Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1622

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-06-2017
Datum publicatie
21-06-2017
Zaaknummer
201605841/1/R2
Formele relaties
Herziening: ECLI:NL:RVS:2018:2664, Afwijzing
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Aansluitingsweg Bergstraat - De Hoogt" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3256
JOM 2018/338
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201605841/1/R2.

Datum uitspraak: 21 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellante sub 1], gevestigd te Loon op Zand, waarvan de vennoten zijn [vennoot A], [vennoot B] en [vennoot C], allen wonend te Loon op Zand,

2.    [appellant sub 2], handelend onder de naam [bedrijf], wonend te Loon op Zand,

3.    [appellant sub 3], wonend te Loon op Zand,

4.    [appellant sub 4], wonend te Loon op Zand,

en

de raad van de gemeente Loon op Zand,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Aansluitingsweg Bergstraat - De Hoogt" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1], [bedrijf], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 1], [bedrijf] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 april 2017, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door [vennoot A], [bedrijf], vertegenwoordigd door [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], bijgestaan door mr. E.T. Stevens en J.A.J. Vermeeren, en de raad, vertegenwoordigd door drs. L.A.F. Vorster en ing. T. van Erve, bijgestaan door drs. D. Walraven, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het plan voorziet tussen De Hoogt en de Bergstraat in een verkeersbestemming ten behoeve van een verbindingsweg die deel uitmaakt van de nieuwe ontsluitingsstructuur van Loon op Zand. De ontsluitingsstructuur wordt aangepast, omdat de voormalige aansluiting van Loon op Zand op de provinciale weg N261 ter hoogte van de Hoge Steenweg ten gevolge van een reconstructie van de N261 is vervallen en is vervangen door een nieuwe aansluiting ten zuiden van de kern. De nieuwe ontsluiting van Loon op Zand vindt primair plaats via de Kasteellaan. Om te voorkomen dat (vracht)verkeer vanaf het bedrijventerrein De Hoogt door de kern van Loon op Zand moet rijden, is een secundaire ontsluitingsroute aangewezen aan de westzijde van de N261. Deze ontsluitingsroute zal ook worden gebruikt door een deel van het verkeer van en naar het noordelijk deel van Loon op Zand. De nieuwe verbindingsweg tussen de Bergstraat en De Hoogt maakt deel uit van deze westelijke ontsluitingsroute. De nieuwe verbindingsweg tussen de Bergstraat en De Hoogt is inmiddels gerealiseerd en in gebruik.

2.    [appellante sub 1] en [bedrijf] zijn gevestigd aan De Hoogt en vrezen met name voor een belemmering van hun bedrijfsvoering door de toename van het verkeer dat de nieuwe verbindingsweg meebrengt. Zij hebben de weg nodig voor hun laad- en losactiviteiten. [appellant sub 4] woont aan De Hoogt en [appellant sub 3] woont op de hoek van De Hoogt en de Hoge Steenweg. Zij vrezen met name voor verkeersonveilige situaties door de toename van het verkeer ter plaatse.

3.    Bij besluit van 16 oktober 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijvenpark De Hoogt 2014" vastgesteld, dat mede in de verbindingsweg voorzag die thans onderwerp is van het geschil. In de uitspraak van 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3133, heeft de Afdeling de beroepen van [appellante sub 1], [bedrijf], [appellant sub 4] en [appellant sub 3] tegen het besluit van 16 oktober 2014 gegrond verklaard en een opdracht gegeven om een nieuw besluit te nemen binnen 26 weken. Daartoe overwoog de Afdeling dat de verbindingsweg ook zou gaan dienen voor de ontsluiting van het noordelijk gelegen woongebied van Loon op Zand. De raad had naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende onderbouwd of de hiermee gepaard gaande verkeersintensiteiten, gelet op het plaatselijk smalle wegprofiel en de op een bedrijventerrein noodzakelijke ruimte voor de uitoefening van bedrijfsactiviteiten, uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar zijn.

4.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Formele beroepsgronden

Horen

5.    [appellante sub 1] voert aan dat een aantal zienswijzen is ingediend, maar ten onrechte niemand is gehoord. Dit is volgens haar in strijd met artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

5.1.    Hierover overweegt de Afdeling dat er geen wettelijke verplichting bestaat de indieners van zienswijzen in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Artikel 7:2 van de Awb is niet van toepassing op de bestemmingsplanprocedure.

    Het betoog faalt.    

Termijn

6.    [bedrijf] voert aan dat het plan is vastgesteld na de door de Afdeling opgedragen termijn in genoemde uitspraak van 7 oktober 2015.

6.1.    De door de Afdeling gegeven termijn in genoemde uitspraak van 7 oktober 2015 verliep op 6 april 2016. Nu het bestreden besluit is vastgesteld op 27 juni 2016 voert [bedrijf] terecht aan dat de door de Afdeling met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb gegeven termijn is overschreden. Uit deze wettelijke bepaling noch uit enige andere bepaling kan echter worden afgeleid dat de raad na het verstrijken van deze termijn niet meer bevoegd is een bestemmingsplan vast te stellen. Het door [bedrijf] op dit punt aangevoerde geeft dan ook geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.

    Het betoog faalt.

Inhoudelijke beroepsgronden

Verkeer

Te verwachten verkeersintensiteiten

7.    [appellante sub 1] stelt in de huidige situatie reeds te worden belemmerd in haar bedrijfsvoering, waarbij laden en lossen op de weg noodzakelijk is, en vreest dat het plan leidt tot een grotere belemmering door een toename van het verkeer. Volgens haar heeft de raad niet onderzocht welke verkeersintensiteit De Hoogt, gelet op het smalle wegprofiel en de noodzakelijke ruimte voor de bedrijfsactiviteiten, aankan. [appellant sub 3] stelt dat op erftoegangswegen buiten de bebouwde kom een verkeersintensiteit van 6.000 mvt/etm kan worden afgewikkeld, maar dat dit binnen de bebouwde kom, waar De Hoogt ligt, niet mogelijk is. Ook [appellant sub 3] wijst erop dat ter plaatse wordt geladen en gelost en de weg te smal is. Volgens [appellante sub 1] is het aantal verkeersdeelnemers verdubbeld en zal dit aantal alleen maar toenemen, omdat het verkeer dat van de Kasteellaan de kern van Loon op Zand in komt rijden, wordt gedwongen over De Hoogt weg te rijden. [bedrijf] stelt dat uit verrichte verkeerstellingen een hoger aantal mvt/etm komt dan is berekend aan de hand van het verkeersmodel. De verrichte metingen zijn volgens haar betrouwbaarder. Uit deze metingen komt een aantal van 6.000 mvt/etm.

    Ook [appellant sub 3] stelt dat de verkeersintensiteit op De Hoogt sinds de openstelling van de verbindingsweg aanzienlijk hoger is dan aan de hand van het verkeersmodel is berekend. Hij verwijst naar de in zijn opdracht verrichte verkeerstelling door onderzoeksbureau Dinaf Traffic Control B.V (hierna: de verkeerstelling van Dinaf), die volgens hem nauwkeuriger is dan de uitkomsten van het verkeersmodel. Aan de hand van de verkeerstelling van Dinaf moet de verkeersintensiteit op De Hoogt in de nabije toekomst volgens [appellant sub 3] worden geschat op 11.000 mvt/etm.

    [appellant sub 4] betoogt onder verwijzing naar het in zijn opdracht opgestelde rapport van 28 september 2016 "Beoordeling verkeersaspecten bestemmingsplan ‘Aansluitingsweg Bergstraat - De Hoogt’" van adviesbureau VAGN (hierna: het rapport van VAGN) dat de raad ten onrechte wederom is uitgegaan van 2010 als basisjaar. Omdat de wegenstructuur in Loon op Zand sinds 2010 ingrijpend is veranderd, kan volgens [appellant sub 4] geen gebruik worden gemaakt van het regionale verkeersmodel, waarin deze wijzigingen niet zijn verwerkt. Hij heeft ter zitting gesteld dat, gelet op deze wijzigingen, van een andere zogenoemde nulsituatie had moeten worden uitgegaan en heeft daarbij gewezen op de aanleg van de bussluis op de Bergstraat, die is gerealiseerd om het doorgaand (vracht)verkeer ter plaatse te weren.

7.1.    De raad stelt zich onder verwijzing naar het rapport "Bestemmingsplan aansluitingsweg Bergstraat - De Hoogt Verkeerskundige onderbouwing" van 11 mei 2016 van adviesbureau Goudappel Coffeng (hierna: het rapport van Goudappel Coffeng) op het standpunt dat het plan ruimtelijk, en dus ook verkeerskundig, aanvaardbaar is. Volgens de raad passen de verkeerstellingen van Dinaf binnen de bandbreedte van het verkeersmodel en de in opdracht van het gemeentebestuur in juni 2015 uitgevoerde verkeerstellingen. Het laden en lossen dient volgens de raad in beginsel op het eigen terrein plaats te vinden. De raad stelt dat op De Hoogt een verkeersintensiteit van 6.000 mvt/etm goed kan worden verwerkt en dat de te verwachten verkeersintensiteit in de toekomst hier ruim onder blijft.     

7.2.    In het rapport van Goudappel Coffeng zijn prognoses gemaakt van de verkeersstromen ter plaatse van De Hoogt in 2030 en de daarmee gepaard gaande milieugevolgen. Van dit jaar is uitgegaan omdat de verkeersstructuur voldoende robuust moet zijn. Bij de prognoses is gebruik gemaakt van de meest recente versie van het verkeersmodel van de regio Hart van Brabant (hierna: het verkeersmodel), dat in 2015 is vastgesteld. Het verkeersmodel is geactualiseerd op basis van de laatste sociaal-economische gegevens. Het basisjaar is 2010. Dit basisjaar is alleen bedoeld om een goede prognose voor 2030 te kunnen opstellen, zo staat in het rapport van Goudappel Coffeng. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en nieuwe infrastructuur zijn hierin meegenomen. Bij het opstellen van de prognoses is gerekend met de kencijfers van het CROW. Een vergelijking van het basisjaar met recent uitgevoerde tellingen is niet mogelijk, omdat de wegenstructuur ingrijpend is veranderd. Dit is van invloed op de verkeerscijfers in en rondom de kern van Loon op Zand.

    In het rapport van Goudappel Coffeng zijn voor drie situaties prognoses gemaakt. De eerste is de referentiesituatie in 2030, waarbij geen rekening is gehouden met de nieuwe verbindingsweg, bussluis en voorgenomen invulling van nog braakliggende bedrijfskavels. Voorts is een prognose gemaakt voor de situatie in 2030 inclusief nieuwe verbindingsweg en de voorgenomen invulling van de bedrijfskavels. De derde prognose is gemaakt voor de situatie inclusief verbindingsweg, bussluis en voorgenomen invulling van de nog braakliggende bedrijfskavels. De Hoge Steenweg, De Hoogt en de Bergstraat zijn alle in het gemeentelijke verkeersplan aangemerkt als erftoegangswegen type A. Het geldende snelheidsregime ter plaatse is 30 km/u en de wegen hebben in de praktijk een beperkte verkeersfunctie, namelijk voor de bereikbaarheid van het bedrijventerrein en de aanliggende woonwijk. De voorkeursintensiteit die past bij dit wegtype bedraagt maximaal 6.000 mvt/etm. In alle onderzochte situaties blijft de intensiteit op De Hoogt onder deze grenswaarde, waarmee het toekomstig gebruik op De Hoogt goed aansluit op de functie als erftoegangsweg, zo staat in het rapport van Goudappel Coffeng.

    Omdat in het gemeentelijke verkeersplan geen voorkeursintensiteiten per wegtype zijn opgenomen, is in het rapport van Goudappel Coffeng uitgegaan van voorkeursintensiteiten die zijn gebaseerd op de CROW-richtlijnen en ervaringscijfers van Goudappel Coffeng. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen wegen binnen en buiten de bebouwde kom. Als de intensiteit hoger is dan volgens de wegfunctie gewenst is, is volgens de Duurzaam Veilig-richtlijnen sprake van een potentieel verkeersveiligheidsknelpunt, zo staat in het rapport van Goudappel Coffeng. Voorts staat in het rapport van Goudappel Coffeng dat de breedte van De Hoogt, die varieert tussen de 5,9 en 6,5 m, volstaat voor de afwikkeling van het verkeer en tevens voldoende verkeersveilig is voor het laden en lossen. Geadviseerd wordt om de vormgeving van het kruispunt van de Bergstraat met de nieuwe verbindingsweg aan te passen ten behoeve van een duidelijkere voorrangsroute. Hierbij moet tenminste de markering van de suggestiestroken worden verwijderd. Verder zou in een andere verhardingskleur de voorrangsroute kunnen worden geaccentueerd. Voorts wordt geadviseerd om de vormgeving van het kruispunt van De Hoogt met de nieuwe verbindingsweg aan te passen. Daarbij moeten eventuele vrachtwagenparkeerstroken verder van het kruispunt worden gesitueerd. Uitgaande vanaf de parkeerstrook aan de oostzijde kan een rijbaan van 6,5 m breed worden gerealiseerd. Om de gelijkwaardigheid te benadrukken kan worden overwogen een zogenoemde punaise, een bestrate cirkel, te realiseren.

7.3.    Het berekenen van verkeer met een verkeersmodel is een gebruikelijke methode om in een geval als dit het aantal te verwachten verkeersbewegingen in kaart te brengen. Hetgeen [appellante sub 1], [bedrijf], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] naar voren hebben gebracht geeft naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding om te twijfelen aan de bruikbaarheid van deze methode in dit geval. Daarbij neemt zij de volgende omstandigheden in aanmerking.

    Ter zitting is door de deskundige van Goudappel Coffeng toegelicht dat in het onderzoek van Goudappel Coffeng rekening is gehouden met de omstandigheid dat de verbindingsweg ook zou gaan dienen voor de ontsluiting van het noordelijk gelegen woongebied van Loon op Zand. Voorts is toegelicht dat het jaar 2010 als basisjaar is genomen, omdat dat het jaar is waarvan alle benodigde gegevens bekend zijn. Hierbij valt te denken aan het aantal arbeidsplaatsen in de regio, de wegenstructuur, het aantal woningen en dergelijke. Voorts staat in het rapport van Goudappel Coffeng dat, anders dan [appellant sub 4] kennelijk veronderstelt, ook de veranderde wegenstructuur in Loon op Zand is meegenomen bij de berekeningen. Gelet hierop is het naar het oordeel van de Afdeling aanvaardbaar dat is uitgegaan van 2010 als basisjaar en ziet zij geen aanleiding voor het oordeel dat, zoals [appellant sub 4] stelt, had moeten worden uitgegaan van een andere zogenoemde nulsituatie. Voorts volgt de Afdeling de raad in zijn stelling dat de verkeerstellingen van Dinaf niet representatief zijn maar slechts een momentopname, aangezien ten tijde van deze tellingen de herinrichting van de infrastructuur van de kern Loon op Zand nog niet was afgerond. De Afdeling volgt de toelichting in het rapport van Goudappel Coffeng dat een vergelijking tussen de tellingen en de prognose voor het jaar 2030, gelet hierop, niet goed mogelijk is. Gelet op het voorgaande mocht bij de vaststelling van het bestemmingsplan worden uitgegaan van de in het rapport van Goudappel Coffeng opgenomen verkeersintensiteiten op De Hoogt als gevolg van de verbindingsweg.

7.4.    In tabel 3.2 van het rapport van Goudappel Coffeng staat dat een erftoegangsweg type A, zijnde een erftoegangsweg met een beperkte verkeersfunctie, binnen de bebouwde kom een voorkeursintensiteit van maximaal 6.000 mvt/etm heeft. Anders dan [appellant sub 3] stelt, hoefde de raad er naar het oordeel van de Afdeling niet van uit te gaan dat De Hoogt alleen vanwege de ligging binnen de bebouwde kom een intensiteit van 6.000 mvt/etm niet kan afwikkelen. Voor zover [appellante sub 1] en [appellant sub 3] erop wijzen dat op De Hoogt wordt geladen en gelost, overweegt de Afdeling als volgt. In het rapport Goudappel Coffeng staat dat de breedte van De Hoogt, die varieert tussen de 5,9 en 6,5 m, voldoende is voor de afwikkeling van het verkeer en passend is bij de verkeersintensiteit van de wegen. De breedte is ook voldoende voor laden en lossen. Voorts stelt de raad dat laden en lossen in beginsel op het eigen terrein dient plaats te vinden. Niet is aannemelijk gemaakt dat ondanks het voorgaande in het rapport van Goudappel Coffeng onvoldoende rekening is gehouden met het smalle wegprofiel van De Hoogt en de bedrijfsactiviteiten die daar plaatsvinden.

    Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een verkeersintensiteit van 6.000 mvt/etm op De Hoogt kan worden afgewikkeld. Voorts zijn in het rapport van Goudappel Coffeng de verkeersintensiteiten op De Hoogt bij de invulling van de nog braakliggende bedrijvenkavels en de realisatie van de verbindingsweg en de bussluis berekend op ongeveer 2.800 mvt/etm aan de oostzijde en 4.000 mvt/etm aan de zijde van de nieuwe verbindingsweg. Hiermee wordt gebleven ruim onder de voorkeursintensiteit van 6.000 mvt/etm. De raad heeft zich gelet hierop in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verkeersintensiteit op De Hoogt die ontstaat na de realisatie van de in het plan voorziene verbindingsweg, rekening houdend met ruimtelijke ontwikkelingen en nieuwe infrastructuur, kan worden afgewikkeld.

7.5.    Gelet op het voorgaande falen de betogen.

Typering van de weg

8.    [appellante sub 1], [bedrijf], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] betogen dat de raad er wederom aan voorbij gaat dat De Hoogt een functie krijgt als ontsluitingsweg voor het noordelijk gelegen woongebied van Loon op Zand. Voor deze functie is De Hoogt volgens hen niet geschikt. [appellante sub 1] stelt dat De Hoogt ten onrechte wordt aangemerkt als erftoegangsweg type A, nu dit type in de Aanbevelingen stedelijke verkeersvoorzieningen 2012 van het CROW (hierna: CROW-richtlijnen) niet staat genoemd. Zij stelt voorts dat uit de in opdracht van de raad verrichte verkeerstellingen aan De Hoogt blijkt dat deze weg een ontsluitingsfunctie heeft. [appellant sub 3] wijst erop dat het verkeer op de Hoge Steenweg door de wegbewijzering ter plaatse via De Hoogt naar de N261 wordt geleid. Hieruit blijkt volgens hem dat De Hoogt als wijkontsluitingsweg is beoogd. [appellant sub 4] wijst erop dat in het rapport van VAGN staat dat De Hoogt een ontsluitingsfunctie krijgt. Voorts wijst hij erop dat het college van burgemeester en wethouders van Loon op Zand in het verkeersbesluit ten behoeve van de bussluis op de Bergstraat stelt dat De Hoogt een verbindingsweg is.

    [bedrijf] stelt dat het plan in strijd is met de "Leidraad duurzaam veilige inrichting van bedrijventerreinen" van het CROW (hierna: Leidraad van het CROW). Zij voert hiertoe aan dat bedrijven direct aan een ontsluitingsweg zullen zijn gesitueerd. Voorts is het verschil in verkeersmassa’s groot, ontbreken de wegmarkering en een gescheiden fiets- en voetpad, en is de bestaande weg met 5,1 m breedte te smal voor een ontsluitingsweg.

8.1.    De raad stelt dat De Hoogt in het "Verkeersplan gemeente Loon op Zand" uit 2009 (hierna: het gemeentelijke verkeersplan) is aangemerkt als erftoegangsweg type A. Ter plaatse geldt een maximale toegestane snelheid van 30 km/u. Dergelijke wegen hebben volgens de raad een beperkte verkeersfunctie. De Hoogt heeft een beperkte verkeersfunctie, nu deze dienst doet voor de bereikbaarheid van het bedrijventerrein en de aanliggende woonstraten.

8.2.    De Afdeling stelt voorop dat de omstandigheid dat De Hoogt in het gemeentelijke verkeersplan is aangemerkt als erftoegangsweg type A, welk type niet is genoemd in de CROW-richtlijnen, op zichzelf niet maakt dat de raad van een onjuist wegtype is uitgegaan. Wegen op bedrijventerreinen zijn niet zonder meer een gebiedsontsluitingsweg, maar kunnen ook worden aangemerkt als erftoegangsweg met of zonder verzamelfunctie. Volgens de Leidraad van het CROW is in principe sprake van gebiedsontsluitingswegen wanneer de omvang van het bedrijventerrein groter is dan 30 tot 50 ha, afhankelijk van het soort verkeer, het soort bedrijven en de schaalgrootte van de gevestigde bedrijven. Het bedrijventerrein De Hoogt bedraagt niet meer dan 10 ha en is daarmee van een andere orde van grootte. De raad heeft ter zitting toegelicht dat het gebruik, de functie en de inrichting van De Hoogt maken dat ter plaatse sprake is van een zogenoemde erftoegangsweg met een verzamelfunctie zoals omschreven in de Leidraad van het CROW. Het aangevoerde geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid van deze typering uit heeft kunnen gaan. Daarbij is van belang dat de breedte van De Hoogt varieert tussen de 5,9 m en 6,5 m, deze weg zowel wordt gebruikt door bestemmingsverkeer van het bedrijventerrein De Hoogt als door bewoners van het noordelijk gelegen woongebied van Loon op Zand en er een maximale toegestane snelheid van 30 km/u geldt.

    De Leidraad van het CROW schrijft voor erftoegangswegen met een verzamelfunctie, zoals De Hoogt, geen gescheiden voetpad en fietspad voor. De overige door [bedrijf] aangevoerde omstandigheden geven evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met de Leidraad van het CROW. Voorts is van de zijde van de raad toegelicht dat een maximum van 6.000 mvt/etm een landelijk vaak toegepaste norm is bij erftoegangswegen met een verzamelfunctie en de raad heeft hierbij willen aansluiten. Dit acht de Afdeling niet onredelijk.

    Over de wegbewijzering die het verkeer via De Hoogt naar de N261 leidde, stelt de raad dat dit een tijdelijke situatie betrof ten tijde van de herinrichting van de Hoge Steenweg. De wegbewijzering waar [appellant sub 3] op doelt, diende voor een tijdelijke omleidingsroute in verband met deze herinrichting. Daargelaten dat de wegbewijzering geen onderdeel is van het bestemmingsplan, overweegt de Afdeling dat deze er niet toe leidt dat De Hoogt moet worden aangemerkt als gebiedsontsluitingsweg.

    Gelet op het voorgaande falen de betogen.

Verkeersveiligheid

9.    [appellante sub 1] stelt dat De Hoogt na de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2015 is blijven fungeren als ontsluitingsweg en er in die periode veel verkeersongevallen hebben plaatsgevonden. In de periode dat De Hoogt tijdelijk dicht was in verband met werkzaamheden, was ter plaatse volgens [appellante sub 1] geen sprake meer van overlast en verkeersongevallen. Hierbij moest zowel het vrachtverkeer als het woonverkeer gebruik maken van de oude ontsluitingsroute.

    [bedrijf] stelt dat het plan leidt tot verkeersonveiligheid en dat de voorziene weg niet geschikt is voor vrachtverkeer. Ook [appellant sub 3] stelt dat het plan leidt tot verkeersonveilige situaties en overlast voor bewoners en bedrijven aan De Hoogt. Voor zover de raad stelt dat snelheidsremmende obstakels moeten worden gerealiseerd om de verkeersveiligheid te waarborgen, stelt [bedrijf] dat in de CROW-richtlijnen staat dat dit onwenselijk is op een industrieterrein. Dergelijke obstakels leiden tot schade voor het vrachtverkeer en beperken de laad- en losmogelijkheden en manoeuvreerruimte van grote voertuigen.

9.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat er weliswaar verschillende types verkeersdeelnemers gebruik maken van De Hoogt, maar dat er gelet op de verkeersintensiteiten voldoende profiel is om de verkeersstromen op een veilige wijze af te wikkelen. Een aandachtspunt is de snelheid van het autoverkeer. Eventueel benodigde snelheidsbeperkende maatregelen kunnen echter niet in een bestemmingsplan worden voorgeschreven.

9.2.    De raad heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat bij een verkeersintensiteit van 6.000 mvt/etm op De Hoogt ter plaatse nog een verkeersveilige situatie bestaat. Dit is naar het oordeel van de Afdeling, gelet op de functie van de weg en de maximale toegestane snelheid, geen onredelijk uitgangspunt. Zoals hiervoor, onder 7.4 is weergegeven, staat in het rapport van Goudappel Coffeng dat de breedte van De Hoogt voldoende is voor de verkeersveiligheid bij het laden en lossen. Voorts wordt in het rapport van Goudappel Coffeng een aantal aanbevelingen gedaan ten behoeve van de verkeersveiligheid. [bedrijf] en [appellant sub 3] hebben niet aannemelijk gemaakt dat desondanks voor zodanig verkeersonveilige situaties moet worden gevreesd dat de raad het plan niet in redelijkheid kon vaststellen. Overigens heeft de inrichting van de weg, waaronder snelheidsremmende obstakels, geen betrekking heeft op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen.

    De betogen falen.

Milieuaspecten

10.    Volgens [appellant sub 3] blijkt uit de verkeerstelling van Dinaf dat het aandeel vrachtverkeer groter is dan waarmee rekening wordt gehouden in het verkeersmodel. De trillinghinder van dit verkeer wordt volgens hem dan ook onderschat. [appellant sub 4] voert aan dat de raad de gevolgen van het plan voor geluid- en stofhinder ter plaatse van zijn woning heeft onderschat, nu van te lage verkeersintensiteiten is uitgegaan.

10.1.    Gelet op hetgeen hiervoor, onder 7.3, is overwogen, is de raad niet uitgegaan van te lage verkeersintensiteiten ter plaatse van De Hoogt ten gevolge van de verbindingsweg. De Afdeling ziet geen aanleiding voor een ander oordeel ten aanzien van het aandeel vrachtverkeer. [appellant sub 3] en [appellant sub 4] hebben geen andere uitgangspunten bestreden die de raad ten grondslag heeft gelegd aan het oordeel dat het plan uit milieukundig oogpunt aanvaardbaar is.

    De betogen falen.

Alternatieven

11.    [appellante sub 1] betoogt dat de raad ten onrechte niet heeft gekozen voor een alternatief waarbij de kern van Loon op Zand wordt ontsloten door middel van een weg rondom De Hoogt. Volgens haar heeft de raad ten onrechte gewicht toegekend aan de omstandigheid dat de in het plan voorziene verbindingsweg financieel voordeliger is en heeft de raad daarbij het belang bij verkeersveiligheid niet meegewogen.

11.1.    De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. Daarbij mogen ook financiële belangen worden afgewogen. Naar het oordeel van de Afdeling is niet gebleken dat geen zorgvuldige belangenafweging ten grondslag ligt aan het bestreden besluit. Daarbij betrekt de Afdeling dat gelet op hetgeen hiervoor, onder 9.2 is overwogen, de raad de verkeersveiligheid voldoende in de belangenafweging heeft betrokken.

    Het betoog faalt.

Detailhandel

12.    [bedrijf] heeft bezwaren tegen de bestaande detailhandel op het bedrijventerrein De Hoogt. Deze detailhandel is volgens haar illegaal aanwezig en hiertegen wordt dan ook ten onrechte niet handhavend opgetreden.

12.1.    De Afdeling overweegt dat het plangebied bestaat uit één plandeel, met de bestemming "Verkeer", dat ziet op de gronden ter plaatse van de nieuwe verbindingsweg. Het plan voorziet niet in mogelijkheden voor detailhandel. De door Henk Bruurs gestelde illegaal aanwezige detailhandel op De Hoogt betreft een kwestie van handhaving die in deze procedure niet aan de orde kan komen.

    Het betoog faalt.

Herhalen en inlassen zienswijze

13.    [appellant sub 4] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 4] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

    Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

14.    Gelet op het voorgaande zijn de beroepen ongegrond.

15.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Vletter, griffier.

w.g. Uylenburg    w.g. Vletter

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2017

653.