Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1632

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-06-2017
Datum publicatie
21-06-2017
Zaaknummer
201606416/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2016:2640, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 november 2015 heeft het college besloten het verzoek van [appellant] om toekenning van het huisnummer […] aan zijn perceel en dit perceel met dit adres op te nemen in de gemeentelijke basisadministratie af te wijzen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet basisregistraties adressen en gebouwen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2017/221
Gst. 2017/139 met annotatie van L.J.M. Timmermans
AB 2017/372 met annotatie van R. Ortlep
JOM 2017/657
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201606416/1/A3.

Datum uitspraak: 21 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [plaats], gemeente Almelo,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 14 juli 2016 in zaak nr. 16/1039 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Almelo.

Procesverloop

Bij besluit van 3 november 2015 heeft het college besloten het verzoek van [appellant] om toekenning van het huisnummer […] aan zijn perceel en dit perceel met dit adres op te nemen in de gemeentelijke basisadministratie af te wijzen.

Bij besluit van 23 februari 2016 heeft het college beslist op het door

[appellant] daartegen gemaakte bezwaar.

Bij uitspraak van 14 juli 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 mei 2017, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door

M.H.M. Oude Luttighuis, H.J.A. Weeink en mr. A.J.G. Leijdekkers, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    [appellant] woont in een stacaravan op een perceel aan de [locatie 1]. Het college heeft zijn verzoek met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) afgewezen. Het college heeft daarbij verwezen naar zijn onherroepelijk geworden besluit van 20 januari 2015, waarbij het college het bezwaar van [appellant] tegen de afwijzing van een eerder verzoek van [appellant] met dezelfde strekking ongegrond heeft verklaard.

2.    [appellant] betoogt dat het college gelet op de Wet basisregistraties adressen en gebouwen (hierna: de Wet bag) gehouden was om zijn verzoek in te willigen en betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 4:6 van de Awb in dergelijke gevallen geen ruimte biedt om een aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar een eerder besluit. De weigering om het perceel te registreren, is volgens [appellant] onzorgvuldig en in strijd met artikel 10, tweede en derde lid, van de Grondwet en artikel 7 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

    Verder voert [appellant] aan dat inmiddels een nieuw feit is gebleken waaruit blijkt dat de afwijzing van het verzoek tot gevolg heeft dat de vindbaarheid, benaderbaarheid en bereikbaarheid van [appellant] in het geding is. Hij wijst er daarbij op dat correspondentie van de Afdeling over deze procedure is bezorgd bij zijn buurvrouw.

3.    Artikel 4:6 van de Awb luidt:

"1 Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

2 Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking."

4.    In de uitspraak van 23 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3131), heeft de Afdeling aanleiding gezien haar rechtspraak over verzoeken om terug te komen van besluiten aan te passen. De nieuwe lijn wordt met onmiddellijke ingang gehanteerd.

    Uitgangspunt is dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een verzoek om terug te komen van een besluit inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan zo'n aanvraag inwilligen of afwijzen. Een bestuursorgaan mag dit ook als de rechtzoekende aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Het bestuursorgaan kan er ingevolge artikel 4:6, tweede lid, van de Awb ook nog steeds voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, het verzoek om terug te komen van een besluit af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.     Als het bestuursorgaan - overeenkomstige - toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

    Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat afwijzing van het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.

4.1.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat uit de geschiedenis van totstandkoming van artikel 4:6 van de Awb noch uit de jurisprudentie van de Afdeling voortvloeit dat bij toepassing van die bepaling onderscheid wordt gemaakt tussen aanvragen van beschikkingen waarbij het bestuursorgaan geen beleidsruimte heeft en beschikkingen waarbij dat wel het geval is. Dat volgens [appellant] de Wet bag geen ruimte laat om zijn verzoek af te wijzen, geeft daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat het college in dit geval ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.

    Voor zover [appellant] er op heeft gewezen dat een brief van de Afdeling bij zijn buurvrouw is bezorgd die pas later in zijn bezit is gekomen, overweegt de Afdeling dat het een brief betreft die is verzonden naar [locatie 2] en die ook op dat adres is bezorgd. Dit is niet aan te merken als een nieuw gebleken feit of omstandigheid in de zin van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, alleen al omdat de brief niet is gericht aan het door [appellant] gewenste adres [locatie 1]. Dat het niet toekennen van een nummer aan de stacaravan van [appellant] de bezorging van aan hem gerichte poststukken bemoeilijkt, is overigens inherent aan de weigering om zo’n nummer toe te kennen.

4.2.    Uit de onherroepelijk geworden beslissing op bezwaar van 20 januari 2015 blijkt dat het college het verzoek van [appellant] om aan de stacaravan een huisnummer toe te kennen destijds heeft afgewezen omdat de stacaravan niet als een pand of verblijfsobject in de zin van artikel 1, aanhef en onder o, onderscheidenlijk artikel 1, aanhef en onder q, van de Wet basisregistraties adressen en gebouwen (hierna: Wet bag) kan worden aangemerkt. Het college heeft bij de uitoefening van zijn bevoegdheid tot toekenning van een nummeraanduiding het Objectenhandboek voor de basisregistraties adressen en gebouwen 2009 (hierna: het objectenhandboek) als uitgangspunt genomen. Het objectenhandboek is een handreiking van het voormalige Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer voor de afbakening in de praktijk van het begrip "verblijfsobject". In het objectenhandboek is een stacaravan genoemd als voorbeeld van gebouwen die geen pand en geen verblijfsobject zijn en niet worden opgenomen in de basisregistratie gebouwen.

    Artikel 1, aanhef en onder o en q, van de Wet bag luidt:

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

o. pand: kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is;

q. verblijfsobject: kleinste binnen één of meer panden gelegen en voor

woon-, bedrijfsmatige, of recreatieve doeleinden geschikte eenheid van gebruik die ontsloten wordt via een eigen afsluitbare toegang vanaf de openbare weg, een erf of een gedeelde verkeersruimte, onderwerp kan zijn van goederenrechtelijke rechtshandelingen en in functioneel opzicht zelfstandig is.

    Gelet op het voorgaande heeft het college in zijn besluit van 20 januari 2015 aan de hand van de wettelijke definities en het objectenhandboek beoordeeld of de stacaravan van [appellant] kan worden aangemerkt als pand en als verblijfsobject in de zin van de Wet bag en de conclusie getrokken dat dit niet mogelijk is. [appellant] heeft aannemelijk gemaakt dat hij hinder ondervindt van de weigering om aan zijn stacaravan een nummer toe te kennen, onder meer doordat die weigering de vindbaarheid van zijn stacaravan bemoeilijkt en ook de aanleg van een glasvezelverbinding kostbaarder is. Hij heeft echter niet onderbouwd waarom de conclusie dat zijn stacaravan niet kan worden aangemerkt als pand en als verblijfsobject in de zin van de Wet bag onterecht is. De Wet bag kent in artikel 6, tweede lid, weliswaar de mogelijkheid een standplaats aan te wijzen met het oog op de opname van onder meer stacaravans in de basisregistratie gebouwen, maar deze mogelijkheid ligt in de onderhavige procedure niet voor. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geeft reeds daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat de weigering van het college om terug te komen van zijn besluit van 20 januari 2015 evident onredelijk is.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Steenbergen, griffier.

w.g. Sevenster

lid van de enkelvoudige kamer    De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2017

528.