Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1616

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-06-2017
Datum publicatie
21-06-2017
Zaaknummer
201602497/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 februari 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Padbroek, Integraal Kindcentrum Padbroek" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3215
Module Ruimtelijke ordening 2017/7782 met annotatie van G. van den End
JOM 2018/293
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602497/1/R2.

Datum uitspraak: 21 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], wonend te Cuijk,

2. [ appellant sub 2] en anderen, wonend te Cuijk,

3. [ appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], wonend te Cuijk,

en

1. de raad van de gemeente Cuijk en

2. het college van burgemeester en wethouders van Cuijk,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Padbroek, Integraal Kindcentrum Padbroek" vastgesteld.

Bij besluit van 23 februari 2016 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de nieuwbouw van het Integraal Kindcentrum Padbroek (hierna: IKC).

De besluiten zijn op grond van artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) gecoördineerd voorbereid en bekend gemaakt.

Tegen deze besluiten hebben [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3] beroep ingesteld.

De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellanten sub 3], [appellant sub 2] en anderen en Optimus primair onderwijs hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 2] en anderen, de raad en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 maart 2017, waar [appellanten sub 1], bijgestaan door mr. E.T. Stevens, rechtsbijstandverlener te Apeldoorn, [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 3A], bijgestaan door mr. J. Schoneveld, rechtsbijstandverlener te Den Bosch, en de raad en het college, vertegenwoordigd door M.W.C. Brugman, A. Heermans, ing. R.H.R. Slangen en R.J.J. Koenraad, bijgestaan door mr. P.P.A. Bodden, advocaat te Nijmegen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Optimus primair onderwijs, vertegenwoordigd door M.C.M. van der Berg, bijgestaan door R.M.C. Honings, als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1. In de bestreden besluiten wordt voorzien in de bouw van het IKC op het perceel Dassenburcht 36. Ter plaatse van dit perceel was basisschool De Zevensprong gevestigd. Deze basisschool is voornemens om zich te vestigen in het IKC samen met basisschool Harlekijn. Basisschool Harlekijn is nu op het perceel Hermelijnkwartier 43 gevestigd op een afstand van ongeveer 400 m ten zuiden van de voorziene locatie voor het IKC. Het plan biedt verder ruimte voor een gymzaal, kinderdagopvang, een peuterspeelzaal en buitenschoolse opvang. Het perceel Dassenburcht 36 wordt aan de oostzijde begrensd door het Hagelkruis en aan de zuid- en westzijde door de Dassenburcht. Aan de zuid- en noordzijde staan woningen. [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3] wonen aan de Dassenburcht. Zij vrezen dat de komst van het IKC zal leiden tot aantasting van hun woon- en leefklimaat vanwege onder meer geluidhinder en verkeers- en parkeerhinder.

Ingetrokken beroepsgronden

2. Ter zitting hebben [appellanten sub 1] de beroepsgrond dat de voorziene wadi in het noorden van het plangebied onduidelijk in het plan is verankerd, ingetrokken. [appellanten sub 1] hebben tevens de beroepsgrond dat de geluidwerende muur niet te handhaven is, ingetrokken.

Ook hebben [appellanten sub 1] de beroepsgrond dat de publiek aantrekkende werking van het IKC fors groter is dan waarmee in het akoestisch onderzoek rekening is gehouden, ingetrokken. [appellant sub 2] en anderen hebben de beroepsgrond dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met het volcontinurooster van het IKC, ingetrokken. Ook hebben [appellant sub 2] en anderen de beroepsgrond dat de omgevingsvergunning in strijd is met het plan, omdat de fietsenstalling in strijd met artikel 4, lid 4.3.3, van de planregels aan de noordzijde op een afstand van minder dan 4 m van de bestemming "Maatschappelijk" ligt, ingetrokken.

Strijd met de goede procesorde

3. Aan het college is de mogelijkheid geboden om na de zitting het rapport "Opvang- en doorstroomcapaciteit" zoals dat ten grondslag heeft gelegen aan de omgevingsvergunning toe te sturen. Aan [appellant sub 2] en anderen is de mogelijkheid geboden om hierop te reageren. In hun reactie op het rapport hebben zij alsnog het uitgangspunt over het aantal aanwezige kinderen zoals dat is gehanteerd in het akoestisch onderzoek bestreden onder verwijzing naar het rapport "Opvang- en doorstroomcapaciteit". Het rapport was in beroep aan de orde gesteld in verband met de toetsing aan brandveiligheidseisen. Deze nu aangevoerde beroepsgrond over het akoestisch onderzoek is door [appellant sub 2] en anderen verwijtbaar zodanig laat ingediend dat de Afdeling aanleiding ziet om deze beroepsgrond bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de omgevingsvergunning buiten beschouwing te laten vanwege strijd met de goede procesorde. Hierbij betrekt de Afdeling dat dit uitgangspunt uit het akoestisch onderzoek eerder had kunnen worden bestreden en de andere partijen door het in deze fase van de procedure inbrengen van een nieuwe beroepsgrond worden belemmerd om hierop adequaat te reageren.

Wettelijke bepalingen en planregels

4. De relevante wettelijke bepalingen en planregels die ten grondslag liggen aan de hierna volgende rechtsoverwegingen, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Procedurele aspecten

5. [ appellant sub 2] en anderen betogen dat zij ten onrechte niet zijn betrokken bij de planvorming. In 2008 was namelijk aan de verantwoordelijk wethouder gevraagd om betrokken te worden bij de planvorming op het moment dat een architect voor het plan in beeld was, aldus [appellant sub 2] en anderen.

5.1.

De Afdeling overweegt dat het bieden van inspraak voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan geen onderdeel uit maakt van de in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het niet bieden van inspraak in deze fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.

Het betoog faalt.

6. Voorts betogen [appellant sub 2] en anderen dat het college ten onrechte de beoordeling van de zienswijzen die betrekking hebben op de omgevingsvergunning, niet aan hen heeft toegezonden.

6.1.

Deze beroepsgrond heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

Het betoog faalt.

Beroepsgronden tegen het bestemmingsplan

Toetsingskader

7. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Randvoorwaarden en uitgangspunten in de plantoelichting

8. [ appellant sub 2] en anderen betogen dat de locatie voor de voorziene ontwikkeling niet voldoet aan de voorwaarden die in paragraaf 3.2 van de plantoelichting zijn opgenomen. In dit verband voeren [appellant sub 2] en anderen aan dat dit ook volgt uit het rapport "IKC Padbroek gemeente Cuijk" opgesteld door Rekenkamer Commissie land van Cuijk.

8.1.

In de plantoelichting staan in paragraaf 3.2 randvoorwaarden en uitgangspunten. Volgens de plantoelichting zijn randvoorwaarden harde eisen gebaseerd op regelgeving, het geldende beleid en het programma van eisen voor het planinitiatief. Uitgangspunten voor de ruimtelijke ontwikkeling zijn gebaseerd op de kwaliteiten van de locatie en omgeving, alsmede de ambitie en inspirerende voorbeelden.

8.2.

In paragraaf 3.2 zijn algemene uitgangspunten en randvoorwaarden opgesomd. De raad heeft hiermee rekening gehouden bij de vaststelling van het plan. [appellant sub 2] en anderen hebben ter zitting aangegeven dat zij op de in paragraaf 3.2 genoemde algemene uitgangspunten en randvoorwaarden hebben gewezen als inleiding op hun overige beroepsgronden. In de hiernavolgende overwegingen zal de Afdeling die beroepsgronden behandelen.

Gebruiksmogelijkheden

9. Voorts betogen [appellanten sub 1] dat het plan meer gebruiksmogelijkheden toestaat dan door de raad is beoogd. In dit verband wijzen zij er op dat in de Nota van beantwoording van zienswijzen staat dat het niet de bedoeling is dat de gymzaal een op zichzelf staande sporthal wordt.

9.1.

In de Nota van beantwoording van zienswijzen staat dat de gymzaal in het ontwerpbestemmingsplan als onderdeel is beschouwd van de educatieve instellingen. Het medegebruik van de gymzaal na schooltijd is bedoeld voor recreatieve sport. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat de gymzaal een op zichzelf staande sportzaal wordt.

9.2.

De raad heeft ter zitting bevestigd dat hij in dit plan een gymzaal wil toestaan die na schooltijd kan worden gebruikt ten behoeve van recreatieve sport. Dit is neergelegd in artikel 4, lid 4.1, onder b, van de planregels. Door middel van de omschrijving van het begrip "recreatieve sportactiviteiten" in artikel 1, lid 1.35, van de planregels is dit gebruik begrensd doordat geen horeca en publiek bij wedstrijden zijn toegestaan. Over de eerst ter zitting ingenomen stelling van [appellanten sub 1] dat publiek bij trainingen moet worden uitgesloten, overweegt de Afdeling als volgt. Publiek bij trainingen is op grond van artikel 4, lid 4.1, onder b, in samenhang gelezen met artikel 1, lid 1.35, van de planregels toegestaan. Het is echter in dit geval niet aannemelijk dat hiervan een dusdanige ruimtelijke uitstraling uitgaat dat dit planologisch relevant is.

Het betoog faalt.

Woon- en leefklimaat

10. [ appellanten sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3] vrezen dat als gevolg van het realiseren van het IKC hun woon- en leefklimaat wordt aangetast. In dit verband hebben zij verschillende argumenten naar voren gebracht die hierna afzonderlijk zullen worden besproken.

Geluid

11. Ten eerste betogen [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3] dat het plan leidt tot ernstige geluidoverlast bij hun woningen. Zij voeren aan dat de raad zich ten onrechte baseert op het rapport "Akoestisch onderzoek bestemmingsplan Padbroek Geluiduitstraling IKC Padbroek in Cuijk" van 15 december 2015 opgesteld door DPA Cauberg-Huygen (hierna: akoestisch onderzoek) ter ondersteuning van zijn standpunt dat de geluidgevolgen van het plan ter plaatse van hun woningen aanvaardbaar zijn. Daarvoor hebben zij verschillende argumenten naar voren gebracht die hierna afzonderlijk zullen worden besproken.

11.1.

De raad stelt zich onder verwijzing naar het akoestisch onderzoek op het standpunt dat de geluidgevolgen van het IKC ter plaatse van de percelen van [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3] aanvaardbaar zijn.

Betrouwbaarheid van het akoestisch onderzoek

11.2. [

appellant sub 2] en anderen betogen dat het akoestisch onderzoek niet objectief is opgesteld en naar het eindresultaat is toegeschreven. Hiertoe voeren zij aan dat de deskundige door de opdrachtgever wordt betaald.

11.2.1.

De Afdeling overweegt dat de omstandigheid dat de deskundige door de opdrachtgever wordt betaald zonder bijkomende omstandigheden niet met zich brengt dat de deskundige het akoestisch onderzoek niet objectief heeft opgesteld en naar het eindresultaat heeft toegeschreven. [appellant sub 2] en anderen hebben geen bijkomende omstandigheden aangevoerd.

Het betoog faalt.

Geluidnormen

11.3. [

appellanten sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3] betogen dat de in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) aangegeven richtafstanden bij de vaststelling van dit plan ten onrechte niet door de raad in acht zijn genomen. Zij voeren hiertoe aan dat de raad ten onrechte stelt dat dit plan aansluit op hetgeen voorheen was toegestaan. Ook voeren zij aan dat de raad in strijd handelt met het gelijkheidsbeginsel door in het kader van dit plan de richtafstanden uit de VNG-brochure niet leidend te achten.

11.3.1.

De raad betwist niet dat aan de richtafstanden uit de VNG-brochure voor dit plan niet wordt voldaan. Hij heeft bezien of het IKC passend kan worden gerealiseerd op het perceel Dassenburcht 36, omdat ter plaatse voorheen reeds een school was gevestigd en de gebruiks- en bouwmogelijkheden die het voorheen geldende plan toestond aansluiten op hetgeen in dit plan is toegestaan.

De raad heeft in het kader van dit plan aansluiting gezocht bij de normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Hiernaar heeft hij akoestisch onderzoek laten verrichten waarbij in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook de activiteiten zijn meegenomen die in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet hoeven te worden onderzocht.

11.3.2.

In het akoestisch onderzoek is voor de beoordeling van de directe geluidhinder getoetst aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het Activiteitenbesluit milieubeheer zondert een aantal geluidbronnen uit van de beoordeling. Deze bronnen zijn in het kader van dit bestemmingsplan wel in de beoordeling betrokken, nu in het kader van de ruimtelijke ordening een bredere beoordeling nodig is. Het betreft:

- het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein dat onderdeel is van de inrichting, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als binnenterrein;

- het stemgeluid van bezoekers op het open terrein van een inrichting voor horeca-, sport- of recreatieactiviteiten;

- het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een inrichting voor primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs;

- het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd en onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang;

- geluid als gevolg van laad- en losactiviteiten in de dagperiode.

11.3.3.

In het deskundigenbericht staat dat uit de vergelijking tussen beide planologische regimes blijkt dat de doeleindenomschrijving van de maatschappelijke bestemming in het plan is verruimd met de mogelijkheid van het medegebruik van de gymzaal voor recreatieve sport. Voorts is de vorm van het bouwvlak gewijzigd: het bouwvlak is qua oppervlakte verkleind maar deels op gronden gelegd waarop in het vorige plan geen bouwmogelijkheden lagen. Tot slot is de goothoogteregeling aangepast aan de gebogen dakvorm. De bouwhoogte is niet gewijzigd, aldus het deskundigenbericht.

11.3.4.

Voor het voorziene IKC geldt in het kader van het bestemmingsplan geen specifiek wettelijk kader op grond waarvan de geluidgevolgen moeten worden beoordeeld. Dit neemt niet weg dat de raad bij het vaststellen van het plan in het kader van een goede ruimtelijke ordening moet beoordelen of de geluidgevolgen van de in het plan voorziene ontwikkeling aanvaardbaar zijn. Bij de wijze waarop hij dat in beeld brengt, komt de raad enige vrijheid toe. In dit geval heeft hij ervoor gekozen om de grenswaarden opgenomen in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer als kader te gebruiken en daarbij ook acht te slaan op activiteiten waarmee in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer geen rekening hoeft te worden gehouden. De grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden ook voor het voorziene IKC op het moment dat het in werking is omdat het voorziene IKC een inrichting is als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer. In het kader van het bestemmingsplan moet het aannemelijk zijn dat hieraan wordt voldaan omdat anders sprake is van een niet uitvoerbaar plan. De Afdeling gaat hierna in op het door de raad gekozen kader voor de beoordeling van de geluidgevolgen van het voorziene IKC.

11.3.5.

De Afdeling stelt voorop dat de VNG-brochure richtlijnen en geen wettelijke normen bevat. Ook als de VNG-brochure wel wordt toegepast dan biedt die mogelijkheden om van de richtafstanden af te wijken. Vast staat dat de raad in dit plan een kleinere afstand aanhoudt dan de afstand die de VNG-brochure aanbeveelt. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat hij geen aanleiding ziet om de richtafstanden uit de VNG-brochure toe te passen, omdat hetgeen dit plan toestaat aansluit op hetgeen het voorheen geldende plan toestond. Gelet op de vergelijking in het deskundigenbericht tussen dit plan en het voorheen geldende bestemmingsplan, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen. Gelet op het voorgaande overweegt de Afdeling dat de raad in het kader van het onderzoek naar de geluidgevolgen van de voorziene ontwikkeling in redelijkheid kan aansluiten bij de normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer waarbij de activiteiten die worden uitgesloten van de beoordeling in het Activiteitenbesluit milieubeheer in het toetsingskader worden betrokken.

11.3.6.

Over de door [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3] gemaakte vergelijking met de bestemmingsplannen "Cuijk, De Valuwe, Merletcollege", vastgesteld op 24 februari 2014, "Buitengebied, Beerseweg 45, Ebben Inspyrium", vastgesteld op 16 maar 2015, "Sint Agatha", vastgesteld op 10 september 2012, en "Cuijk, De Valuwe", vastgesteld op 17 december 2012, overweegt de Afdeling als volgt.

Met betrekking tot de bestemmingsplannen "Cuijk, De Valuwe, Merletcollege" en "Buitengebied, Beerseweg 45, Ebben Inspyrium" heeft de raad zich onbestreden op het standpunt gesteld dat voor deze plannen - los van de toets aan de VNG-brochure - aanvullend onderzoek is verricht waarbij is getoetst aan het Activiteitenbesluit milieubeheer. Met betrekking tot de bestemmingsplannen "Sint Agatha" en "Cuijk, De Valuwe, Merletcollege" heeft de raad zich onbestreden op het standpunt gesteld dat hierin slechts staat dat in deze conserverende plannen de bestaande bedrijfsactiviteiten zijn bestemd.

Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in strijd handelt met het gelijkheidsbeginsel door in het kader van dit plan de richtafstanden uit de VNG-brochure niet leidend te achten.

Het betoog faalt.

Representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden

Beweegpark

11.4. [

appellanten sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3] betogen voorts dat in het akoestisch onderzoek niet is uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. [appellant sub 2] en anderen voeren in dit verband aan dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met het beweegpark ten zuiden van het plangebied.

11.4.1.

In het akoestisch onderzoek staat dat het plangebied aan de zuidzijde grenst aan het nieuw aan te leggen beweegpark. Het beweegpark maakt geen onderdeel uit van het IKC.

11.4.2.

De Afdeling stelt vast dat het beweegpark geen onderdeel uit maakt van dit plan. De raad heeft hiermee geen rekening hoeven houden bij het berekenen van de directe geluidgevolgen van dit plan. In zoverre bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het akoestisch onderzoek niet uitgaat van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden.

Multifunctionele wijkaccommodatie

11.5.

Voorts voeren [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3] aan dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte niet is onderkend dat een multifunctionele wijkaccommodatie met een publieke sporthal, buitenschoolse opvang en wijkvoorzieningen kan worden gerealiseerd. Ook betogen [appellant sub 2] en anderen dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met de avondopenstelling van het IKC voor muzieklessen.

11.5.1.

In het akoestisch onderzoek is ervan uitgegaan dat in het IKC twee basisscholen, een kinderdagopvang, een peuterspeelzaal, een buitenschoolse opvang en een gymzaal worden ondergebracht.

11.5.2.

De Afdeling stelt vast dat in het akoestisch onderzoek rekening is gehouden met een buitenschoolse opvang en een gymzaal. Een multifunctionele wijkaccommodatie is ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels niet toegestaan. In het akoestisch onderzoek is derhalve terecht geen rekening gehouden met een multifunctionele wijkaccommodatie. De Afdeling stelt voorts vast dat de avondopenstelling van het IKC voor muzieklessen ingevolge artikel 4, lid 4.1, onder a, van de planregels is toegestaan. In het akoestisch onderzoek is hiermee geen rekening gehouden. De raad heeft ter zitting toegelicht dat deze activiteit niet relevant is omdat die buiten het IKC naar verwachting niet hoorbaar zal zijn. [appellant sub 2] en anderen hebben geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die doen twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de raad. Hun stelling dat de muzieklessen zullen leiden tot onaanvaardbare geluidoverlast is niet onderbouwd. Voorts heeft de raad ter zitting aangegeven dat indien muzieklessen toch tot enige overschrijding van de geluidnormen leiden, het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften zal stellen. Gelet op het voorgaande bestaat in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op het akoestisch onderzoek heeft kunnen baseren.

Buitentrap

11.6.

Voorts betogen [appellant sub 2] en anderen dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte wordt uitgegaan van slechts 750 bewegingen van kinderen op de voorziene buitentrap.

11.6.1.

In het akoestisch onderzoek staat dat op het schoolterrein een buitentrap is voorzien. De buitentrap zal door de kinderen van de bovenbouw zes keer per schooldag worden gebruikt.

11.6.2.

In het deskundigenbericht staat dat in het akoestisch onderzoek is uitgegaan van een minimaal gebruik van de buitentrap. Uit aanvullende berekeningen volgt dat wanneer de buitentrap intensiever wordt gebruikt, acht maal in plaats van zes maal per dag, dit bij de maatgevende woning niet tot een toename van de geluidbelasting leidt.

11.6.3.

Gelet op hetgeen in het deskundigenbericht staat is het uitgangspunt dat de buitentrap zes keer per schooldag door de kinderen van de bovenbouw wordt gebruikt geen representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. Een groter aantal zoals waarvan het deskundigenbericht is uitgegaan, leidt echter niet tot een toename van de geluidbelasting bij de maatgevende woning op het perceel Dassenburcht 44. Om die reden bestaat in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op het akoestisch onderzoek heeft kunnen baseren.

Geluidbeperkende maatregelen

11.7.

Voorts voeren [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] en anderen aan dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte is uitgegaan van geluidbeperkende maatregelen. In dit verband voeren zij aan dat in het plan geen verplichting is opgenomen om ten noorden van de fietsenstalling te voorzien in een geluidwerende muur. De voorziene muur is namelijk niet geluidwerend omdat hierin openingen zitten, aldus [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] en anderen. Voorts voeren zij aan dat er in het akoestisch onderzoek ten onrechte van wordt uitgegaan dat op het terrein slechts kan worden gespeeld tussen 07.00-19.00 uur. Het lage hek waarmee het schoolterrein ’s avonds wordt afgesloten belet namelijk niet dat kinderen er overheen klimmen en ter plaatse gaan spelen. Ook wijzen [appellant sub 2] en anderen er op dat op acht plaatsen niet wordt voorzien in een bufferzone. [appellanten sub 1] voeren aan dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte wordt uitgegaan van deze bufferzones, omdat niet te handhaven is dat ter plaatse niet wordt gespeeld.

11.7.1.

De raad heeft toegelicht dat naar aanleiding van de resultaten uit een eerder akoestisch onderzoek maatregelen zijn getroffen om de akoestische gevolgen voor omwonenden te verminderen. Hiertoe zijn in het plan bufferzones met een breedte van 4 m opgenomen waarbinnen niet mag worden gespeeld. Deze zones zijn op de verbeelding aangeduid als "speelvrije zone" waarbinnen de inrichting zodanig moet zijn dat spelen wordt belet. Voorts is afscherming op de perceelgrens ter plaatse van de woningen aan de Dassenburcht 40 en 44 voorzien en het afsluiten van het schoolterrein buiten schooltijd in het plan vastgelegd, aldus de raad. Vervolgens is in het akoestisch onderzoek rekening gehouden met die maatregelen.

11.7.2.

Aan het plandeel ten noorden van de voorziene fietsenstalling is de bestemming "Maatschappelijk" met de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - 3" toegekend. Aan de buitenste rand van het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" is de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - speelvrije zone" overal toegekend behalve aan het meest zuidelijke gedeelte grenzend aan de bestemming "Verkeer".

11.7.3.

In het akoestisch onderzoek is uitgegaan van de aanwezigheid van een bufferzone en een geluidscherm en het afsluiten van het schoolterrein in de avondperiode. Onder verwijzing naar de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai" vermeldt het akoestisch onderzoek dat de massa van een scherm minimaal 10 kg/m2 moet bedragen om als geluidafschermend object te dienen en dat hierin geen grote kieren of openingen mogen zitten.

11.7.4.

In het deskundigenbericht staat dat in de planregels een verbod is opgenomen voor spelende kinderen in de speelvrije zone. Voor zover deze speelvrije zone samenvalt met de groenzone rondom de gebouwen of met het speelterrein, kan door fysieke inrichting van het terrein betreding van deze zone worden voorkomen. Voor een deel valt de speelvrije zone echter samen met het toegangspad vanaf de westelijke Dassenburcht naar de ingang van het IKC. Het is niet uit te sluiten dat zich op dat pad schreeuwende kinderen bevinden. In dat geval zal de geluidgrenswaarde voor het LAmax bij de woningen Dassenburcht 40 en 44 worden overschreden.

Voorts staat in het deskundigenbericht dat in het akoestisch onderzoek het geluid van spelende kinderen op het IKC-terrein na sluiting van het IKC om 18.30 uur representatief is gemodelleerd. Na 19.00 uur is het IKC-terrein afgesloten en verboden voor spelende kinderen.

11.7.5.

De Afdeling stelt vast dat in de planregels een voorwaardelijke verplichting is opgenomen die met zich brengt dat de gronden met de bestemming "Maatschappelijk" uitsluitend mogen worden gebruikt ten behoeve van de doeleinden in artikel 4, lid 4.1, van de planregels indien onder meer de geluidwerende voorziening ten noorden van de voorziene fietsenstalling wordt gerealiseerd en in stand gehouden. Deze geluidwerende voorziening moet gesloten en massief worden voorzien. Ook moet de geluidwerende voorziening een materiaaldichtheid hebben van minimaal 10 kg/m². Over deze materiaaldichtheid merkt het akoestisch onderzoek onder verwijzing naar de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai" op dat dit voldoende is om als geluidafschermend object te dienen. In hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen reden hieraan te twijfelen. Voorts is in artikel 4, lid 4.1, onder c, sub 1, van de planregels bepaald dat het gebruik van de speelplaats slechts is toegestaan tussen 07.00-19.00 uur. Indien kinderen buiten de openingstijden toch gebruik maken van de speelplaats dan kan om handhaving worden verzocht. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte is uitgegaan van de voorziene geluidwerende voorziening en de openingstijden van de gronden van het IKC.

11.7.6.

Ook is als voorwaardelijke verplichting opgenomen dat de gronden met de bestemming "Maatschappelijk" uitsluitend mogen worden gebruikt ten behoeve van de doeleinden in artikel 4, lid 4.1, van de planregels indien de inrichting van de gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - speelvrije zone" zodanig is dat spelen wordt belet. Voorts is in artikel 4, lid 4.3.2, onder 2, van de planregels "spelen" ter plaatse van de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - speelvrije zone" opgenomen als strijdig gebruik met de bestemming "Maatschappelijk". Zoals in het deskundigenbericht staat is het ter hoogte van de westelijke Dassenburcht echter mogelijk om in een toegangspad te voorzien waarbij niet is uit te sluiten dat zich op dat pad schreeuwende kinderen bevinden. De raad heeft in zijn nadere stuk en ter zitting aangegeven dat ter hoogte van de westelijke Dassenburcht geen poort en toegangspad zullen worden gerealiseerd, maar een gesloten hekwerk. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Nu niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om zelfvoorziend een dergelijke planregel vast te stellen. Deze planregel zal ertoe strekken dat de gronden met de bestemming "Maatschappelijk" slechts in gebruik mogen worden genomen ten behoeve van de doeleinden in artikel 4, lid 4.1, van de planregels indien ter hoogte van de westelijke Dassenburcht in een gesloten hekwerk wordt voorzien. Met het opnemen van deze planregel bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte is uitgegaan van de bufferzone.

11.8.

Gelet op hetgeen onder 11.4 tot en met 11.7 is overwogen bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het akoestisch onderzoek niet is uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden.

Bodemfactor

11.9. [

appellant sub 2] en anderen betogen voorts dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte is uitgegaan van de bodemfactor 0 (absorberend) terwijl het terrein voor 70% wordt verhard.

11.9.1.

In het akoestisch onderzoek staat dat ter plaatse van verharding, zoals op het schoolplein en de straten, in het rekenmodel harde bodemvlakken zijn opgenomen. Buiten de ingevoerde harde bodemvlakken rekent het programma met een standaard bodemfactor van 0,0 (volledig geluidabsorberende bodem). In figuur II-1 zijn de bodemgebieden in het rekenmodel grafisch weergegeven.

11.9.2.

In het deskundigenbericht staat dat in het akoestisch onderzoek in overeenstemming met de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai" van 1999, rekening is gehouden met de juiste bodemfactor voor de bodemgebieden waar sprake is van een akoestisch harde bodem.

11.9.3.

De Afdeling stelt vast dat in het akoestisch onderzoek ter plaatse van verharding is gerekend met harde bodemvlakken. Alleen buiten deze harde bodemvlakken is gerekend met de standaard bodemfactor van 0,0. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het akoestisch onderzoek van een onjuiste bodemfactor is uitgegaan.

Geluidbronnen

Spelende kinderen

11.10. [

appellant sub 2] en anderen voeren voorts aan dat in het onderzoek van een te laag bronvermogen is uitgegaan voor spelende kinderen. Zij voeren aan dat een bronvermogen van 115 dB(A) voor gillende kinderen moet worden gehanteerd. Niet is onderbouwd waarom een bronvermogen van 108 dB(A) is gehanteerd, aldus [appellant sub 2] en anderen. Ook voeren zij aan dat in het akoestisch onderzoek er ten onrechte van wordt uitgegaan dat kinderen slechts de helft van het speelkwartier gillen. Kinderen kunnen namelijk het hele speelkwartier gillen, aldus [appellant sub 2] en anderen. Voorts voeren zij aan dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met voetballende kinderen.

11.10.1.

In het akoestisch onderzoek is een bronvermogen gehanteerd van 108 dB(A). Het geluidvermogenniveau voor het stemgeluid van de spelende kinderen is ontleend aan de VDI 3770. Volgens het Journaal geluid van december 2009, nr. 10 valt deze piekbronsterkte binnen de reikwijdte van wat gebruikelijk is bij dit soort onderzoeken. Tijdens het verblijf op het schoolterrein zullen niet alle kinderen tegelijk en continu aan het schreeuwen zijn. In overeenstemming met eerder verrichte onderzoeken bij vergelijkbare inrichtingen is aangenomen dat de helft van de kinderen tijdens het verblijf op het schoolterrein gedurende 50% van de tijd aan het schreeuwen is.

11.10.2.

In het deskundigenbericht staat dat in het akoestisch onderzoek is uitgegaan van een reëel maximaal bronvermogen van 108 dB(A) ten gevolge van spelende kinderen voor de berekeningen van het LAmax. Het door [appellant sub 2] en anderen genoemde bronvermogen van 115 dB(A) is het bronvermogensniveau van volwassen juichende voetbalsupporters in het geval er een doelpunt wordt gescoord.

In het deskundigenbericht staat voorts dat het goed voorstelbaar is dat omwonenden het stemgeluid van spelende kinderen op een schoolplein tijdens bijvoorbeeld het speelkwartier ervaren als constant aanwezige "luid schreeuwende kindergeluiden". Het is echter niet aannemelijk dat in een dergelijke situatie alle kinderen gedurende het hele speelkwartier luid schreeuwen. Het is eerder aannemelijk dat de kinderen gemiddeld genomen afwisselend luid schreeuwen. In het geluidonderzoek is uitgegaan van de situatie dat op het schoolplein de helft van de spelende kinderen de helft van de tijd schreeuwt. Deze aanname is niet onderbouwd met bijvoorbeeld geluidmetingen, tellingen of metingen van de tijdsduur van een schreeuwend kind bij vergelijkbare inrichtingen.

In het deskundigenbericht staat dat in het akoestisch onderzoek geen rekening is gehouden met ballende kinderen op het schoolterrein. Ten opzichte van het geluid van schreeuwende kinderen is het geluid van ballende kinderen echter niet maatgevend voor het berekenen van het LAmax.

In het deskundigenbericht staat dat het stemgeluid van spelende kinderen bij aanvang van de schooldag representatief is gemodelleerd. Het stemgeluid van spelende kinderen bij het uitgaan van de school is niet gemodelleerd. In het deskundigenbericht is echter geconcludeerd dat indien deze activiteit wel in het akoestisch onderzoek zou zijn betrokken dit zou leiden tot een toename van de geluidemissie vanwege het speelplein met slechts 0,4 dB en van het kleuterplein met slechts 0,27 dB. Dit zijn verwaarloosbare toenames die niet leiden tot een substantiële toename van het LAr, LT bij de omliggende woningen zoals die reeds was berekend en dus ook niet tot een overschrijding van de gehanteerde geluidnorm. Voor de piekgeluiden verandert er niets.

11.10.3.

Bij het nadere stuk van de raad is de notitie "Akoestisch onderzoek IKC Padbroek in Cuijk, Reactie op vragen die volgen uit het StAB-verslag", van 8 maart 2017 opgesteld door DPA Cauberg-Huygen toegevoegd. Hierin staat dat een kind veel lucht nodig heeft om te schreeuwen en na een schreeuw een adempauze dan ook noodzakelijk is. Ook omdat het niveau en de inspanning om te schreeuwen leidt tot heesheid is het niet reëel ervan uit te gaan dat alle kinderen continu, gedurende de hele speeltijd, schreeuwen. Dit is fysiek onmogelijk.

11.10.4.

In het akoestisch onderzoek is gemotiveerd waarom een bronvermogen van 108 dB(A) voor spelende kinderen is gehanteerd. Nu het door [appellant sub 2] en anderen genoemde bronvermogen van 115 dB(A) het bronvermogensniveau is van volwassen juichende voetbalsupporters in het geval er een doelpunt wordt gescoord, is hiervan terecht niet uitgegaan in het akoestisch onderzoek. Voorts is in het nadere stuk van de raad de aanname toegelicht dat tijdens het speelkwartier op het schoolterrein de helft van kinderen gedurende de helft van de tijd aan het schreeuwen is. Met de raad acht de Afdeling die aanname aannemelijk. In hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat deze aanname niet aannemelijk is. [appellant sub 2] en anderen hebben voorts betoogd dat hun een extra gelegenheid moet worden geboden om op de nadere onderbouwing van de raad te reageren. De Afdeling ziet hiertoe geen aanleiding omdat zij hierop ter zitting hebben kunnen reageren. Voorts is volgens het deskundigenbericht het geluid van voetballende kinderen niet maatgevend. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat met deze geluidbron ten onrechte geen rekening is gehouden. Ook is in het deskundigenbericht geconstateerd dat het stemgeluid van spelende kinderen bij het uitgaan van de school niet is gemodelleerd in het akoestisch onderzoek. Indien dit wel was betrokken in het akoestisch onderzoek dan zou dit leiden tot een geringe toename van de geluidemissie vanwege het speelplein en het kleuterplein. Dit leidt volgens het deskundigenbericht niet tot een substantiële toename van het LAr, LT bij de omliggende woningen zoals die reeds was berekend, en dus ook niet tot een overschrijding van de gehanteerde geluidnorm. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zijn standpunt over de geluidbelasting op de omliggende woningen ten onrechte op het akoestisch onderzoek heeft gebaseerd.

Stemgeluid

11.11.

Voorts betogen [appellant sub 2] en anderen dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met stemgeluid vanuit de fietsenstalling. Hiertoe voeren zij aan dat de fietsenstalling ‘s avonds open blijft waardoor dit een hangplek zal worden.

11.11.1.

In het deskundigenbericht staat dat buiten de openingstijden het terrein door een hekwerk wordt afgesloten met uitzondering van de fietsenstalling. De fietsenstalling is dag en nacht toegankelijk waardoor de vrees van omwonenden dat dit een hangplek met bijbehorende geluidoverlast wordt niet onterecht is.

11.11.2.

De Afdeling stelt vast dat het stemgeluid van hangjongeren in de fietsenstalling in de avonduren in het akoestisch onderzoek niet is bezien. De raad heeft ter zitting betoogd dat dergelijk gebruik ingevolge artikel 4, lid 4.3.2, onder a, sub 2, van de planregels niet is toegestaan, welk betoog de Afdeling onderschrijft. De raad heeft daarbij aangegeven dat handhavend zal worden opgetreden tegen hangjongeren die in de avonduren in de fietsenstalling verblijven. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de Afdeling met deze geluidbron terecht geen rekening gehouden in het akoestisch onderzoek.

Gymzaal

11.12. [

appellant sub 2] en anderen voeren voorts aan dat voor de gymzaal een bronvermogen moet worden gehanteerd van 75 dB(A) voor het LAr,LT en 95 dB(A) voor het LAmax in plaats van 62 dB(A) voor het LAr,LT en 82 dB(A) voor het LAmax. In dit verband wijzen zij er op dat ten onrechte geen rekening is gehouden met muziek in de gymzaal. Ook voeren zij aan dat de geluiduitstraling via de noordgevel van de gymzaal niet wordt vermeld.

11.12.1.

In het akoestisch onderzoek staat dat uit NEN bouwnieuws, nummer 3, juni 2011 blijkt dat het gemiddelde geluidniveau in een sportzaal tussen de 73 en 80 dB(A) bedraagt. In dit onderzoek is een waarde van 80 dB(A) gehanteerd voor het gemiddelde geluidniveau in de gymzaal. Het LAmax in de gymzaal bedraagt 100 dB(A). Met dit binnenniveau is de geluiduitstraling via de noordgevel en het dak van de gymzaal berekend volgens methode II.7 van de ‘Handleiding’.

11.12.2.

In het deskundigenbericht staat dat de woningen aan de Dassenburcht 32 en 34 de voor de geluiduitstraling van de gymzaal meest belaste woningen zijn. De achtergevels van deze woningen zijn georiënteerd op de noordgevel van de gymzaal. De kortste afstand van de noordgevel van de gymzaal tot aan het bouwvlak van de dichtstbijzijnde woning aan de Dassenburcht is ongeveer 17 m. In het akoestisch onderzoek is uitgegaan van reële binnenniveaus in de gymzaal, ervan uitgaande dat er geen muziek wordt gespeeld. Het is echter denkbaar dat er tijdens bepaalde activiteiten luide muziek ten gehore wordt gebracht en in dat geval is "muziek" geen ondergeschikte geluidbron. Rekening houdend met de toeslag voor het muziekgeluid van 10 dB is het denkbaar dat de gestelde grenswaarde van 45 dB(A) voor het LAr,LT in de avondperiode bij de woning op het perceel Dassenburcht 34 wordt overschreden, aldus het deskundigenbericht.

11.12.3.

In het akoestisch onderzoek is gerekend met de geluiduitstraling via de noordgevel en het dak van de gymzaal. Het betoog van [appellant sub 2] en anderen mist in zoverre feitelijke grondslag.

Een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden ter plaatse van de voorziene gymzaal brengt met zich dat er van moet worden uitgegaan dat muziek wordt afgespeeld in de gymzaal tijdens de activiteiten die het plan toestaat. Om die reden is hiermee ten onrechte geen rekening gehouden. In het deskundigenbericht staat dat voor muziekgeluid een toeslag van 10 dB geldt waardoor de grenswaarde voor het LAr,LT wordt overschreden. Voor zover deze activiteit wordt genormeerd door het Activiteitenbesluit milieubeheer is relevant dat weliswaar niet aan de voorgeschreven grenswaarden voor het LAr,LT wordt voldaan, maar dat de raad heeft aangegeven dat maatwerkvoorschriften zoals bedoeld in artikel 2.20, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer worden gesteld. Onder verwijzing naar de uitspraak van 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1879, overweegt de Afdeling dat maatwerkvoorschriften niet al vóór de vaststelling van een bestemmingsplan hoeven te zijn vastgesteld, maar dat de raad er op voorhand in redelijkheid van moet kunnen uitgaan dat de maatwerkvoorschriften stand kunnen houden in een beroepsprocedure. De raad heeft ter zitting onbestreden gesteld dat maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld zoals bijvoorbeeld het installeren van een demper op de muziekinstallatie in de gymzaal. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad derhalve in redelijkheid op voorhand ervan kunnen uitgaan dat de benodigde maatwerkvoorschriften stand kunnen houden in een beroepsprocedure.

Overige geluidbronnen

11.13.

Voorts betogen [appellant sub 2] en anderen dat er in het akoestisch onderzoek ten onrechte van is uitgegaan dat koel- en luchtbehandelingsinstallaties een bronvermogen hebben van 77 dB(A). In eerdere rapporten is namelijk uitgegaan van een bronvermogen van 81 dB(A).

11.13.1.

De raad stelt zich op het standpunt dat voor de berekening van de geluidemmissie van de installaties op basis van vergelijkbare situaties elders representatieve bronvermogens zijn gehanteerd voor dergelijke geluidbronnen. Voorts is in artikel 4, lid 4.3.1, onder d, van de planregels geborgd dat de technische installaties inpandig worden gerealiseerd en het bronvermogen daarvan maximaal 77 dB(A) bedraagt.

11.13.2.

In het akoestisch onderzoek is voor de berekening van de geluidbijdrage door alle installaties een bronvermogen van 81 dB(A) gehanteerd.

11.13.3.

In artikel 4, lid 4.3.1, onder d, van de planregels is gewaarborgd dat de koel- en luchtbehandelingsinstallaties een maximaal bronvermogen mogen hebben van 77 dB(A). In het akoestisch onderzoek is van een hoger bronvermogen uitgegaan. Er bestaat derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat in het akoestisch onderzoek met een te laag bronvermogen voor de koel- en luchtbehandelingsinstallaties is gerekend.

11.14.

Gelet op hetgeen onder 11.10 tot en met 11.13 is overwogen bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het akoestisch onderzoek van onjuiste geluidbronnen uitgaat.

Rekenpunten

11.15. [

appellant sub 2] en anderen betogen voorts dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte niet is onderkend dat de geluidveroorzakende activiteiten tot op de bestemmingsgrens van het IKC kunnen plaatsvinden.

11.15.1.

In het deskundigenbericht staat dat in het akoestisch onderzoek is uitgegaan van de begrenzing van de bestemmingen en aanduidingen op de verbeelding. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat in het akoestisch onderzoek niet is onderkend dat de geluid veroorzakende activiteiten tot op de bestemmingsgrens van het IKC kunnen plaatsvinden.

11.16. [

appellant sub 2] en anderen betogen voorts dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte is gemeten tot de feitelijk aanwezige gevels van de bestaande woningen. Zij voeren aan dat hun woningen kunnen worden uitgebreid en dat tot de grens van de uitbreiding moet worden gemeten. Voorts betogen [appellant sub 2] en anderen dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met geluidoverlast in de tuinen die aan het terrein grenzen waarop het IKC is voorzien.

11.16.1.

In het akoestisch onderzoek is bij de woningen waarvan de achtertuin uitkijkt op het IKC ook de geluidbelasting in de tuin en op de perceelgrenzen bepaald.

11.16.2.

De Afdeling stelt vast dat in het akoestisch onderzoek is gemeten tot aan de perceelgrenzen en dat ook de geluidbelasting in de tuinen bij de woningen die uitkijken op het IKC is bepaald. Het betoog mist derhalve in zoverre feitelijke grondslag.

11.17.

Gelet op hetgeen in 10.15 en 10.16 is overwogen bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat in het akoestisch onderzoek wordt uitgegaan van onjuiste rekenpunten.

Indirecte hinder

11.18. [

appellant sub 2] en anderen betogen voorts dat de indirecte hinder als gevolg van het IKC onjuist is onderzocht in het akoestisch onderzoek. Hiertoe voeren zij aan dat in het akoestisch onderzoek onvoldoende rekening is gehouden met het extra verkeer van bezoekers in de avond- en nachtperiode. Ook is ten onrechte uitgegaan van twee voertuigbewegingen van personeel in de avond, aldus [appellant sub 2] en anderen. Voorts voeren [appellant sub 2] en anderen aan dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met de verkeersbewegingen van de auto’s van de ouders die hun kinderen afzetten en ophalen ter hoogte van het toegangspad naast de Dassenburcht 44. In het akoestisch onderzoek is voorts geen rekening gehouden met het wegdektype, aldus [appellant sub 2] en anderen.

11.18.1.

In het akoestisch onderzoek is getoetst of de geluidbijdrage ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking van het IKC aan de voorkeursgrenswaarde van de Circulaire indirecte hinder voldoet. In het akoestisch onderzoek is rekening gehouden met 91 voertuigbewegingen op de Dassenburcht in de avondperiode (19.00 tot 23.00 uur). Ook is rekening gehouden met 17 voertuigbewegingen op de Dassenburcht in de nachtperiode (23.00 tot 7.00 uur). Voorts is in het akoestisch onderzoek rekening gehouden met 6 voertuigbewegingen van personenauto’s van personeel in de avondperiode. In de berekeningen is ter plaatse van de Dassenburcht uitgegaan van het wegdektype W9a, hetgeen een elementenverharding in keperverband is.

11.18.2.

In het deskundigenbericht staat dat in het akoestisch onderzoek geen rekening is gehouden met het verkeer van de ouders die hun kinderen afzetten en ophalen met de auto ter hoogte van het toegangspad aan de westelijke Dassenburcht. Ook het geluid van stationair draaiende motoren van auto’s ter hoogte van het toegangspad aansluitend op de westelijke Dassenburcht, is niet meegenomen in het akoestisch onderzoek. Het is aannemelijk dat door aldaar geparkeerde auto’s (dichtslaande portieren) hoge piekbelastingen op de woningen aan de Dassenburcht 15-37 worden veroorzaakt. Niet ondenkbaar is dat de norm voor de maximale geluidbelasting in de avond- en nachtperiode wordt overschreden. Het is aannemelijk dat op deze straat in de avond en nacht auto’s van bewoners en bezoekers van de woningen worden geparkeerd. Het piekgeluid vanwege dichtslaande portieren van de op westelijke Dassenburcht geparkeerde auto’s van bezoekers aan het IKC is in de praktijk derhalve niet te onderscheiden van dezelfde piekgeluiden van de auto’s van bewoners en bezoekers van woningen aan dit deel van de Dassenburcht. Niettemin zal de frequentie van deze piekgeluiden dan wel toenemen.

11.18.3.

De Afdeling stelt vast dat in het akoestisch onderzoek rekening is gehouden met extra verkeer van bezoekers in de avond- en nachtperiode waarbij is uitgegaan van 6 voertuigbewegingen van personenauto’s van personeel in de avondperiode. Voorts is rekening gehouden met het wegdektype W9a. [appellant sub 2] en anderen hebben niet gemotiveerd waarom dit onjuist is.

Onder 10.7.6 heeft de Afdeling overwogen dat zij aanleiding ziet om zelfvoorziend een planregel vast te stellen die ertoe zal strekken dat de gronden met de bestemming "Maatschappelijk" slechts in gebruik mogen worden genomen ten behoeve van de doeleinden in artikel 4, lid 4.1, van de planregels indien ter hoogte van de westelijke Dassenburcht in een gesloten hekwerk wordt voorzien. Hierdoor zal het plan in zoverre aansluiten op hetgeen in het akoestisch onderzoek is onderzocht. Er bestaat derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met de verkeersbewegingen van de auto’s van de ouders die hun kinderen afzetten en ophalen ter hoogte van het toegangspad naast de Dassenburcht 44.

11.19.

Gelet op hetgeen in 11.18 is overwogen bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de indirecte hinder in het akoestisch onderzoek onjuist is onderzocht. Voorts bestaat er gelet op de overwegingen 11.2 tot en met 11.18 geen aanleiding voor het oordeel dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de raad zich niet op de resultaten hieruit heeft kunnen baseren.

Resultaten akoestisch onderzoek

11.20. [

appellanten sub 1] en [appellant sub 2] en anderen betogen voorts dat in het akoestisch onderzoek reeds staat aangegeven dat niet wordt voldaan aan de in het Activiteitenbesluit milieubeheer neergelegde normen voor piekgeluiden. [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat een dergelijke overschrijding in het kader van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbaar is.

11.20.1.

De raad baseert zich op de resultaten uit het akoestisch onderzoek. Hieruit volgt dat wordt voldaan aan de normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer voor het LAr,LT. Aan de normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer voor het LAmax wordt niet bij alle onderzochte woningen voldaan. De raad stelt zich op het standpunt dat deze geringe overschrijdingen niet leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. De raad verwijst naar paragraaf 5.1.5.3 van de plantoelichting met betrekking tot de door de raad gemaakte belangenafweging.

11.20.2.

In paragraaf 5.1.5.3 van de plantoelichting staat dat bij een tweetal woningen (Dassenburcht 30 en 44) de overschrijding van de grenswaarden voor het LAmax wordt veroorzaakt door schreeuwende kinderen op het schoolterrein. Bij de woningen aan de Dassenburcht 39-53 en 42 wordt de berekende overschrijding veroorzaakt doordat auto's gebruik maken van de bestaande parkeervoorziening aan de Dassenburcht. Omdat het een bestaande parkeervoorziening betreft zal in de huidige situatie ook al sprake zijn van vergelijkbare maximale geluidniveaus. Door de komst van het IKC zullen de maximale geluidniveaus ten gevolge van deze parkeervoorziening niet wijzigen. De hiervoor aangehaalde relatief geringe overschrijdingen leiden niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat, aldus de plantoelichting.

11.20.3.

In het akoestisch onderzoek staat dat uit de toetsing van de berekende LAr,LT blijkt dat de berekende geluidbijdrage in de dag-, avond- en nachtperiode op de grenzen van het bouwvlak van de bestaande woningen voldoet aan de normstelling van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Uit de toetsing van de berekende LAmax aan de grenswaarden van het Activiteitenbesluit milieubeheer blijkt dat in de dag-, avond- en nachtperiode sprake is van geluidniveaus die hoger zijn dan de grenswaarden. Gedurende de dagperiode wordt ter plaatse van de percelen Dassenburcht 30 en 44 het LAmax met 1 dB(A) overschreden. Gedurende de nachtperiode wordt ter plaatse van de percelen Dassenburcht 39 tot en met 53 en 42 het LAmax met 2 onderscheidenlijk 5 dB(A) overschreden. De overschrijdingen ter plaatse van de woningen aan de Dassenburcht kunnen worden veroorzaakt door schreeuwende kinderen gedurende de dagperiode in de fietsenstalling en op het schoolterrein en dichtslaande autoportieren op de bestaande parkeervoorzieningen aan de Dassenburcht.

11.20.4.

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat er als gevolg van dit plan overschrijdingen van het maximale geluidniveau LAmax kunnen optreden ter plaatse van de percelen Dassenburcht 30, 39, 42, 44 en 53. Deze mogelijke overschrijdingen worden veroorzaakt door schreeuwende kinderen in de fietsenstalling en op het schoolterrein en dichtslaande autoportieren op de bestaande parkeervoorzieningen aan de Dassenburcht. Bij het bezien of het IKC voldoet aan de grenswaarden zoals die zijn opgenomen in artikel 2.17, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer hoeven deze activiteiten op zichzelf niet te worden meegerekend. Het dichtslaan van autoportieren valt namelijk niet onder een activiteit zoals genoemd in artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Voorts blijft bij het bepalen van de geluidniveaus bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang of van een inrichting voor primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs, buiten beschouwing. Dit neemt niet weg dat de raad de overschrijdingen van het LAmax wel dient te beoordelen in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Hieromtrent heeft hij een afweging gemaakt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat overschrijding van het maximale geluidniveau LAmax als gevolg van menselijk stemgeluid slechts sporadisch voorkomt. Ook heeft de raad geen doorslaggevende betekenis hoeven toekennen aan de overschrijdingen als gevolg van een dichtslaand autoportier op de bestaande parkeervoorzieningen aan de Dassenburcht. Deze parkeervoorzieningen worden weliswaar geïntensiveerd gebruikt als gevolg van het realiseren van het IKC, maar thans is ook een parkeervoorziening ter plaatse aanwezig. Het is voorts niet aannemelijk dat de geluidgevolgen van het voorziene IKC ter plaatse van de percelen van [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3] zodanig groot zijn dat de raad hieraan meer gewicht had moeten toekennen dan aan het belang bij de realisering van het IKC.

Maatregelen om geluidhinder te beperken

11.21. [

appellant sub 2] en anderen hebben voorts betoogd dat ten noorden van de woningen Dassenburcht 40 en 44 een soortgelijke erfafscheiding moet worden voorzien als ten noorden van de fietsenstalling is opgenomen.

11.21.1.

Aan het plandeel ten noorden van de percelen Dassenburcht 40 en 44 is de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - 2" toegekend. Ingevolge artikel 4, lid 4.3.1, in samenhang gelezen met lid 4.2.3, onder b, sub 4, van de planregels mogen de gronden met de bestemming "Maatschappelijk" uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van de doeleinden in artikel 4, lid 4.1, van de planregels indien ter plaatse van dat plandeel een geluidwerende voorziening met een minimale bouwhoogte van 2,3 m en een maximale bouwhoogte van 3 m wordt gerealiseerd. Voor het plandeel ten noorden van de fietsenstalling geldt een soortgelijk regiem met dien verstande dat de minimale bouwhoogte 1 m moet bedragen en de maximale bouwhoogte 2 m. Nog daargelaten dat niet valt in te zien op welke wijze een beter geluidklimaat ter plaatse van de percelen Dassenburcht 40 en 44 ontstaat door een minder hoge geluidwerende voorziening, is onder 11.20.4 overwogen dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de akoestische gevolgen van het voorziene IKC ter plaatse van de percelen van [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3] aanvaardbaar zijn. Hieronder is ook het geluidklimaat ter plaatse van de percelen Dassenburcht 40 en 44 begrepen. Om die reden heeft de raad er in redelijkheid van kunnen afzien om een andersluidende voorwaardelijke verplichting in het plan op te nemen die geldt voor het plandeel ten noorden van de percelen Dassenburcht 40 en 44.

Het betoog faalt.

Lichthinder

12. Voorts betogen [appellant sub 2] en anderen dat de lichtuitstraling vanuit het voorziene IKC in de avonduren leidt tot onaanvaardbare lichthinder ter plaatse van hun woningen.

12.1.

De raad stelt zich op het standpunt dat hij de lichthinder ter plaatse van de woningen van [appellant sub 2] en anderen aanvaardbaar vindt. Hiertoe voert hij aan dat de lichthinder in grote mate vergelijkbaar is met de lichthinder die ondervonden werd van de basisschool die was toegestaan op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan. Ook voert de raad aan dat gelet op het toegestane gebruik de lichtuitstraling vanuit het gebouw slechts gedurende een beperkte periode in de avond plaatsvindt. Voorts wijst de raad er op dat de voorziene ontwikkeling plaatsvindt in een stedelijke omgeving.

12.2.

In het deskundigenbericht staat dat gelet op de bestaande inrichting van de percelen en de oriëntatie van de woningen aan de Dassenburcht lichthinder vanwege de gymzaal niet is te verwachten.

12.3.

In de zienswijze op het deskundigenbericht voeren [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3] aan dat de klaslokalen niet slechts zeer sporadisch worden gebruikt. Hiertoe voeren zij aan dat het hele jaar rapport- en ouderavonden worden gehouden waarvoor ook de eerste verdieping van het schoolgebouw wordt gebruikt. Ook zal de binnenverlichting van het schoolgebouw in het najaar en de winter voor lichthinder zorgen omdat de buitenschoolse opvang van 07:00 tot 18:30 uur is geopend. Ook voeren zij aan dat de woningen op de percelen Dassenburcht 26 tot en met 34 met de achtergevel en achtertuinen evenwijdig aan de geplande noordgevel van het IKC zijn gesitueerd waardoor lichthinder vanwege de gymzaal wel degelijk is te verwachten. Voorts is geen sprake van een stedelijke omgeving, aldus [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3].

12.4.

Het zuidelijke gedeelte van het bouwvlak ligt op een afstand van ongeveer 13 m tot de dichtstbijzijnde woning op het perceel Dassenburcht 40. Het noordelijk gedeelte van het bouwvlak ligt op een afstand van ongeveer 16 m tot de dichtstbijzijnde woning op het perceel Dassenburcht 34.

12.5.

Vast staat dat ter plaatse van het plangebied voorheen een basisschool was toegestaan. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat dit plan tot een intensivering van het gebruik kan leiden, zo zijn recreatieve sportactiviteiten in de gymzaal toegestaan op grond van dit plan. Het is daardoor niet uitgesloten dat de lichthinder als gevolg van dit plan kan toenemen. De raad acht deze toename aanvaardbaar. De raad heeft hierbij in redelijkheid kunnen betrekken dat op grond van het voorheen geldende plan reeds een basisschool was toegestaan op ongeveer dezelfde afstand tot de woningen aan de Dassenburcht waardoor destijds door omwonenden eveneens lichthinder moest worden geduld. Ook heeft de raad in zijn afweging in redelijkheid kunnen betrekken dat de lichtuitstraling vanuit het gebouw gedurende een beperkte periode in de avond plaatsvindt. Het argument van [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3] dat het hele jaar rapport- en ouderavonden worden gehouden is naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk. Dit zijn naar zijn aard geen activiteiten die iedere avond het hele jaar door plaatsvinden. Voorts heeft de raad geen zwaarder gewicht hoeven toekennen aan het gegeven dat de buitenschoolse opvang tot 18:30 uur is geopend waardoor in het najaar en de winter wellicht meer lichthinder is te dulden gedurende deze uren. Hierbij heeft de raad in redelijkheid kunnen betrekken dat deze lichthinder plaatsvindt in de vroege avonduren. Voorts heeft de raad gewicht kunnen toekennen aan de bestaande omgeving waarin het IKC is voorzien. Het IKC is namelijk voorzien in een wijk waarin veel woningen staan waardoor te verwachten is dat daardoor reeds een zekere mate van lichthinder optreedt. Gelet op de hiervoor behandelde argumenten die de raad ten grondslag heeft gelegd aan zijn standpunt en mede in aanmerking genomen de afstand tussen het bouwvlak en de meest dichtbijzijnde woningen, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het voorziene IKC niet tot onaanvaardbare lichthinder ter plaatse van de omliggende woningen leidt.

Het betoog faalt.

Bezonning

13. [appellant sub 2] en anderen betogen voorts dat het voorziene IKC leidt tot een onaanvaardbare vermindering van bezonning in de woningen en tuinen op de percelen Dassenburcht 26 tot en met 44. Hiertoe voeren zij aan dat de raad zich ten onrechte baseert op een bezonningsstudie waarin de bezonningssituatie zoals die kan ontstaan door dit plan wordt vergeleken met de bezonningssituatie ten tijde van het voorheen geldende bestemmingsplan. De bezonningssituatie ten tijde van het voorheen geldende plan is hierin namelijk onjuist onderzocht, aldus [appellant sub 2] en anderen. Hiertoe voeren zij aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de maximale goothoogte van 3 m en een bebouwingspercentage van 100 in plaats van 70% zoals dat in het voorheen geldende plan was toegestaan.

13.1.

De raad stelt zich op het standpunt dat de gevolgen van het bouwplan voor de bezonning aanvaardbaar zijn. Om de gevolgen voor de bezonning van de percelen inzichtelijk te maken is een bezonningsstudie gemaakt waarin de maximale bouwmogelijkheden van dit plan worden vergeleken met de maximale bouwmogelijkheden van het voorheen geldende plan. De raad stelt onder verwijzing naar de plantoelichting en het "Overzicht effecten bezonningsstudie IKC Padbroek" van 5 november 2015 dat de schaduweffecten van de bebouwingsmogelijkheden van dit plan deels vergelijkbaar zijn met die van het voorheen geldende plan. Voor het overige is sprake van een verbetering.

13.2.

Aan het plandeel ter plaatse van het voorziene IKC was in het voorheen geldende bestemmingsplan de bestemming "Maatschappelijke doeleinden M" met de aanduiding "M13 onderwijsdoeleinden" toegekend. In de planregels was bepaald dat hoofdgebouwen uitsluitend binnen een bouwvlak mochten worden gebouwd, dat het maximale bebouwingspercentage niet mocht wordt overschreden en dat de bouwhoogte niet meer mocht bedragen dan de op de plankaart aangegeven bouwhoogte. Op de plankaart was een aanduiding toegekend waardoor een bebouwingspercentage van 70 gold. Voorts gold blijkens de aanduiding op de plankaart voor het bouwvlak een maximale bouwhoogte van 10 m en een maximale goothoogte van 3 m.

13.3.

In paragraaf 3.4.6 van de plantoelichting staat dat het woon- en leefklimaat van omwonenden kan worden beïnvloed door de komst van het nieuwe schoolgebouw. Het bureau SRO uit Arnhem heeft een bezonningsstudie gemaakt. Hierin is uitgegaan van de maximale mogelijkheden van het voorheen geldende bestemmingsplan. In het model is uitgegaan van een dakvlak met een hellingshoek van 60º en een volledig bebouwd bouwvlak.

Op basis van de bezonningsstudie is een overzicht gemaakt van de woningen die schaduw ontvangen vanaf het schoolterrein. Daarbij is elke schaduwval op een woonperceel meegeteld. Vanuit de bezonningsstudie en het overzicht zijn de volgende conclusies afgeleid:

1. Alle modellen laten zien dat de woningen aan de Wolfskuil en Dassenburcht 40, 42 en 44 op geen moment schaduw ontvangen.

2. De modellen van het ontwerpbestemmingsplan en de ontwerp omgevingsvergunning laten zien dat diverse woonpercelen aan de Dassenburcht in meer of mindere mate schaduw ontvangen op 21 maart om 8:00 uur, op 21 september om 8:00 uur en op 21 december om 8:00 uur, 11:00 uur en 14:00 uur. Op de overige onderzochte dagen en tijdstippen is er geen sprake van schaduw vanaf het schoolterrein op omliggende woonpercelen.

3. De woningen Dassenburcht 26, 28, 30 en 32 ontvangen in meer of mindere mate schaduw op het achtererf en/of de achtergevel op 21 december.

4. De woning Dassenburcht 34 ontvangt in meer of mindere mate schaduw op het achtererf en/of de achtergevel op 21 maart, 21 september en 21 december.

5. De woning Dassenburcht 32 ontvangt op 21 december gedurende de hele dag schaduw op het achtererf en de achtergevel (modellen ontwerpbestemmingsplan en ontwerp omgevingsvergunning).

13.4.

In het deskundigenbericht staat dat in de bezonningsstudie is uitgegaan van de juiste planologische situaties. Het uitgangspunt om de bezonningssituatie in de wintermaanden in een stedelijk gebied buiten beschouwing te laten is in het algemeen gebruikelijk. De zon staat in die periode namelijk zeer laag en bebouwing en begroeiing werpen derhalve zeer lange schaduwen. Het is daarom gebruikelijk om naar de bezonningssituatie te kijken in het voorjaar, zomer en najaar. Op grond van de gemaakte bezonningsstudies wordt vastgesteld dat de woning Dassenburcht 34 in het voor- en najaar enige schaduwhinder vanwege de nieuwbouw kan ondervinden in de ochtenduren tot maximaal 11:00 uur met dien verstande dat de reeds aanwezige opgaande begroeiing ook een aanzienlijke deel van de schaduwwerking zal veroorzaken. Deze schaduwwerking vindt gedurende de ochtend plaats op een steeds kleiner deel van het perceel.

13.5.

In de bezonningsstudie is rekening gehouden met het uitgangspunt dat ten tijde van het voorheen geldende plan een gebouw mocht worden gerealiseerd met een plat dak. [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3] betogen dat dit onjuist is. In dit verband hebben zij ter zitting toegelicht dat door het opnemen van een goothoogte in het voorheen geldende plan uitsluitend een punt dak mocht worden gerealiseerd. De raad heeft zich onder verwijzing naar artikel 2, lid 2.2, van de voorschriften behorend bij het voorheen geldende plan, terecht op het standpunt gesteld dat een plat dak onder het voorheen geldende planologisch regime was toegestaan. Op grond van dat artikel is namelijk voor het vaststellen van de goothoogte de snijlijn van elk dakvlak met elk daaronder gelegen buitenwerks gevelvlak relevant. Hierdoor wordt niet een bepaald type dakvlak voorgeschreven. De Afdeling stelt voorts vast dat op de plankaart behorend bij het voorheen geldende plan een aanduiding was toegekend waardoor een bebouwingspercentage van 70% gold. Dit brengt met zich dat op grond van het voorheen geldende plan 70% van het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden M" mocht worden bebouwd. De raad heeft onbestreden gesteld dat het bouwvlak 68% van dat plandeel besloeg. Door in de bezonningsstudie uit te gaan van volledige bebouwing van het bouwvlak heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in zoverre rekening gehouden met een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding om aan de juistheid van de bezonningsstudie te twijfelen. Voorts is de Afdeling mede gelet op hetgeen hierover in het deskundigenbericht staat, van oordeel dat de raad zich onder verwijzing naar de bezonningsstudie in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat dit plan een geringe toename van de schaduwwerking op de percelen van [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3] tot gevolg heeft. Gelet hierop, mede in aanmerking genomen dat het IKC is voorzien in een omgeving met gebouwen met ongeveer dezelfde bouwhoogte en het voorheen geldende plan ook bebouwing toestond, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit plan niet leidt tot onaanvaardbare schaduwwerking op de percelen van [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3].

Het betoog faalt.

Uitzicht

14. Voorts betogen [appellant sub 2] en anderen dat het voorziene IKC tot een onaanvaardbare aantasting van hun uitzicht leidt. Hiertoe voeren zij aan dat het voorziene IKC een grotere omvang heeft dan hetgeen thans aanwezig is en sterk dominant is in de omgeving.

14.1.

De raad stelt zich op het standpunt dat dit plan niet tot een onaanvaardbare aantasting van het uitzicht van omwonenden leidt. Hierbij betrekt hij dat weliswaar delen van het schoolterrein en -gebouw zichtbaar zullen zijn vanaf de woonpercelen, maar dat het zicht is beperkt door bebouwing op die woonpercelen. Voorts zijn de zichtbare gevelhoogtes niet afwijkend van de gemiddelde woningbouw in de omgeving. Ook stond het voorheen geldende plan reeds vergelijkbare bebouwing toe, aldus de raad.

14.2.

In het deskundigenbericht staat dat het uitzicht van omwonenden niet noemenswaardig zal wijzigen ten opzichte van de oude situatie dan wel de situatie die op grond van het vorige plan kon worden gerealiseerd.

14.3.

In de zienswijze op het deskundigenbericht voeren [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3] aan dat het uitzicht wel degelijk zal wijzigen. Hiertoe voeren zij aan dat dit plan een groter bouwvlak toestaat met een hogere bouwhoogte. Voorts voeren zij aan dat aan de zuidzijde van het bouwvlak in het voorheen geldende bestemmingsplan een inham van 9 x 28 m was opgenomen waar niet mocht worden gebouwd. Dat oppervlak mag op grond van dit plan worden bebouwd waarbij een bouwhoogte van maximaal 10 m geldt. Het gevolg is dat het uitzicht vanaf de percelen Dassenburcht 40, 42 en 44 enorm wordt aangetast.

14.4.

Vast staat dat het uitzicht dat [appellant sub 2] en anderen op dit moment feitelijk hebben, als gevolg van dit plan kan wijzigen. Het planologisch regime dat ter plaatse van het plangebied geldt, verandert echter slechts in geringe mate. De toegestane bouwhoogte verandert niet en het plan staat slechts een geringe toename van de goothoogte en een geringe uitbreiding van het bouwvlak toe. Gelet hierop en de afstand tussen de woningen en het IKC als ook de bebouwde omgeving waarin het IKC en de woningen staan, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen aan het voorzien in de ontwikkeling die in het plan wordt toegestaan dan aan de belangen van [appellant sub 2] en anderen bij het behoud van hun uitzicht.

Het betoog faalt.

Privacy

15. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] en anderen betogen dat het voorziene IKC leidt tot een onaanvaardbare aantasting van hun privacy in hun tuinen en woningen. Hiertoe voeren zij aan dat het plan een open buitentrap toestaat van waaruit direct zicht op de woningen en tuinen bestaat. Ook betogen zij dat in het plan ten onrechte niet is opgenomen dat de ramen in het voorziene IKC moeten worden uitgevoerd in matterend glas waardoor het zicht vanuit het gebouw wordt beperkt.

15.1.

De raad stelt zich op het standpunt dat gelet op de afstand tussen het voorziene IKC en de woningen van [appellant sub 2] en anderen hun privacy niet onaanvaardbaar wordt aangetast. Om de aantasting van de privacy te beperken is naar aanleiding van de zienswijze van [appellant sub 2] en anderen de bouw van buitentrappen binnen 20 m van een woonperceel uitgesloten, aldus de raad. De raad ziet geen aanleiding om een voorwaardelijke verplichting in het plan op te nemen die ertoe strekt dat de ramen in het voorziene IKC moeten worden uitgevoerd in matterend glas.

15.2.

In het deskundigenbericht staat dat een aantasting van de privacy niet is te verwachten gelet op de bestaande inrichting van de percelen met bestaande bebouwing en hoog opgaand groen en de oriëntatie van de woningen aan de Dassenburcht.

15.3.

In de zienswijze op het deskundigenbericht voeren [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3] aan dat de woningen op de percelen Dassenburcht 26 tot en met 34 met de achtergevel en achtertuinen evenwijdig aan de geplande noordgevel van het IKC zijn gesitueerd waardoor aantasting van de privacy wel degelijk is te verwachten. Ook voeren zij aan dat vanuit de eerste verdieping van het IKC de inkijk in de woningen groot zal zijn. Voorts stellen zij dat geen bebouwing aanwezig is tussen de woningen en het IKC en dat de aanwezige begroeiing in het najaar en de winter geen blad heeft.

15.4.

Hoewel er feitelijk wellicht een verandering optreedt met betrekking tot de privacy ter plaatse van de woningen van [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3], vindt planologisch geen grote verandering plaats. Het is echter niet uitgesloten dat de privacy van omwonenden wordt aangetast als gevolg van dit plan. Om deze aantasting zoveel mogelijk tegen te gaan is in artikel 4, lid 4.2.3, onder d, van de planregels opgenomen dat de afstand van een buitentrap tot woonpercelen minimaal 20 m moet zijn. Gelet hierop en de afstand van ongeveer 13 m tussen de dichtstbijzijnde woning op het perceel Dassenburcht 40 en het IKC, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de privacy ter plaatse van de woningen van [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3]. Om die reden heeft de raad er in redelijkheid van kunnen afzien om een voorwaardelijke verplichting in het plan op te nemen die ertoe strekt dat de ramen in het voorziene IKC worden uitgevoerd in matterend glas.

Het betoog faalt.

Verdwijnen van bestaande bomen

16. Voorts betogen [appellant sub 2] en anderen dat ten onrechte bestaande gezonde bomen worden gerooid. Hierdoor wordt het groene karakter van de wijk onaanvaardbaar aangetast. Ook heeft dit negatieve gevolgen voor de luchtkwaliteit.

16.1.

In het deskundigenbericht staat dat de effecten van de bestaande of nieuwe bomen aan het Hagelkruis op de luchtkwaliteit, de flora en fauna en de waterhuishouding vergelijkbaar zullen zijn met de huidige situatie.

16.2.

Ten tijde van de vaststelling van het plan stond vast dat wellicht enkele bomen moeten worden gerooid als gevolg van de in het plan voorziene ontwikkeling. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad hieraan geen doorslaggevend gewicht hoeven toekennen. Hierbij heeft hij in redelijkheid kunnen betrekken dat het rooien van enkele bomen niet met zich brengt dat reeds daardoor het groene karakter van de wijk en de luchtkwaliteit onaanvaardbaar worden aangetast. Voorts is ter zitting gebleken dat inmiddels vergunning is verleend voor het rooien van 12 bomen met een terugplantplicht op het Hagelkruis. De bestemming "Verkeer" staat hieraan niet in de weg.

Het betoog faalt.

Conclusie woon- en leefklimaat

17. Gelet op hetgeen is overwogen in de overwegingen 10 tot en met 16 heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit plan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de percelen van [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3]. Voorts heeft de raad een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het belang dat gemoeid is bij de doorgang van dit plan dan de belangen van [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3] bij een ongewijzigd woon- en leefklimaat.

Het betoog faalt.

Verkeer

18. Voorts betogen [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3] dat het plan leidt tot een onaanvaardbare verkeerssituatie. Zij stellen dat de verkeersgevolgen van dit plan onjuist zijn onderzocht. [appellant sub 2] en anderen voeren in dit verband aan dat ten onrechte geen verkeersplan is opgesteld voor het IKC en het beweegpark. Voorts stellen zij dat verkeersprognoses die in de verkeerskundige toets worden aangehaald, geen rekening houden met dit plan.

Ook voeren [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] en anderen aan dat de Dassenburcht ongeschikt is voor de afwikkeling van de verkeersstroom als gevolg van het IKC. Deze verslechterde doorstroming leidt ertoe dat de woningen aan de Dassenburcht minder goed bereikbaar zijn voor nooddiensten. [appellant sub 2] en anderen betogen voorts dat de verkeerskundige toets ten onrechte uitgaat van een knip/afsluiting van de Dassenburcht, terwijl dit in het plan niet is opgenomen.

Ook leidt dit plan tot knelpunten op het Hagelkruis, doordat de doorstroming wordt geblokkeerd door in de rij staande auto’s, aldus [appellant sub 2] en anderen. Ook voeren zij aan dat in de verkeerskundige toets ten onrechte rekening wordt gehouden met verkeersmaatregelen die genomen worden op het Hagelkruis. In dit verband voeren zij aan dat de besluiten hiertoe nog niet zijn genomen. Voorts stellen [appellant sub 2] en anderen dat de zogenoemde kiss-and-ride strook onveilig is. In dit kader stellen zij dat de kiss-and-ride strook te smal is en niet voldoet aan de eisen die door de ANWB worden gesteld.

18.1.

De raad stelt zich onder verwijzing naar het rapport "IKC Padbroek, Verkeerskundige toets herinrichting schoolomgeving", van 10 november 2015 opgesteld door Exante (hierna: Verkeersrapport), op het standpunt dat de verkeerssituatie als gevolg van dit plan aanvaardbaar is. De raad betwist niet dat de Dassenburcht niet geschikt is om het IKC volledig te ontsluiten. Om die reden is ingezet op het geschikt maken van het Hagelkruis en het zoveel mogelijk buiten schot houden van de Dassenburcht. In dit verband is overwogen om de Dassenburcht op te knippen. Dit is niet in het voorstel opgenomen vanwege het gebrek aan draagkracht onder de omwonenden. In plaats daarvan is een plateau voorzien bij de toegang tot de Dassenburcht. Met betrekking tot de kiss-and-ride strook voert de raad aan dat dit een normale parkeerstrook is die verbreed wordt uitgevoerd en waar kort parkeren wordt gestimuleerd. Voorts voert de raad aan dat de voor de uitvoering van het herinrichtingsplan benodigde verkeersbesluiten direct voorafgaand aan de aanleg van de noodzakelijke maatregelen worden genomen.

18.2.

In het Verkeersrapport worden de verkeerskundige gevolgen van de ontwikkeling van het IKC beschreven. Het gemeentelijke verkeersbeleid is vastgelegd in het Verkeer- en Vervoerplan gemeente Cuijk (hierna: VVP). De Dassenburcht en het Hagelkruis behoren beiden tot de categorie erftoegangsweg (30 km/uur). Het Hagelkruis heeft hierbij de functie als wijkontsluitingsweg. De wegen zijn ingericht volgens de bijbehorende herkenbaarheidskenmerken van Duurzaam Veilig. Beide wegen hebben een toelaatbare intensiteit van 3.000 motorvoertuigbewegingen (hierna: mvt) per etmaal. De prognose voor de verkeersintensiteit op de Dassenburcht noord en zuid in 2030 is voor beide een intensiteit van 213 mvt per etmaal. Voor het Hagelkruis ter hoogte van het IKC is de prognose 1.400 mvt per etmaal. De intensiteiten van de wegen rondom het IKC vallen ruim binnen de marges die volgens het VVP acceptabel zijn voor het type weg. Door de samenvoeging van de basisscholen treedt naar verwachting een beperkte verschuiving op omdat het verkeer niet meer naar het zuiden van de wijk Padbroek rijdt maar naar het IKC. Vanuit het oogpunt van verkeersintensiteiten zijn de veranderingen minimaal. De belangrijkste piekmomenten voor het IKC zijn gerelateerd aan de schooltijden. Het IKC genereert in totaal 593 verkeersbewegingen. Het Hagelkruis oost is de belangrijkste ontsluitingsroute voor het IKC. Het ontwerp van de schoolomgeving is zodanig ingericht dat de verkeersafwikkeling en het halen en brengen op het Hagelkruis plaats vindt. Naar verwachting maakt verkeer gebruik van het circuit op de Dassenburcht om kinderen te brengen en halen. Om dit te voorkomen wordt de aanbeveling gedaan om op de westelijke Dassenburcht, ter hoogte van de toegang tot het schoolplein, een knip/afsluiting aan te brengen.

18.3.

In het deskundigenbericht staat dat de verkeersintensiteit op de Dassenburcht kan toenemen, omdat niet voorkomen wordt dat bezoekers van het IKC gebruik gaan maken van deze straat. Hoewel de capaciteit van de weg groot genoeg is om een (veel) hogere etmaalintensiteit dan de huidige 213 mvt per etmaal te verwerken, is niet uitgesloten dat aan het begin en het eind van een schooldag verkeersproblemen ontstaan op het westelijk deel van de Dassenburcht. In het deskundigenbericht wordt opgemerkt dat het onduidelijk is op grond waarvan de raad meent dat een plateau voorkomt dat kinderen via de westelijke Dassenburcht worden gehaald en gebracht. Een plateau is namelijk een verkeersmaatregel die genomen wordt om de snelheid te remmen en niet om het aantal verkeersbewegingen te beperken. In het deskundigenbericht staat voorts dat de verkeersintensiteit op de wijkontsluitingsweg Hagelkruis niet noemenswaardig zal wijzigen, omdat het IKC voorziet in het samenvoegen van twee basisscholen die ook in de oude situatie via het Hagelkruis werden ontsloten. Met betrekking tot de kiss-and-ride strook staat in het deskundigenbericht dat die een breedte krijgt van 2,7 m in plaats van 1,8 m zoals een reguliere parkeerstrook die krijgt. Met een dergelijke breedte kunnen autoportieren worden geopend zonder dat ze over de rijbaan zwaaien. Hierdoor is de verkeersveiligheid niet in het geding. Met betrekking tot de aanbevelingen van de ANWB wordt in het deskundigenbericht opgemerkt dat alleen niet wordt voldaan aan de aanbeveling dat de kiss-and-ride strook het beste kan worden uitgevoerd als rotonde ter bevordering van de doorstroming. In het deskundigenbericht wordt hierover opgemerkt dat dit niet van doorslaggevende betekenis is omdat de verkeersintensiteit op het Hagelkruis ver onder de capaciteit van de weg ligt en eventuele doorstromingsproblemen, als die al optreden, van korte duur zullen zijn.

18.4.

In de zienswijze op het deskundigenbericht voeren [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3] aan dat de verkeersintensiteit op het Hagelkruis flink toeneemt als gevolg van dit plan. Hiertoe voeren zij aan dat de basisschool de Harlekijn in het zuidwestelijke deel van het Hagelkruis ligt waardoor het verkeer meer gebruik maakt van het westelijke en zuidelijke deel van het Hagelkruis en niet van het oostelijke deel.

18.5.

De Afdeling overweegt dat de raad in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen verkeersplan op te stellen voor het IKC en het beweegpark. Het beweegpark is immers niet in dit plan voorzien. Ook bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat de prognoses voor de verkeersintensiteit in 2030 onjuist zijn indien niet specifiek rekening is gehouden met het beweegpark. Op de plek waar het beweegpark is voorzien was voorheen namelijk reeds een park aanwezig en niet aannemelijk is geworden dat het beweegpark een grotere verkeersaantrekkende werking heeft. Vast staat dat in de prognoses voor de verkeersintensiteit in 2030, zoals die zijn opgenomen in het Verkeersrapport, geen rekening is gehouden met het onderhavige plan. In het Verkeersrapport zijn deze prognoses namelijk opgenomen om te bezien hoe de verkeerstoename als gevolg van het IKC zich hiertoe verhoudt.

In het deskundigenbericht is geconstateerd dat op piekmomenten op de westelijke Dassenburcht verkeersopstoppingen kunnen ontstaan. De Afdeling heeft echter reeds onder 11.7.6 overwogen dat zij aanleiding ziet om zelfvoorziend een planregel vast te stellen die ertoe zal strekken dat de gronden met de bestemming "Maatschappelijk" slechts in gebruik mogen worden genomen ten behoeve van de doeleinden in artikel 4, lid 4.1, van de planregels indien ter hoogte van de westelijke Dassenburcht in een gesloten hekwerk wordt voorzien. Hierdoor zal de verkeersintensiteit op de westelijke Dassenburcht lager zijn dan die waarvan in het Verkeersrapport en het deskundigenbericht is uitgegaan. Daarmee is wellicht niet uitgesloten dat op kortstondige piekmomenten verkeeropstoppingen kunnen ontstaan, mede gelet op het parkeerterrein ter plaatse van de Wolfskuil die aan de noordelijke Dassenburcht grenst. Gelet echter op de ruime marge tussen de verwachte verkeersintensiteit op de Dassenburcht als gevolg van het IKC en de maximaal toelaatbare intensiteit voor de Dassenburcht, is het onaannemelijk dat de doorstroming op de Dassenburcht dusdanig verslechtert dat de woningen aan de Dassenburcht minder goed bereikbaar zijn voor nooddiensten. Ook heeft de raad de verkeersintensiteit in redelijkheid aanvaardbaar kunnen vinden omdat de kortstondige piekmomenten zich slechts twee keer per dag voordoen. De raad heeft derhalve geen aanleiding hoeven zien om in de planregels te borgen dat een knip/afsluiting of een andere verkeersmaatregel wordt gerealiseerd.

Door de raad is niet weersproken dat de basisschool de Harlekijn in het zuidwestelijke deel van het Hagelkruis ligt waardoor het verkeer meer gebruik maakt van het westelijke en zuidelijke deel van het Hagelkruis en niet van het oostelijke deel. Hierdoor is het aannemelijk dat de verkeersintensiteit op het Hagelkruis zal toenemen als gevolg van dit plan. Dit brengt echter niet met zich dat sprake is van een onaanvaardbare verkeerintensiteit op het Hagelkruis als gevolg van dit plan. Gelet op de grote marge tussen de verwachte verkeersintensiteit en de maximaal toelaatbare intensiteit heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling namelijk in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verwachte verkeersintensiteit als gevolg van het IKC op het Hagelkruis aanvaardbaar is.

Met betrekking tot de verkeersmaatregelen die worden genomen op het Hagelkruis heeft de raad aangekondigd dat deze besluiten direct voorafgaand aan de realisering van het plan worden genomen. De raad heeft deze maatregelen om die reden in zijn afweging omtrent de verkeersveiligheid als gevolg van dit plan mogen betrekken. Voorts is het gelet op hetgeen hierover in het deskundigenbericht is opgemerkt, niet aannemelijk dat de kiss-and-ride strook tot verkeersonveilige situaties leidt. De raad heeft zich gelet op het voorgaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit plan niet leidt tot een onaanvaardbare verkeerssituatie.

Het betoog faalt.

Parkeren

19. [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3] betogen voorts dat dit plan tot een tekort aan parkeerplaatsen leidt. Zij voeren aan dat bij het berekenen van de benodigde hoeveelheid parkeerplaatsen ten onrechte geen rekening is gehouden met de bestaande parkeerbehoefte van de omliggende woningen die eveneens parkeren ter plaatse van de bestaande parkeervoorziening aan de zuidelijke Dassenburcht. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 3] voeren voorts aan dat er in het Verkeersrapport ten onrechte geen rekening mee is gehouden dat ouders hun kleine kinderen naar de klas brengen en niet afzetten. [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat in het Verkeersrapport ten onrechte geen rekening is gehouden met de avondopenstelling van het IKC. Ook betogen zij dat de raad er ten onrechte van uitgaat dat zal worden geparkeerd ter plaatse van de parkeervoorziening aan de zuidelijke Dassenburcht, omdat dit terrein op 100 m afstand ligt van het IKC.

19.1.

De raad stelt zich onder verwijzing naar het Verkeersrapport op het standpunt dat de bestaande parkeerdruk aanvaardbaar is en dat dit plan in voldoende parkeerplaatsen voorziet.

19.2.

In de plantoelichting staat dat ten behoeve van dit plan 30 nieuwe parkeerplaatsen aan het Hagelkruis worden gerealiseerd. De overige benodigde parkeerplaatsen kunnen worden gevonden op het bestaande parkeerterrein aan de zuidelijke Dassenburcht. In de plantoelichting staat voorts dat het avondgebruik van de gymzaal niet leidt tot een extra parkeervraag vanwege het dubbelgebruik van de parkeerplaatsen van het IKC. Buiten schooltijd zijn er over het algemeen geen parkeerplaatsen nodig voor medewerkers of ouders.

19.3.

In het Verkeersrapport zijn de resultaten opgenomen van de uitgevoerde parkeerdrukmeting. In een gebied van 150 m rondom het plangebied is in oktober 2015 op drie dagen een parkeerdrukmeting uitgevoerd: tijdens het open gaan van de school (8:00-8:45 uur) en tijdens het uitgaan van de school (15:00-16:00 uur). Ongeveer 90% van de woningen direct rondom het IKC heeft een parkeerplaats op eigen terrein. Verder bevinden zich op de Dassenburcht (inclusief parkeerterreinen ter hoogte van de woningen aan de Wolfskuil) 64 parkeerplaatsen in de openbare ruimte (parkeerterrein en straat). Het Verkeersrapport concludeert dat in het gebied voldoende vrije parkeerplaatsen aanwezig zijn.

Ook is in het Verkeersrapport aan de hand van de Parkeernota Cuijk 2007 - 2015 de parkeerbehoefte berekend. Waar deze parkeernota geen duidelijkheid geeft over te hanteren parkeereisen is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 317 "Kencijfers voor parkeren en verkeersgeneratie" of (landelijk) onderzoek naar parkeren bij schoolomgevingen. In het Verkeersrapport staat dat voor het halen en brengen 38 parkeerplaatsen nodig zijn. Ook is een parkeerbalans voor het IKC als geheel opgesteld. Hieruit blijkt dat de parkeervraag voor het IKC overdag in totaal 47 parkeerplaatsen is. De vraag naar parkeerplaatsen wordt voor 80% bepaald door het halen en brengen. In de avond is er voor het IKC geen parkeervraag. Het aantal parkeerplaatsen wordt op het berekende piekmoment afgestemd. Buiten piekmomenten en schooltijden kan ten behoeve van andere functies van de parkeerplaatsen gebruik worden gemaakt. De gymzaal kan buiten schooltijden voor sportactiviteiten worden gebruikt. Hiervoor zijn 17 parkeerplaatsen op doordeweekse avonden en zaterdagmiddag en -avond nodig. Voor de zondagmiddag zijn 16 parkeerplaatsen nodig.

19.4.

In het deskundigenbericht staat dat de parkeervraag van het IKC deels wordt opgevangen door nieuwe parkeerplaatsen langs het Hagelkruis en deels op het bestaande parkeerterrein aan de zuidelijke Dassenburcht (de parkeerkuil). In het deskundigenbericht staat dat het huidige parkeerterrein ter plaatse van de zuidelijke Dassenburcht 18 parkeerplaatsen heeft. Het plandeel waaraan de aanduiding "parkeerterrein" is toegekend is ongeveer 20 bij 38 m. Met een vergelijkbare indeling als nu het geval is, kan de capaciteit eenvoudig worden uitgebreid tot 30 parkeerplaatsen.

In het deskundigenbericht staat dat de parkeerbehoefte is berekend voor het gebruik overdag. De parkeernorm uit de "Parkeernota Cuijk" voor een gymzaal of sporthal leidt tot een parkeerbehoefte van 16,6 parkeerplaatsen. Dit aantal kan ruim binnen voor het IKC benodigde parkeerruimte worden opgevangen.

19.5.

In de zienswijze op het deskundigenbericht voeren [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3] aan dat geen rekening is gehouden met het gebruik van de parkeerplaatsen in de avonduren door bezoekers van rapport- en informatieavonden. Voorts moeten de parkeerplaatsen op eigen gronden worden aangelegd omdat dit verplicht is voor bedrijven en de gymzaal na schooltijd en in het weekend zal worden verhuurd.

19.6.

De Afdeling stelt voorop dat de raad in het kader van de vaststelling van een bestemmingplan dient te beoordelen of zich reeds een parkeertekort voordoet en hoe de door het plan mogelijk gemaakte nieuwe ontwikkeling zich daartoe verhoudt.

In het gebied rondom het voorziene IKC zijn parkeerdrukmetingen uitgevoerd. Hierin is dus rekening gehouden met de parkeerbehoefte van de woningen die rondom het voorziene IKC liggen. De conclusie in het Verkeersrapport dat er in de bestaande situatie voldoende vrije parkeerplaatsen zijn, is niet bestreden. Er bestaat voor de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich gelet op de conclusie in het Verkeersrapport niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bestaande parkeerdruk aanvaardbaar is.

Uit het Verkeersrapport blijkt dat er tijdens de piekmomenten overdag behoefte is aan 47 parkeerplaatsen. In het Verkeersrapport is rekening gehouden met de parkeerbehoefte als gevolg van het brengen en halen van kinderen van en naar het IKC. Het brengen en halen van kinderen betekent niet dat zij slechts worden afgezet waarna meteen wordt doorgereden. Bij het berekenen van de parkeerbehoefte is derhalve rekening gehouden met ouders die hun auto parkeren om hun kleine kinderen naar de klas te brengen. Voorts voeren [appellant sub 2] en anderen op zichzelf terecht aan dat geen rekening is gehouden met de avondopenstelling van het IKC. Deze parkeerbehoefte is aanwezig buiten de piekmomenten en de schooltijden waarop het aantal parkeerplaatsen is afgestemd. Indien het IKC dus ’s avonds wordt opengesteld kan gebruik worden gemaakt van die parkeerplaatsen. Gelet op het ruime aantal parkeerplaatsen dat mogelijk wordt gemaakt ten behoeve van de piekmomenten is niet aannemelijk dat een tekort aan parkeerplaatsen ontstaat als gevolg van de avondopenstelling van het IKC.

Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 2] en anderen dat de parkeerplaatsen op eigen grond moeten worden aangelegd omdat dit verplicht is voor bedrijven en de gymzaal na schooltijd en in het weekend zal worden verhuurd, overweegt de Afdeling dat wat er ook zij van deze verplichting, de gronden in dit plan een maatschappelijke bestemming hebben en het niet aannemelijk is dat een commercieel bedrijf zich ter plaatse zal vestigen.

In artikel 4, lid 4.3.1, onder a, van de planregels is door een voorwaardelijke verplichting geborgd dat 54 parkeerplaatsen voor het IKC worden gerealiseerd en in stand gelaten. De Afdeling stelt vast dat aan het zuidelijk gelegen plandeel aan de zuidelijke Dassenburcht de bestemming "Groen" met de aanduiding "parkeerterrein" is toegekend. Aan het plandeel ten oosten van het voorziene IKC is de bestemming "Verkeer" toegekend. De parkeerstroken langs het Hagelkruis zijn toegelaten binnen de bestemming "Verkeer". De parkeerplaatsen in de parkeerkuil zijn toegelaten binnen de bestemming "Groen" met de aanduiding "parkeerterrein". Het plan staat derhalve niet in de weg aan het realiseren van de benodigde parkeerplaatsen. Voorts heeft de raad ter zitting gesteld dat een loopafstand van 100 m in overeenstemming is met de CROW-publicatie 317. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat hiervan niet in redelijkheid kon worden uitgegaan. Er bestaat om die reden geen aanleiding voor de verwachting dat de parkeervoorziening aan de zuidelijke Dassenburcht niet zal worden gebruikt door de bezoekers en het personeel van het IKC. Gelet op het voorgaande voorziet de ontwikkeling die in dit plan is voorzien in haar eigen behoefte en neemt de parkeerdruk voor de omgeving niet toe.

Nu het plan in voldoende parkeergelegenheid voorziet leidt het plan niet tot een tekort aan parkeerplaatsen en bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad met dit aspect onvoldoende rekening heeft gehouden.

Het betoog faalt.

Alternatieven

20. [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3] betogen voorts dat er geschiktere locaties zijn om deze ontwikkeling te realiseren. In dit verband wijzen zij op de locatie waar een dependance van het Merletcollege stond.

20.1.

In paragraaf 3.1 van de plantoelichting is gemotiveerd waarom de locatie ter plaatse van het plangebied is gekozen voor de voorziene ontwikkeling. Uit een stedenbouwkundige inventarisatie zijn zeven potentiële locaties voor de voorziene ontwikkeling binnen de wijk Padbroek geïdentificeerd. Deze zijn stedenbouwkundig (kwalitatief) geanalyseerd door bureau Topia in de "Locatiekeuze en structuurschets, december 2010". De locaties 1, 2, 4 en 6 uit het rapport zijn afgevallen, vanwege de aanwezigheid van woningen, de onwenselijkheid ten aanzien van het noodzakelijkerwijs moeten verleggen van een weg, onderscheidenlijk de aanwezigheid van een volledig te amoveren openbaar speelveld. Het aantal nader te beoordelen locaties is daardoor teruggebracht tot drie. Vervolgens zijn in 2011 de financiële aspecten in het keuzeproces betrokken. Als afronding van de locatiekeuze heeft de raad op 20 juni 2011 gekozen voor de locatie ter plaatse van dit plangebied.

20.2.

De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. De Afdeling stelt vast dat de raad in paragraaf 3.1 uiteen heeft gezet waarom hij voor de locatie ter plaatse van het plangebied heeft gekozen. Voorts heeft hij met betrekking tot de voormalige locatie van de dependance van het Merletcollege zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit geen goed alternatief is omdat deze locatie in het noorden van Cuijk ligt en daardoor niet kan voorzien in de behoefte aan een school in de wijk Padbroek. Ook moeten schoolkinderen voor het bereiken van die locatie een drukke verkeersweg oversteken. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid de voorkeur kunnen geven aan de locatie aan de Dassenburcht in plaats van de door [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3] genoemde alternatieve locatie.

Het betoog faalt.

Behoefte

21. [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3] betogen dat geen behoefte bestaat aan het IKC in deze omvang. Zij voeren hiertoe aan dat de leerlingenprognoses voor de komende jaren laten zien dat het aantal leerlingen gestaag zal afnemen.

21.1.

De raad heeft ter zitting toegelicht dat behoefte bestaat aan een school voor ongeveer 300 leerlingen. Het voorziene IKC bestaat uit twee bestaande basisscholen namelijk basisschool De Zevensprong en basisschool de Harlekijn, alsmede uit een gymzaal, kinderdagopvang, peuterspeelzaal en buitenschoolse opvang. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat behoefte bestaat aan het IKC in deze omvang. Met betrekking tot de stelling dat het aantal leerlingen in de toekomst gestaag zal afnemen oordeelt de Afdeling dat deze prognose, zo al juist, niet afdoet aan de huidige behoefte aan het IKC. Overigens is niet aannemelijk dat bij een mogelijke afname van het aantal leerlingen het gebouw niet gebruikt kan worden voor andere maatschappelijke doeleinden.

Het betoog faalt.

Financiële uitvoerbaarheid

22. [appellanten sub 3] betogen voorts dat ten onrechte niet is gemotiveerd dat het plan financieel uitvoerbaar is. Ook voeren zij aan dat het niet aannemelijk is dat het plan financieel uitvoerbaar is omdat volgens nieuwsblad "De Gelderlander" één van de initiatiefnemers, Spring Groep voor Kinderopvang, er financieel niet goed voor staat.

22.1.

In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de financiële uitvoerbaarheid is begrepen, slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar.

22.2.

De raad heeft aangegeven dat de ontwikkelaars gelden hebben gereserveerd voor de nieuwbouw van het IKC. Op die manier is de financiële uitvoerbaarheid van dit plan gewaarborgd. Ook heeft de raad aangegeven dat hij op 1 februari 2016 een aanvullend krediet van €1.450.000,00 heeft vastgesteld voor de nieuwbouw van het IKC, omdat aan de hand van het definitieve ontwerp was gebleken dat de kosten hoger zouden uitvallen dan aanvankelijk begroot. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in de gegeven omstandigheden op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar.

Het betoog faalt.

Waardevermindering

23. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen van [appellant sub 2] en anderen betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.

Het betoog faalt.

Beroepsgronden tegen de omgevingsvergunning

24. [ appellant sub 2] en anderen betogen dat de omgevingsvergunning in strijd is met het plan. Hiertoe voeren zij aan dat ter plaatse van de oostgevel van de sportzaal (as H) en de westgevel van de sportzaal (as B) de toegestane goothoogte wordt overschreden. Ook betogen [appellant sub 2] en anderen dat de vereiste parkeerplaatsen onduidelijk op de situatietekening zijn aangegeven, waardoor onduidelijk is of het bouwplan aan het bestemmingsplan voldoet. Zij betogen voorts dat op de situatietekening ten onrechte niet de afstanden van het gebouw tot de perceelgrenzen zijn aangegeven waardoor niet kan worden gecontroleerd of het voorziene gebouw binnen het bouwvlak is gesitueerd.

24.1.

Het college stelt zich op het standpunt dat het vereiste aantal parkeerplaatsen is geborgd in het plan. Ook zijn de afstanden tot de perceelgrenzen wel degelijk controleerbaar, aldus het college.

24.2.

In het deskundigenbericht staat dat de opgenomen goothoogten in de omgevingsvergunning in overeenstemming met het plan zijn toegestaan. Ook staat in het deskundigenbericht dat er in de omgevingsvergunning voor het bouwen geen strijdigheden met het plan zijn geconstateerd.

24.3.

Anders dan [appellant sub 2] en anderen betogen is niet artikel 4, lid 4.2.1, onder d en e, van de planregels van toepassing op de west- onderscheidenlijk oostzijde van de sportzaal. Deze bepalingen hebben namelijk betrekking op het meest westelijk, onderscheidenlijk oostelijk gelegen bouwdeel terwijl de gymzaal in het midden van het plangebied ligt. Gelet op het deskundigenbericht ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de opgenomen hoogten ter plaatse van de assen H en B in de omgevingsvergunning niet in overstemming zijn met het plan.

De Afdeling stelt voorts vast dat in artikel 4, lid 4.3.1, onder a, van de planregels door een voorwaardelijke verplichting is geborgd dat 54 parkeerplaatsen worden gerealiseerd en in stand gehouden. Die parkeerplaatsen hoeven niet bij deze omgevingsvergunning te worden gerealiseerd. De parkeerplaatsen moeten aanwezig zijn voordat de gronden met de bestemming "Maatschappelijk" worden gebruikt ten behoeve van de doeleinden in artikel 4, lid 4.1, van de planregels. Gelet op het voorgaande kan dit betoog van [appellant sub 2] en anderen niet tot een gegrond beroep leiden.

Voorts oordeelt de Afdeling dat er geen bepaling is die ertoe verplicht om op de situatietekening de afstanden van het gebouw tot de perceelgrenzen aan te geven.

Het betoog faalt.

25. Voorts betogen [appellant sub 2] en anderen dat het rapport "Opvang- en doorstroomcapaciteit" van 22 april 2015 niet is opgesteld aan de hand van actuele tekeningen, waardoor het bouwplan niet kan worden getoetst aan de brandveiligheidseisen van het Bouwbesluit 2012.

25.1.

Het college stelt zich op het standpunt dat in het rapport "Opvang- en doorstroomcapaciteit" van 12 februari 2016 is uitgegaan van de juiste tekeningen.

25.2.

De Afdeling licht toe dat het college na zitting de mogelijkheid heeft gekregen om het rapport "Opvang- en doorstroomcapaciteit" van 12 februari 2016 toe te sturen. Dit rapport is toegestuurd en vervolgens hebben [appellant sub 2] en anderen hierop gereageerd. In deze reactie is niet gesteld dat in dit rapport niet van de juiste tekeningen is uitgegaan. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat in het rapport "Opvang- en doorstroomcapaciteit" van 12 februari 2016 is uitgegaan van onjuiste uitgangspunten.

Het betoog faalt.

26. [appellant sub 2] en anderen betogen voorts dat de omgevingsvergunning is verleend voordat een hergebruiksplan van de voormalige stortplaats is ingediend bij en goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant.

26.1.

De Afdeling stelt voorop dat de goedkeuring door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van het hergebruiksplan van de voormalige stortplaats geen vereiste is om een omgevingsvergunning te verlenen. Bovendien heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant het hergebruiksplan van de voormalige stortplaats goedgekeurd. Het college wijst namelijk op de beschikking van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 18 april 2016 (met kenmerk C2178034/3935036) waarin ontheffing wordt verleend voor het herinrichten van de voormalige stortplaats.

Het betoog faalt.

27. Voorts hebben [appellant sub 2] en anderen aangevoerd dat in de omgevingsvergunning ten onrechte niet is voorzien in een dove gevel ter plaatse van de muur van het IKC richting de bestaande woningen. Ook hebben zij aangevoerd dat de dakconstructie zeer licht is en niet voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit 2012. De Afdeling overweegt dat hij vanwege deze stellingen geen aanleiding ziet voor een gegrond beroep. [appellant sub 2] en anderen hebben deze stellingen namelijk niet nader onderbouwd.

Het betoog faalt.

28. [ appellanten sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3] betogen dat zij een nadere mogelijkheid hadden moeten krijgen om op het nadere stuk van de raad en het college te reageren omdat dit stuk op 8 maart 2017 is binnengekomen en daarmee na de termijn die partijen hadden gekregen om op het deskundigenbericht te reageren. De raad geeft in het nadere stuk onder meer aan dat ter hoogte van de westelijke Dassenburcht in een gesloten hekwerk zal worden voorzien. Hierbij zijn [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3] gebaat. Verder is dit nadere stuk niet omvangrijk en bevat het een reactie op enkele constateringen uit het deskundigenbericht. [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3] hebben ter zitting de gelegenheid gehad om hierop adequaat te reageren. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding om een nadere termijn te stellen waarin [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3] op het nadere stuk kunnen reageren.

Het betoog faalt.

Conclusie

29. In hetgeen [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, voor zover geen voorwaardelijke verplichting is opgenomen die er toe strekt dat de gronden met de bestemming "Maatschappelijk" slechts in gebruik mogen worden genomen ten behoeve van de doeleinden in artikel 4, lid 4.1, van de planregels indien ter hoogte van de westelijke Dassenburcht in een gesloten hekwerk wordt voorzien, is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De beroepen van [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3] zijn in zoverre gegrond. Nu niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelfvoorziend een dergelijke planregel vast te stellen.

De beroepen van [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3], voor zover gericht tegen de omgevingsvergunning, zijn ongegrond.

30. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

31. De raad dient ten aanzien van [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3] voor zover gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Cuijk van 1 februari 2016 waarbij het bestemmingsplan "Padbroek, Integraal kindcentrum Padbroek" is vastgesteld, gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Cuijk van 1 februari 2016 waarbij het bestemmingsplan "Padbroek, Integraal kindcentrum Padbroek" is vastgesteld voor zover geen voorwaardelijke verplichting is opgenomen die er toe strekt dat de gronden met de bestemming "Maatschappelijk" slechts in gebruik mogen worden genomen ten behoeve van de doeleinden in artikel 4, lid 4.1, van de planregels indien ter hoogte van de westelijke Dassenburcht in een gesloten hekwerk wordt voorzien;

III. bepaalt dat aan artikel 4, lid 4.3.1, van de planregels na onderdeel e een nieuw onderdeel wordt toegevoegd en dat dit als volgt komt te luiden:

"een gesloten hekwerk ter hoogte van de westelijke Dassenburcht";

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover vernietigd onder II.;

V. draagt de raad van de gemeente Cuijk op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het onderdeel onder III. wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, http://www.ruimtelijkeplannen.nl;

VI. verklaart de beroepen van [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 3] voor zover gericht tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Cuijck van 23 februari 2016 waarbij de omgevingsvergunning is verleend voor de nieuwbouw van het Integraal Kindcentrum Padbroek, ongegrond;

VII. veroordeelt de raad van de gemeente Cuijk tot vergoeding van bij [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

veroordeelt de raad van de gemeente Cuijk tot vergoeding van bij [appellant sub 2] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 248,16 (zegge: tweehonderdachtenveertig euro en zestien cent), met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

veroordeelt de raad van de gemeente Cuijk tot vergoeding van bij [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1237,50 (zegge: twaalfhonderdzevenendertig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VIII. gelast dat de raad van de gemeente Cuijk aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 2] en anderen met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, en € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W.A.M.M. Delauw, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Delauw

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2017

812.

Verzonden: 21 juni 2017

BIJLAGE

* Bij rechtsoverwegingen 9.2, 11.5.2, 11.7.5, 11.7.6, 11.11.3, 11.13.3, 11.21.1, 13.5, 15.4, 19.6 en 24.3

Planregels

Begrippen

1.21

educatieve activiteiten:

activiteiten op het gebied van onderwijs of daarmee gelijk te stellen doeleinden, zoals een school, een buitenschoolse opvang, een kinderdagopvang, een peuterspeelzaal en huiswerkbegeleiding.

1.35

recreatieve sportactiviteiten:

lichamelijke activiteiten voor ontspanning en plezier, al dan niet met een spel- of wedstrijdelement zoals balsporten, gymnastiek, fitness en daarmee vergelijkbare activiteiten, waarbij horeca, alsmede publiek bij wedstrijden niet zijn toegestaan.

Bestemming "Groen"

3.1

Bestemmingsomschrijving

De voor "Groen" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

b. openbare speelplaatsen en speel- en sportvoorzieningen, behoudens ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - speelvrije zone", waar spelen is uitgesloten en waar de erfinrichting speelgedrag moet beletten.

c. ter plaatse van de aanduiding "parkeerterrein": tevens voor parkeren en parkeervoorzieningen, waaronder ten behoeve van de bestemming "Maatschappelijk".

3.3

Specifieke gebruiksregels

3.3.1

Voorwaardelijke verplichting gebruik speelvrije zone

De gronden met de bestemming "Groen" mogen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van de doeleinden in artikel 3.1 indien de navolgende voorzieningen en maatregelen zijn getroffen en in stand worden gehouden:

a. de inrichting van de gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - speelvrije zone" zodanig is dat spelen wordt belet.

3.3.2

Strijdig gebruik

Onder gebruik strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van de gronden:

a. voor spelen binnen de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - speelvrije zone".

Bestemming "Maatschappelijk"

4.1

Bestemmingsomschrijving

De voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. educatieve activiteiten;

b. recreatieve sportactiviteiten in de gymzaal.

c. openbare speelplaatsen en speel- en sportvoorzieningen, onder voorwaarde dat:

1. de speelplaats dagelijks openbaar toegankelijk mag zijn tussen 07.00-19.00 uur;

2. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - speelvrije zone" geen speelplaats is toegestaan, spelen is uitgesloten en de erfinrichting speelgedrag moet beletten;

en de daarbij behorende bebouwing, werken en werkzaamheden.

4.2.1

Hoofdgebouwen

a. Het hoofdgebouw is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, waarbij het bouwvlak volledig mag worden bebouwd.

b. De bouwhoogte mag maximaal 10 m bedragen, met uitzondering ter plaatse van de aanduiding "plat dak" waar de bouwhoogte maximaal 4,75 m mag bedragen.

c. Het dak moet gewelfd zijn, parallel aan de richting van de ter plaatse aangeduide gevellijn, met een maximale hellingshoek van 20°, behoudens ter plaatse van de aanduiding "plat dak" waar uitsluitend een plat dak is toegestaan.

d. De goothoogte van het meest westelijk gelegen bouwdeel mag maximaal 3,75 m bedragen.

e. De goothoogte van het meest oostelijk gelegen bouwdeel mag maximaal 7,5 m bedragen.

f. De goothoogten van de bouwdelen gelegen tussen het meest westelijke en oostelijke gelegen bouwdeel, moeten in het enkelvoudig gewelfde dakvlak liggen.

4.2.3

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

b. De bouwhoogte mag maximaal 4 m bedragen, met uitzondering van:

4. een geluidwerende voorziening met een gesloten, massieve bouwwijze en een materiaaldichtheid van minimaal 10 kg/m² ter plaatse van de "specifieke bouwaanduiding - 2", waarvan de bouwhoogte minimaal 2,3 m moet bedragen en maximaal 3 m mag bedragen;

5. een geluidwerende voorziening met een gesloten, massieve bouwwijze en een materiaaldichtheid van minimaal 10 kg/m² ter plaatse van de "specifieke bouwaanduiding - 3", waarvan de bouwhoogte minimaal 1 m moet bedragen en maximaal 2 m mag bedragen;

d. De afstand van een niet-zelfstandige trapopgang (buitentrap) tot woonpercelen moet minimaal 20 m zijn.

4.3

Specifieke gebruiksregels

4.3.1

Voorwaardelijke verplichting gebruik gebouwen

De gronden met de bestemming "Maatschappelijk" mogen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van de doeleinden in lid 4.1 indien de navolgende voorzieningen en maatregelen zijn getroffen en in stand worden gehouden:

a. minimaal 54 parkeerplaatsen, waarbij gebruik mag worden gemaakt van de parkeermogelijkheden opgenomen in de bestemming "Verkeer" en ter plaatse van de aanduiding "parkeerterrein" in de bestemming "Groen";

b. de geluidwerende erfafscheiding en muur ter plaatse van de "specifieke bouwaanduiding - 2" en "specifieke bouwaanduiding - 3" zoals genoemd in lid 4.2.3, onder b, sub 4 respectievelijk sub 5;

c. de inrichting van de gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - speelvrije zone" zodanig is dat spelen wordt belet;

d. de technische installaties inpandig zijn geplaatst en het bronvermogen daarvan maximaal 77 dB(A) bedraagt.

4.3.2

Strijdig gebruik

Onder gebruik strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van de gronden en gebouwen:

a. voor spelen:

1. op de gronden binnen de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - speelvrije zone";

2. op de overige gronden in de avond- en nachtperiode tussen 19.00 en 07.00 uur.

Bestemming "Verkeer"

5.1

Bestemmingsomschrijving

De voor "Verkeer" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

b. parkeren en parkeervoorzieningen, waaronder ten behoeve van de bestemming "Maatschappelijk".

* Bij rechtsoverwegingen 11.3.4, 11.5.2, 11.12.3 en 11.20.4

Activiteitenbesluit milieubeheer

Artikel 2.17

1. Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau (LAmax), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, geldt dat:

a. de niveaus op de in tabel 2.17a genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;

Artikel 2.18

1. Bij het bepalen van de geluidsniveaus, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a dan wel 2.20, blijft buiten beschouwing:

h. het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een inrichting voor primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs;

i. het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang.

Artikel 2.20

5. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift bepalen welke technische voorzieningen in de inrichting worden aangebracht en welke gedragsregels in acht worden genomen teneinde aan geldende geluidsnormen te voldoen.

Besluit omgevingsrecht

19.1.

Inrichtingen waar:

c. waar een of meer voorzieningen of installaties aanwezig zijn voor het beoefenen van sport, alsmede sportscholen en sporthallen;

d. waar een of meer voorzieningen aanwezig zijn voor het beoefenen van muziek, alsmede muziekscholen en muziekoefenlokalen.

* Bij rechtsoverwegingen 13.2 en 13.5

Voorschriften behorend bij het voorheen geldende plan

Wijze van meten

Bij de toepassing van deze voorschriften wordt als volgt gemeten:

2.2

Goothoogte van een gebouw: de goot en/of boeihoogte van gebouwen welke gevormd wordt door de snijlijn van elk dakvlak met elk daaronder gelegen buitenwerks gevelvlak tot aan de hoogte van de kruin van de weg (ter plaatse) vanwaar het gebouw (voornamelijk) toegankelijk is, dan wel tot aan de gemiddelde hoogte van het afgewerkte bouwperceel, indien deze hoogte meer dan 0,2 m boven laatstgenoemde hoogte is gelegen.

Bestemming "Maatschappelijke doeleinden M"

10.1

Bestemmingsomschrijving

De op de plankaart voor maatschappelijke doeleinden M aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. educatieve instellingen, voorzover de gronden op de plankaart zijn aangeduid met de bestemmingsaanduiding M13.

10.2

Bouwvoorschriften

10.2.1

Bouwweken mogen uitsluitend ten behoeve van de bestemming worden gebouwd.

10.2.2

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de aanduidingen op de kaart en de volgende bepalingen:

a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;

b. het maximale bebouwingspercentage dat op de plankaart is aangegeven mag niet worden overschreden;

c. de bouwhoogte van een hoofdgebouw mag niet meer dan de op de plankaart aangegeven hoogte bedragen.