turbine vanuit de woning aan [locatie 3] niet en vanuit de woningen aan de [locatie 2] en [locatie 1] deels zichtbaar is en de turbine die mogelijk is gemaakt in het plangebied van het bestemmingsplan "Overtoom" vanuit de woningen aan de [locatie 2] en [locatie 1] deels zichtbaar en vanuit de woning aan [locatie 3] grotendeels zichtbaar is. Volgens Langhout is het uitzicht door de planologische mogelijkheid om de drie windturbines op te richten aldus verslechterd. Wat betreft de slagschaduw heeft Langhout uiteengezet dat de te verwachten hinderduur bij de woningen van [appellant A] en [appellant D] 5:51 uur per jaar bedraagt en dat alleen slagschaduw wordt ondervonden van de turbine die mogelijk is gemaakt in het plangebied van het bestemmingsplan "Overtoom". Gelet op de aard en de duur van de slagschaduw zal een redelijk denkend en handelend koper de koopbereidheid en biedprijs niet naar beneden bijstellen, zodat als gevolg van deze schadefactor geen planologisch nadeel is opgetreden. Met betrekking tot de mate waarin geluidsoverlast is opgetreden heeft Langhout uiteengezet dat uit de uitgevoerde akoestische onderzoeken blijkt dat op de woningen van [appellant A] en [appellant D] thans wordt voldaan aan de geldende geluidsnormen. Van een toename van de geluidsoverlast als gevolg van de windturbines is nauwelijks sprake. Daarbij komt dat bij een maximale planologische invulling van de tussengelegen gronden er meer omgevingsgeluid zal zijn dan nu feitelijk het geval is, nu op die gronden planologisch gezien bijvoorbeeld een muziektent of dagcamping kunnen worden gerealiseerd. Volgens Langhout geldt evenwel dat het geluid van de turbines het gemiddelde referentieniveau van het omgevingsgeluid onder bepaalde ongunstige meteorologische omstandigheden en bij het wegvallen van het geluid van de N242 en het tuincentrum in de nachtelijke uren zal overschrijden en zo nu en dan hoorbaar zal zijn, zodat sprake is van planologisch nadeel.

    Volgens Langhout is, gelet op de geluidsoverlast en de vermindering van het uitzicht, het perceel aan de [locatie 2] door de planologische wijziging in waarde gedaald van € 745.000,00 naar € 715.000,00 en de percelen aan [locatie 3] en [locatie 1] ieder van € 625.000,00 naar € 593.000,00, zodat de geleden planschade € 30.000,00 respectievelijk € 32.000,00 en € 32.000,00 bedraagt. Langhout acht evenwel een verhoogd normaal maatschappelijk risico van 3% gerechtvaardigd. Dit betekent dat de vergoeding voor de geleden planschade aan het perceel aan de [locatie 2] € 7.650,00, en aan de percelen aan [locatie 3] en [locatie 1] ieder € 13.250,00 bedraagt, aldus Langhout.

    Het college heeft dit advies van Langhout aan het nieuwe besluit op bezwaar van 10 februari 2017 ten grondslag gelegd.

5.    Het besluit van 10 februari 2017 is ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) mede onderwerp van dit geding.

Gronden tegen het nieuwe besluit op bezwaar

6.    [appellant A] en [appellant D] kunnen zich met dit besluit niet verenigen. Volgens hen had het college het advies van Langhout niet aan zijn besluitvorming ten grondslag mogen leggen. Hun gronden richten zich tegen de vaststelling en motivering van de omvang van de schade, de toepassing van het normaal maatschappelijk risico en de motivering van het verschil in taxatiewaarde van de percelen in het kader van de planschade en de WOZ.

Omvang van de schade

7.    Volgens [appellant A] en [appellant D] heeft Langhout ten onrechte niet inzichtelijk gemaakt in hoeverre de windturbines vanaf de onderscheiden percelen zichtbaar zijn. Gezien de omvang van de percelen en het zicht daarvandaan op de windturbines is dit van cruciaal belang. Bovendien heeft Langhout niet inzichtelijk gemaakt in hoeverre de windturbines vanuit de woningen daadwerkelijk zichtbaar zijn. De enkele stelling van Langhout dat de ene windturbine wel en de andere niet ‘deels zichtbaar’ en ‘deels aan het zicht is onttrokken’ is, zegt niets over de omvang van het zicht op de windturbines. Gelet op de vage geschetste zichtlijnen is dit ook op basis van de door Langhout gemaakte tekeningen niet duidelijk geworden, aldus [appellant A] en [appellant D]. Ook overigens komen die tekeningen niet overeen met de werkelijkheid, ook niet indien wordt uitgegaan van de planologisch maximale invulling op de tussengelegen gronden. Zo is Langhout er ten onrechte vanuit gegaan dat op de gronden die zijn gelegen tussen de percelen en de windturbines gebouwen met een hoogte van 7 meter konden worden opgericht, maar die gebouwen mochten enkel binnen de op de plankaart aangegeven bouwvlakken worden opgericht en die bouwvlakken liggen niet tussen de percelen en de windturbines in. Hetzelfde geldt voor de horecabestemming, aldus [appellant A] en [appellant D]. Uit de door henzelf gemaakte tekeningen van de zichtlijnen, waarbij is uitgegaan van de planologisch maximaal toegestane invulling op de tussengelegen gronden, blijkt dat vooral de middelste turbine en de turbine die mogelijk is gemaakt in het plangebied van het bestemmingsplan "Overtoom" vanaf de drie percelen duidelijk zichtbaar is, namelijk voor 86 respectievelijk 76,9 meter vanaf het perceel aan de [locatie 2], voor 69 respectievelijk 78,6 meter vanaf het perceel aan [locatie 3] en voor 60,5 respectievelijk 61,8 meter vanaf het perceel aan [locatie 1]. Daarbij geldt dat het daadwerkelijke zicht nog groter zal zijn, gelet op de verhoging van de turbines die door het vrijstellingsbesluit mogelijk is gemaakt en het feit dat twee windturbines op een dijk van 6 meter hoog staan. Dat Langhout het zicht op de windturbines volledig verkeerd heeft ingeschat blijkt ten slotte nog uit de met behulp van speciale software gemaakte foto vanaf één van de percelen, aldus [appellant A] en [appellant D].

7.1.     Langhout heeft in zijn advies bij de vraag of en zo ja, in hoeverre de verschillende windturbines vanuit ieder van de woningen zichtbaar zijn terecht aandacht besteed aan de maximale invulling van de tussengelegen gebieden. Op de bij het advies gevoegde zichtlijnenkaarten is de maximale invulling van het tussengelegen gebied telkens ook - op schaal - ingetekend. Gelet evenwel op de ligging van de woningen van [appellant A] en [appellant D] en de grenzen van de verschillende tussengelegen gebieden, zoals weergegeven op de plankaart bij het bestemmingsplan "Recreatiegebied Heerhugowaard-Zuid", waarbij dezelfde schaal is gehanteerd, is niet duidelijk hoe Langhout tot de door hem ingetekende afstanden is gekomen. Voorts blijkt uit het advies noch de daarbij gevoegde zichtlijnenkaarten dat rekening is gehouden met bijvoorbeeld de op de plankaart van voormeld bestemmingsplan weergegeven ligging van het bouwvlak binnen de bestemming ‘tuincentrum’. Ten slotte heeft Langhout niet inzichtelijk gemaakt in hoeverre ieder van de windturbines vanuit ieder van de tuinen van [appellant A] en [appellant D] zichtbaar zijn, mede gelet op de maximale invulling van de tussengelegen gebieden. Het voorgaande betekent dat het college het advies van Langhout van 30 januari 2017  in zoverre niet aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen.

    Het betoog slaagt.

8.    [appellant A] en [appellant D] betogen voorts dat Langhout op het punt van de slagschaduw inconsistent is, nu hij in het advies van 30 januari 2017 uiteen heeft gezet dat geen planschade is ontstaan als gevolg van slagschaduw, terwijl hij in zijn eerdere advies van 7 maart 2014 uiteen had gezet dat alledrie de woningen slagschaduw ondervinden van één windturbine. Bovendien gaat Langhout er aan voorbij dat uit een slagschaduwrapport van Van Grinsven Advies van mei 2011 blijkt dat de slagschaduwhinder zal optreden in maart, april, september en oktober, zodat in een kort tijdsbestek behoorlijk veel schaduwhinder zal worden ondervonden, aldus [appellant A] en [appellant D].

8.1.    In zijn advies van 30 januari 2017 heeft Langhout uiteengezet dat de te verwachten hinderduur bij de woningen van [appellant A] en [appellant D] circa 5:51 uur op jaarbasis bedraagt en dat alleen slagschaduw wordt ondervonden door de windturbine op het bedrijvenpark Overtoom. Anders dan [appellant A] en [appellant D] betogen komt deze uiteenzetting van Langhout overeen met zijn uiteenzetting in de eerdere adviezen van 7 maart 2014. Langhout komt in zijn advies van 30 januari 2017 tot de conclusie dat de aard en duur van de hinder niet tot zodanig planologisch nadeel zal leiden dat een redelijk denkend en handelend koper als gevolg hiervan zijn koopbereidheid en biedprijs naar beneden zal stellen. Gelet op het feit dat de slagschaduw 5:51 uur per jaar zal optreden, hetgeen [appellant A] en [appellant D] niet hebben weersproken, maakt de omstandigheid dat deze hinder niet is verspreid over twaalf maanden, maar, naar [appellant A] en [appellant D] stellen, over vier maanden, hetgeen neerkomt op een hinder van maximaal 90 minuten per maand, niet dat die conclusie van Langhout onbegrijpelijk is en het college het advies van Langhout op dit punt niet heeft mogen volgen.

    Het betoog faalt.

9.    Voorts betogen [appellant A] en [appellant D] dat Langhout op het punt van de geluidhinder ten onrechte niet is ingegaan op de geluidscumulatie en de geluidsweerkaatsing door de tussengelegen bebouwing bij de maximale invulling van het planologisch regime. Bovendien constateert Langhout weliswaar dat door geluidsoverlast een beperkt planologisch nadeel wordt ondervonden, maar heeft hij dit niet onderbouwd door bijvoorbeeld inzichtelijk te maken met hoeveel decibel de geluidsoverlast is toegenomen. Voorts verhoudt de niet onderbouwde stelling van Langhout dat er geen verslechtering van het omgevingsgeluid zal plaatsvinden zich niet met het beleid van de provincie Noord-Holland, dat er sinds 2014 op is gericht om windturbines op een grotere afstand van woonhuizen dan voorheen te realiseren, wegens de door die windturbines veroorzaakte overlast, aldus [appellant A] en [appellant D].

9.1.    Langhout heeft in zijn advies van 30 januari 2017 verwezen naar uitgevoerde akoestische onderzoeken, waaruit blijkt dat op de woningen van [appellant A] en [appellant D] thans wordt voldaan aan de geluidsnormen en dat van een toename van de geluidsoverlast als gevolg van de windturbines nauwelijks sprake is. Dit betreft evenwel de feitelijke situatie. Langhout heeft in zijn advies niet - bijvoorbeeld aan de hand van berekeningen - inzichtelijk gemaakt wat de maximale geluidsbelasting, uitgaande van een maximale planologische invulling van de tussengelegen gebieden, onder het oude planologische regime zou zijn geweest noch wat de maximale geluidsbelasting bij maximale planologische invulling van de tussengelegen gebieden onder het nieuwe planologische regime zou zijn. In het verlengde hiervan heeft hij evenmin inzichtelijk gemaakt of het geluid van de windturbines, wederom bij een maximale invulling van de tussengelegen gebieden, cumuleert met het overige omgevingsgeluid of dat het geluid van de windturbines daardoor juist geheel of gedeeltelijk wordt overstemd. Dit betekent dat Langhout zijn stelling dat er bij een maximale planologische invulling van de tussengelegen gronden meer omgevingsgeluid zijn dan nu feitelijk het geval is, nu op die gronden planologisch gezien bijvoorbeeld een muziektent of dagcamping kan worden gerealiseerd, niet heeft onderbouwd en de omvang van het planologisch nadeel als gevolg van geluidsoverlast onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Het college had het advies van Langhout ook in zoverre niet aan het besluit van 10 februari 2017 ten grondslag mogen leggen.

    Het betoog slaagt in zoverre.

9.2.    Het beroep van [appellant A] en [appellant D] op het beleid van de provincie Noord-Holland kan niet worden gevolgd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582) heeft de datum waarop het gestelde schadeveroorzakend besluit in werking is getreden, te gelden als peildatum voor het antwoord op de vraag of ten gevolge van een onherroepelijk geworden besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de Wro, schade is geleden. Nu de gestelde wijziging van het beleid heeft plaatsgevonden in 2014, en derhalve jaren nadat het nieuwe bestemmingsplan (in 2007) en het vrijstellingsbesluit (in 2008) in werking zijn getreden, heeft Langhout dit beleid terecht niet bij de bepaling van de omvang van de planschade betrokken.

    Het betoog faalt in zoverre.

Omvang normaal maatschappelijk risico

10.    [appellant A] en [appellant D] voeren voorts aan dat ten onrechte een verhoogd normaal maatschappelijk risico is toegepast. Volgens hen heeft Langhout ten onrechte gesteld dat de oprichting van windturbines een normale maatschappelijke ontwikkeling betreft waardoor per definitie een verhoogd normaal maatschappelijk risico zou moeten worden gehanteerd en heeft hij ten onrechte uiteen gezet dat aan het begrip ‘normale maatschappelijke ontwikkeling’ zelfstandige betekenis toekomt. Uit de uitspraken van de Afdeling waar Langhout in dit kader naar verwijst, die overigens betrekking hebben op inbreidingsplannen en dus niet vergelijkbaar zijn met het onderhavige geval, volgt dit niet. Bovendien kan de stelling van Langhout dat de oprichting van windturbines voorzienbaar was als normale maatschappelijke ontwikkeling niet worden gevolgd, nu uit de tussenuitspraak reeds volgt dat de oprichting van de windturbines niet voorzienbaar was. Langhout heeft ten onrechte niet gemotiveerd waarom een windturbine op de huidige locaties voorzienbaar zou zijn, mede gelet op de bestemmingen die op die locaties rustten. Gelet daarop paste de oprichting van de windturbines dan ook in het geheel niet in de ruimtelijke structuur van de omgeving. Dit geldt temeer nu de peildatum bijna tien jaar geleden is gelegen, toen windturbines van de omvang van de onderhavige windturbines niet gebruikelijk waren. Daar komt bij dat de windturbines op zeer korte afstand van de percelen staan, terwijl het beleid van de provincie Noord-Holland inmiddels zodanig is gewijzigd dat dit nu niet meer mogelijk zou zijn, aldus [appellant A] en [appellant D].

10.1.    Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid vermelde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

    Ingevolge artikel 6.2, eerste lid, blijft binnen het normaal maatschappelijk risico vallende schade voor rekening van de aanvrager.

    Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, blijft in ieder geval voor rekening van de aanvrager bij schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak: een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade.

10.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582), komt aan artikel 6.2, eerste lid, van de  Wro zelfstandige betekenis toe. Alleen die schade wordt vergoed, welke uitkomt boven de financiële nadelen die behoren tot het maatschappelijk risico dat elke burger behoort te dragen. De vraag of schade als gevolg van een planologische ontwikkeling als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van het Wro tot het normale maatschappelijke risico behoort, moet worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang is onder meer of de planologische ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waarmee de benadeelde rekening had kunnen houden in die zin, dat de ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop de ontwikkeling zich zou voordoen. In dit verband komt betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het gevoerde planologisch beleid past. Omstandigheden die verder van belang kunnen zijn, zijn de afstand van de locatie waar de ontwikkeling heeft plaatsgevonden tot de onroerende zaak van de aanvrager en de aard en de omvang van het door de ontwikkeling veroorzaakte nadeel.

    Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4668), is de vaststelling van de omvang van het normale maatschappelijke risico in de eerste plaats aan het bestuursorgaan, dat daarbij beoordelingsruimte toekomt. Het bestuursorgaan dient deze vaststelling naar behoren te motiveren. Indien de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, toetst de rechter deze motivering en kan hij, indien de gegeven motivering niet volstaat, de omvang van het normale maatschappelijke risico zelf vaststellen door in een concreet geval zelf te bepalen welke drempel of korting redelijk is.

10.3.    Langhout heeft in het advies van 30 januari 2017 uiteengezet dat de oprichting van windturbines in beginsel een normale maatschappelijke ontwikkeling is, maar dat dit op zichzelf niet betekent dat de planologische ontwikkeling ook in de lijn der verwachtingen lag. Vervolgens heeft hij in zijn advies uiteengezet dat de ontwikkeling past in het planologisch beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente Heerhugowaard en dat de windturbines zijn gerealiseerd in de nabijheid van het CO2-neutrale stadsdeel ‘Stad van Zon’. Voorts is één van de windturbines op een bedrijventerrein gerealiseerd, vlakbij de N242 en de Huygendijk en het kanaal. De beide andere turbines staan eveneens vlakbij de N242 en bevinden zich in een overwegend stedelijke omgeving aansluitend op brede infrastructurele voorzieningen. De afstand van de windturbines tot de percelen heeft Langhout bij de omvang van het normaal maatschappelijk risico niet betrokken, nu de afstand reeds in de planvergelijking is meegenomen en aldus reeds is betrokken bij de mate waarin planologisch nadeel optreedt. Langhout komt tot de conclusie dat een hogere drempel dan het wettelijk minimum van 2% dient te worden toegepast, maar dat de schade niet geheel tot het normaal maatschappelijk risico kan worden gerekend.

10.4.    Gelet op het voorgaande heeft Langhout bij zijn conclusie dat een verhoogd normaal maatschappelijk risico van 3% redelijk is, de hiervoor onder 10.2 geformuleerde criteria toegepast en aan de hand daarvan gemotiveerd hoe hij tot die conclusie is gekomen. Dat, naar [appellant A] en [appellant D] stellen, Langhout heeft gesteld dat reeds omdat de oprichting van windturbines als een normale maatschappelijke ontwikkeling moet worden geduid, er een verhoogd normaal maatschappelijk risico moet worden toegepast, kan dan ook niet worden gevolgd. Ook in de overige door [appellant A] en [appellant D] aangevoerde argumenten ziet de Afdeling geen aanleiding om te oordelen dat het college de conclusie van Langhout niet mocht volgen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 28 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:875) sluit de omstandigheid dat de planologische ontwikkeling ten tijde van de aankoop niet voorzienbaar was, niet uit dat de schade binnen het normaal maatschappelijk risico valt, zodat het oordeel van Langhout dat de oprichting van de windturbines in de lijn der verwachting lag, anders dan [appellant A] en [appellant D] stellen, niet in strijd is met het door de Afdeling in de tussenuitspraak gegeven oordeel over de voorzienbaarheid in het kader van risicoaanvaarding. Voorts kan een beroep op het gewijzigde beleid van de provincie Noord-Holland [appellant A] en [appellant D] niet baten. Dit beleid is van 2014, terwijl het bestemmingsplan en de vrijstelling die de oprichting van de windturbines mogelijk maakten in 2007 respectievelijk 2008 in werking zijn getreden. Dit beleid kan bij de vraag of die oprichting in de lijn der verwachting lag geen rol spelen. Dat windturbines van een hoogte als de drie onderhavige windturbines tien jaar geleden minder vaak voorkwamen, kan, wat daar verder ook van zij, evenmin tot een ander oordeel leiden, nu dat niet uitsluit dat de ontwikkeling als zodanig in de lijn der verwachting lag.

    Het betoog faalt.

Planschadetaxatie versus WOZ-taxatie

11.    [appellant A] en [appellant D] betogen ten slotte dat Langhout ter verklaring van het verschil in taxatie voor de WOZ-waarde en de taxatie in het kader van de planschade ten onrechte heeft gesteld dat de planologisch meest ongunstige invulling van de omgeving relevant afwijkt van de feitelijke situatie. Langhout is volgens hen daarbij ten onrechte uitgegaan van de planologische situatie die gold ten tijde van de peildatum, terwijl die situatie afweek van de planologie zoals deze gold ten tijde van de taxatie in het kader van de WOZ-waarde. Nu de peildatum voor de WOZ-waarde op 1 januari 2012 is gelegen, dient voor de maximale invulling van de planologie niet te worden gekeken naar het bestemmingsplan "Recreatiegebied Heerhugowaard Zuid", zoals Langhout heeft gedaan, maar naar het bestemmingsplan "Heerhugowaard Zuid" dat vanaf 2008 voor die gronden gold. Gekeken naar de maximale planologische invulling onder dit laatstgenoemde bestemmingsplan week de feitelijke situatie in 2012 minimaal af van de planologisch maximaal mogelijke situatie, aldus [appellant A] en [appellant D]. Voor zover toch dient te worden uitgegaan van het bestemmingsplan "Recreatiegebied Heerhugowaard Zuid", wijzen [appellant A] en [appellant D] er op dat zij ook bij een maximale invulling daarvan veel zichthinder ondervinden van de windturbines, en dat de mate van geluidhinder en slagschaduw bij de maximale invulling van het planologisch regime niet of nauwelijks afwijkt van de feitelijke situatie, hetgeen wat betreft de slagschaduw ook uitdrukkelijk door Langhout in zijn nadere advies is gesteld. Het college heeft, door het advies van Langhout ook op dit punt te volgen, dan ook niet voldaan aan zijn verzwaarde motiveringsplicht, aldus [appellant A] en [appellant D].

11.1.    Anders dan [appellant A] en [appellant D] betogen is Langhout bij de beantwoording van de vraag wat planologisch gezien maximaal mogelijk was terecht uitgegaan van de planologische situatie ten tijde van de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan (de peildatum), nu, zoals hiervoor onder 9.2 reeds is overwogen, het uitgangspunt is dat de omvang van de planschade op de datum van de inwerkingtreding van de nieuwe planologische maatregel wordt vastgesteld.

11.2.    Zoals de Afdeling in de tussenuitspraak heeft overwogen, wordt bij het vaststellen van de WOZ-waarde niet, zoals bij planvergelijking, gekeken naar de maximale invulling van het planologische regime. Dit neemt evenwel niet weg dat van het college kan worden verlangd dat het zijn besluit van een nadere motivering voorziet in geval een aanzienlijk verschil tussen de WOZ-waarde en de taxatiewaarde in het kader van planschade bestaat en de peildata voldoende dicht bij elkaar liggen.

11.3.    Het college is in het besluit van 10 februari 2017, in navolging van het advies van Langhout van 30 januari 2017, tot een hoger schadebedrag voor ieder van de percelen gekomen. Het verschil tussen de waardedaling in het kader van de planschade en de waardedaling in het kader van de WOZ-waarde is hierdoor verkleind en binnen een bij taxaties gebruikelijke bandbreedte komen te liggen. Van een verzwaarde motiveringsplicht die op het college rust is gelet hierop thans geen sprake meer.

11.4.    Het betoog faalt.

Conclusie en proceskosten

12.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant A] en [appellant D] tegen het besluit van 26 november 2014 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Met het besluit van 10 februari 2017 zijn niet alle in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken geheeld. Het beroep van [appellant A] en [appellant D] tegen het besluit op bezwaar van 10 februari 2017 is daarom gegrond. Dit besluit komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Gelet op hetgeen is overwogen onder 7.1 en 9.1 van deze uitspraak dient het college, met hulp van een deskundige, de omvang van de geluidsoverlast en zichthinder als gevolg van de planologische ontwikkeling inzichtelijk te maken. Daarbij dient te worden uitgegaan van de maximale invulling van planologische mogelijkheden op de tussengelegen gronden. Indien daartoe aanleiding bestaat dient het college de toegekende planschadevergoedingen in het nieuwe besluit op bezwaar te herzien. Voorts dient het college in het nieuw te nemen besluit op bezwaar een oordeel te geven over het in het bezwaar gedane verzoek om vergoeding van de kosten.

    Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door het college te nemen nieuwe besluit op bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

13.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

    In hoger beroep hebben [appellant A] en [appellant D] een deskundigenrapport van G. van der Velden, registermakelaar, overgelegd. De Afdeling acht het inschakelen van deze deskundige redelijk. Uit de overgelegde factuur blijkt dat de deskundige € 300,00, exclusief BTW, heeft gerekend voor het doen van een onderzoek naar grondtransacties in de nabijheid van de percelen van [appellant A] en [appellant D] en het opstellen van het advies, en € 75,00, exclusief BTW, voor kadasterkosten. Dit bedrag acht de Afdeling redelijk, zodat het bedrag van € 375,00, exclusief BTW voor vergoeding in aanmerking komt.

    Bij de zienswijze naar aanleiding van het nieuwe besluit op bezwaar hebben [appellant A] en [appellant D] een door een deskundige gemaakte zogenoemde bolfoto overgelegd. Deze foto geeft, bij maximale invulling van de planologische mogelijkheden op de tussengelegen gronden, de mate van zicht vanaf het perceel gelegen aan [locatie 3] weer op één van de windturbines en is overgelegd ter onderbouwing van het betoog, zoals weergegeven onder 7. Uit de overgelegde factuur blijkt dat het opstellen van de foto € 933,00, exclusief BTW, heeft gekost. Naar het oordeel van de Afdeling zijn het laten maken van de bolfoto en de in dat kader gemaakte kosten niet onredelijk, zodat ook dit bedrag voor vergoeding in aanmerking komt. Dit betekent dat het college in totaal (€ 438,00 + € 1.128,93 =) € 1.566,93, inclusief BTW, aan [appellant A] en [appellant D] dient te vergoeden.

    Ook de door [appellant A] en [appellant D] gemaakte kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand komen, overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor vergoeding in aanmerking. Voor het indienen van het beroepschrift, het verschijnen ter zitting bij de rechtbank, het indienen van het hoger beroepschrift en het verschijnen ter zitting bij de Afdeling wordt ieder 1 punt toegekend met een waarde van € 495,00 per punt. Voor het indienen van de zienswijze na een bestuurlijke lus wordt een halve punt toegekend.

    Het voorgaande betekent dat het college zal worden veroordeeld tot vergoeding van in totaal (€ 1.566,93 + € 2.227,50 =) € 3.794,43 aan door [appellant A] en [appellant D] in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 20 november 2015 in zaak nr. 15/175;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard van 26 november 2014, met kenmerk E201430594;

V.    verklaart het beroep van [appellant A], [appellant B], [appellant C] en [appellant D] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard van 10 februari 2017, met kenmerk E201704439, gegrond;

VI.    vernietigt dit besluit;

VII.    bepaalt dat tegen het door het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard te nemen besluit slechts beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling;

VIII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard tot vergoeding van bij [appellant A], [appellant B], [appellant C] en [appellant D] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.794,43 (zegge: drieduizend zevenhonderdvierennegentig euro en drieënveertig cent), waarvan € 2.227,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

IX.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard aan [appellant A], [appellant B], [appellant C] en M.[appellant D] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 415,00 (zegge: vierhonderdvijftien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Ouwehand

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2017

752.