Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1625

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-06-2017
Datum publicatie
21-06-2017
Zaaknummer
201602929/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij tussenuitspraak van 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2874, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na de verzending van de tussenuitspraak het daarin geconstateerde gebrek in het besluit van 26 januari 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bataviahaven 2015" te herstellen, de Afdeling de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2018/296
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602929/2/R1.

Datum uitspraak: 21 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Zeilvaart Enkhuizen B.V. (hierna: Naupar), gevestigd te Lelystad,

appellante,

en

de raad van de gemeente Lelystad,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2874, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na de verzending van de tussenuitspraak het daarin geconstateerde gebrek in het besluit van 26 januari 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bataviahaven 2015" te herstellen, de Afdeling de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief van 10 april 2017 heeft de raad het besluit van 26 januari 2016 nader gemotiveerd.

Naupar is in de gelegenheid gesteld een zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld naar voren te brengen. Hiervan heeft zij geen gebruik gemaakt.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.    De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 5.4 een gebrek geconstateerd in het bestreden besluit van 26 januari 2016. De Afdeling heeft overwogen dat onvoldoende was gemotiveerd:

a. dat voldoende behoefte bestaat aan de voorziene havengebonden functies voor het pand van Naupar aan de Bataviahaven 1 te Lelystad;

b. waarom de door Naupar gewenste functie 'detailhandel verbonden aan haven- en watersportactiviteiten' niet havengebonden zou zijn;

c. of de raad met het voorziene gebruik van het pand van Naupar als 'havenkantoor' alleen specifieke nautische kantoren wil toestaan en in hoeverre daar vraag naar bestaat;

d. of het plan ten aanzien van de voor het perceel van Naupar voorziene gebruiksfuncties uitvoerbaar is.

2.    Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen is het beroep van Naupar tegen het besluit van 26 januari 2016 gegrond en dient het plandeel met de bestemming "Recreatie - Nautische voorzieningen" voor het pand van Naupar aan de Bataviahaven 1 te Lelystad vanwege strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te worden vernietigd.

3.    De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 8 overwogen dat de raad met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen in overleg met Naupar een of meerdere gebruiksfuncties aan de planregeling voor het pand aan de Bataviahaven 1 dient toe te voegen, dan wel alsnog toereikend dient te motiveren dat de planregeling in de huidige vorm in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Wijze van herstel

4.    Bij brief van 10 april 2017 heeft de raad toegelicht dat hij de door Naupar gewenste functie 'detailhandel verbonden aan haven- en watersportactiviteiten' wenst te concentreren langs de boulevard op het vasteland om daar een aantrekkelijke verblijfssfeer te creëren. Aan de boulevard is leegstand, zodat het ongewenst is om deze functie ook toe te kennen aan het pand van Naupar. Dat zou de ontwikkeling op de locatie waar deze in eerste instantie gewenst is verminderen.

    Voorts acht de raad een woonfunctie voor het pand van Naupar ongewenst vanwege de ligging op de havendam. De raad wenst de daar aanwezige milieuruimte voor bedrijvigheid, waaronder het aanmeren van cruiseschepen, de overslag van gevaarlijke stoffen en evenementen, te behouden. Een woonfunctie zou de milieuruimte beperken.

    Verder heeft de raad aangesloten bij de functies die onder het voorheen geldende bestemmingsplan waren toegestaan. Daarmee zijn een havenkantoor, niet zijnde reguliere kantoren, voorzieningen en diensten ten behoeve van haven- en watersportactiviteiten en horeca toegestaan. Gelet op deze gebruiksmogelijkheden en de thans in het pand gevestigde bedrijvigheid acht de raad het pand van Naupar in voldoende mate exploitabel. Voor zover het pand thans niet geheel verhuurd kan worden, wenst de raad het pand toch voor deze functies te behouden gelet op de potentie van de ligging in de Bataviahaven, bijvoorbeeld als horecagelegenheid met uitzicht op het Markermeer.

5.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de voorziene planregeling voor het plandeel met de bestemming "Recreatie - Nautische voorzieningen" voor het pand van Naupar aan de Bataviahaven 1 te Lelystad heeft kunnen vaststellen. Het betoog faalt.

Conclusie

6.    Gezien het vorenstaande ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 26 januari 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bataviahaven 2015", voor zover vernietigd, in stand blijven.

7.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Lelystad van 26 januari 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bataviahaven 2015", voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Recreatie - Nautische voorzieningen" voor het pand van Zeilvaart Enkhuizen B.V. aan de Bataviahaven 1 te Lelystad;

III.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit, voor zover vernietigd, in stand blijven;

IV.    gelast dat de raad van de gemeente Lelystad aan Zeilvaart Enkhuizen B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.S.S. Hupkes, griffier.

w.g. Kranenburg    w.g. Hupkes

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2017

635.