Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1618

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-06-2017
Datum publicatie
21-06-2017
Zaaknummer
201508662/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:6682, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 januari 2015 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de overkapping op het perceel kadastraal bekend als gemeente Alphen-Chaam, sectie [.] nummer [….] (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden dan wel te brengen en te houden in de staat, zoals deze is vergund bij besluit van 4 juni 2013 door middel van het verwijderen en verwijderd houden van de aan de rechter-, linker- en achterzijde aangebrachte uitbreidingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3213
JOM 2018/289
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201508662/1/A1.

Datum uitspraak: 21 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Alphen, gemeente Alphen-Chaam,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 oktober 2015 in zaak nr. 15/4216 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam.

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2015 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de overkapping op het perceel kadastraal bekend als gemeente Alphen-Chaam, sectie [.] nummer [….] (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden dan wel te brengen en te houden in de staat, zoals deze is vergund bij besluit van 4 juni 2013 door middel van het verwijderen en verwijderd houden van de aan de rechter-, linker- en achterzijde aangebrachte uitbreidingen.

Bij besluit van 6 mei 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 oktober 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 april 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.E. Izeboud, advocaat te Breda, en het college, vertegenwoordigd door H.J.M. Marcus, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] is vruchtgebruiker van het perceel [locatie 1] en het perceel waar de carport is gebouwd. [appellant] gebruikt de carport voor de stalling van zijn camper. Aan de carport zijn overkappingen gebouwd die worden gebruikt voor de exploitatie van de op het perceel [locatie 1] gevestigde horecaonderneming. Het bouwwerk is gebouwd aan de achterzijde van het perceel van [partij] plaatselijk bekend als [locatie 2] en is eveneens gelegen achter de woning van [appellant] gelegen op het perceel [locatie 3].

    Bij besluit van 4 juni 2013 heeft het college aan [appellant] omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een overkapping met een oppervlakte van 48,60 m2 op het perceel. Bij brief van 5 februari 2014 heeft [partij] het college verzocht om handhavend op te treden tegen het door [appellant] gebouwde bouwwerk. [partij] geeft hierbij te kennen dat [appellant] tot aan de perceelgrens alles heeft overkapt en de door het college aan [appellant] verleende omgevingsvergunning slechts voorziet in een vrijstaande overkapping om te gebruiken als carport. Vervolgens heeft het college zich in het besluit van 20 januari 2015 op het standpunt gesteld dat het heeft geconstateerd dat het door [appellant] gebouwde bouwwerk op het perceel is gebouwd in afwijking van de aan hem bij besluit van 4 juni 2013 verleende omgevingsvergunning. Het college heeft [appellant] gelast, onder oplegging van een dwangsom van € 5.000,00 ineens, binnen acht weken na de verzending van dit besluit de gebouwde overkapping te verwijderen en verwijderd te houden, dan wel te brengen en te houden in de staat, zoals deze middels de bij besluit van 4 juni 2013 verleende omgevingsvergunning is vergund door middel van het verwijderen en verwijderd houden van de aan de rechter-, linker- en achterzijde aangebrachte uitbreidingen.

    [appellant] is van mening dat het college het vertrouwen heeft gewekt met een brief van 23 april 2014 dat hij het opgerichte bouwwerk in overeenstemming kon brengen met de regels voor het vergunningvrij bouwen als bedoeld in artikel 2, derde lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor).

Wettelijk kader en planregels

2.    Artikel 1 van bijlage II van het Bor luidt:

"In deze bijlage wordt verstaan onder:

achtererfgebied: erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen;

[…];

erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden."

    Op het perceel rust ingevolge het geldende bestemmingsplan "Kom Alphen 2009" de bestemming "Tuin-2".

    Artikel 20.1 van de planregels luidt:

"De voor "Tuin-2" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. tuin;

b. de uitoefening van aan huis gebonden beroepsmatige activiteiten door de hoofdbewoner(s) van het hoofdgebouw tot ten hoogste 30% van het oppervlak van hoofd- en bijgebouwen tot een maximum van:

- 45 m2;

- in het geval het oppervlak van het bouwperceel groter is dan 750 m2, maar niet groter dan 1.250 m2, 60 m2;

- in het geval het oppervlak van het bouwperceel groter is dan 1.250 m2, 75 m2;

met de daarbij behorende:

c. in- en uitritten;

d. ontsluitingswegen en -paden;

e. waterpartijen;

f. terrassen;

g. bouwwerken."

    Artikel 20.2.1 luidt:

"a. Op de in 20.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend aanbouwen en bijgebouwen ten diensten van de bestemming "Wonen" gebouwd worden;

b. het maximale bebouwingspercentage, gerekend over het gehele bouwperceel, bedraagt 60."

Goede procesorde

3.    Anders dan het college stelt in een nader stuk van 8 april 2017 kan [appellant] ter staving van zijn stellingen verwijzen naar een in opdracht van de exploitant van de horecaonderneming opgesteld advies van Bas Backx Architect BNA.

    Voor zover het college ter zitting van de Afdeling heeft betoogd dat deze door [appellant] bij de Afdeling ingediende nadere stukken wegens strijd met de goede procesorde buiten de beoordeling van het beroep moeten blijven, faalt dit betoog. [appellant] heeft voorafgaand aan het verstrijken van de daarvoor geldende termijn als bedoeld in artikel 8:58, eerste lid, van de Algem

ene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) nadere stukken bij de Afdeling ingediend. Het college heeft ter zitting op deze stukken inhoudelijk kunnen reageren. Dit in aanmerking genomen, alsmede de aard en inhoud van de stukken, is de Afdeling van oordeel dat de goede procesorde zich er niet tegen verzet dat de stukken bij de beoordeling van het beroep worden betrokken.

Hoger beroep

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank buiten de omvang van het geschil is getreden door te overwegen dat de gebouwde carport niet is gebouwd ten dienste van de bestemming "Wonen" en het bouwwerk derhalve niet is gelegen in het achtererfgebied als bedoeld in artikel 1 van bijlage II van het Bor. Daarnaast betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwwerk niet omgevingsvergunningvrij mag worden opgericht. Hij voert hiertoe aan dat op het perceel [locatie 1] weliswaar de bestemming "Horeca" rust, maar dat op dat perceel gelet op de nadere aanduiding "wonen", het eveneens is toegestaan te wonen. Bovendien woont de exploitant van de horecagelegenheid ook op het perceel.

4.1.    De rechtbank heeft overwogen dat ter zitting is gebleken dat de carport is gebouwd ten dienste van het perceel [locatie 1] waarop de bestemming "Horeca" rust en dat er dus niet is gebouwd ten dienste van de bestemming "Wonen". Dit betekent dat het bestemmingsplan deze inrichting expliciet verbiedt volgens de rechtbank, waardoor geen sprake is van een erf en achtererfgebied als bedoeld in artikel 1 van bijlage II van het Bor.

4.2.    [appellant] heeft in beroep aangevoerd dat de door hem gebouwde overkappingen in het geheel omgevingsvergunningvrij zijn. Gelet hierop is de vraag of sprake is van een overtreding waartegen het college bevoegd is handhavend op te treden door [appellant] aan de orde gesteld en heeft de rechtbank, om te kunnen bepalen of op grond van artikel 2 van bijlage II van het Bor de overkappingen omgevingsvergunningvrij mogen worden opgericht, terecht beoordeeld of het bouwwerk is gelegen in het achtererfgebied. Voor het oordeel dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden bestaat dan ook geen aanleiding.

    Het betoog faalt in zoverre.

4.3.    Vast staat dat de aan de carport gebouwde overkappingen worden gebruikt door de exploitant van de horecaonderneming op het perceel [locatie 1], onder andere voor de stalling van containers, en dat [appellant] de carport gebruikt voor de stalling van een camper. De bij besluit van 4 juni 2013 vergunde carport is derhalve feitelijk ingericht voor gebruik door [appellant]. Voor het perceel geldt ingevolge het geldende bestemmingsplan de bestemming "Tuin-2". Blijkens artikel 20.2.1, onder a, van de planregels mogen bij deze bestemming uitsluitend aanbouwen en bijgebouwen ten dienste van de bestemming "Wonen" worden gebouwd. De overkappingen op het perceel worden gebruikt door de horeca-exploitant ten dienste van de bestemming "Horeca" zodat vastgesteld dient te worden dat het bestemmingsplan de inrichting van het perceel, voor zover dat wordt gebruikt door de horeca-exploitant, verbiedt, omdat deze gronden waarop de bestemming "Tuin-2" rust slechts mogen worden bebouwd met bijgebouwen ten dienste van de bestemming "Wonen". Dat ingevolge het bestemmingsplan op het perceel [locatie 1] de nadere functieaanduiding "wonen" rust, brengt niet met zich dat de overkappingen mogen worden gebruikt door de horecaexploitant ten behoeve van de bestemming "Horeca", nu artikel 20.2.1 expliciet uitgaat van gebruik ten dienste van de bestemming "Wonen". Dat de overkappingen overwegend worden gebruikt ten behoeve van wonen op het perceel [locatie 1] is niet gebleken uit de overgelegde stukken.

    De rechtbank is gelet op het voorgaande terecht tot de conclusie gekomen dat de gebouwde overkappingen op grond van artikel 2 van het Bor niet omgevingsvergunningvrij mogen worden opgericht.

    Het betoog faalt.

5.    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college bevoegd was wegens handelen in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo handhavend op te treden tegen het bouwen en gebruiken van het perceel in strijd met het bestemmingsplan.

    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

6.    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat hij er gelet op de brief van het college van 23 april 2014 gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij omgevingsvergunningvrij 30 m2 aan bebouwing mocht toevoegen op het perceel en hij derhalve kon volstaan met het terugbrengen van hetgeen door hem is gebouwd tot een oppervlakte van 30 m2. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte de schending van het vertrouwensbeginsel gepasseerd door er op te wijzen dat hij uit eerdere correspondentie had moeten begrijpen dat de brief van 23 april 2014 onjuiste informatie bevatte.

6.1.    In de vooraanschrijving van 23 april 2014 heeft het college te kennen gegeven dat [appellant] de geconstateerde overtreding ongedaan kan maken door het opgerichte bouwwerk in overeenstemming te brengen met artikel 2, derde lid, van bijlage II van het Bor. Dat wil volgens de brief van 23 april 2014 zeggen dat de totale oppervlakte van het nieuwe bijbehorende bouwwerk wordt gereduceerd naar maximaal 30 m2 en de oppervlakte van het nieuwe bijbehorende bouwwerk binnen een afstand van 1,00 m van het naburig erf niet meer bedraagt dan 10 m2. Daarnaast wijst het college [appellant] er op dat hij ook het niet-vergunde bouwwerk volledig mag afbreken tot het wel door het college vergunde bouwwerk.

    In het besluit van 20 januari 2015 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat enige discussie bestond rond de vraag of de afwijkingen vergunningvrij kunnen worden uitgevoerd. Dit is volgens het college niet het geval.

6.2.    De rechtbank heeft, mede gelet op hetgeen hiervoor onder 4.3 is overwogen, terecht overwogen dat de brief van 23 april 2014 onjuiste informatie bevat omdat de overkappingen niet omgevingsvergunningvrij kunnen worden opgericht.

    Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat het vertrouwensbeginsel in dit geval niet met zich brengt dat, ondanks de onjuiste mededeling van het college in de vooraanschrijving, [appellant] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij kon volstaan met het terugbrengen van de gerealiseerde overkappingen tot een oppervlakte van 30 m2. In dit kader heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat [appellant] de carport en de overkappingen heeft gebouwd zonder te beschikken over een omgevingsvergunning daartoe, voorafgaand aan de vooraankondiging tot handhaving van 23 april 2014 en dat in het besluit van 4 juni 2013, waarbij omgevingsvergunning is verleend voor een deel van hetgeen door [appellant] is gebouwd, door het college te kennen is gegeven dat het college niet bereid is omgevingsvergunning te verlenen voor deze zonder vergunning gebouwde overkappingen. Daarnaast is in het besluit van 4 juni 2013 uitgelegd dat geen bijbehorende bouwwerken kunnen worden opgericht op het perceel, omdat het perceel niet functioneel kan worden verbonden met een woonbestemming, zodat [appellant] hieruit eveneens kon afleiden dat de overkappingen niet omgevingsvergunningvrij mochten worden opgericht. Bovendien heeft [partij] het college verzocht om tegen de gebouwde overkapping aan de achterzijde van zijn perceel handhavend op te treden en zijn er derhalve, naast het algemeen belang, ook belangen van derden gediend met handhavend optreden.

    Het betoog faalt.

7.    [appellant] betoogt dat er vanuit ruimtelijk oogpunt geen bezwaren bestaan tegen het oprichten van een overkapping op het perceel en dat het college de belangen op onjuiste wijze heeft afgewogen.

7.1.    De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat het college hiervan had dienen af te zien.  Hierbij is van belang dat het bouwen van een bouwwerk zonder omgevingsvergunning een ernstige overtreding is en het college het algemeen belang dat is gediend met handhaving zwaarder heeft mogen laten wegen dan de belangen van [appellant] bij instandlating van de overkappingen.

    Het betoog faalt.

Slot en conclusie

8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Uylenburg    w.g. Vermeulen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier    

Uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2017

700.