Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1612

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-06-2017
Datum publicatie
21-06-2017
Zaaknummer
201607160/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2016:8548, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 maart 2016 heeft het college een aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201607160/1/A3.

Datum uitspraak: 21 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 augustus 2016 in zaak nr. 16/2919 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 14 maart 2016 heeft het college een aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring afgewezen.

Bij besluit van 20 april 2016 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 augustus 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 mei 2017, waar het college, vertegenwoordigd door mr. A. Franke, is verschenen.

Overwegingen

Regelgeving

1.    De relevante regelgeving is vermeld in de aangehechte bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2.    [appellante] heeft bij het college een urgentieverklaring aangevraagd op grond van dringende medische of sociale redenen. [appellante] heeft samen met haar partner drie minderjarige kinderen. [appellante], haar partner en één van hun kinderen wonen in Amsterdam bij iemand in. De twee andere kinderen zijn uit huis geplaatst. Volgens [appellante] is een van de oorzaken daarvan het niet hebben van geschikte woonruimte. Naar [appellante] stelt, lijdt zij aan een depressie en heeft zij last van stress. Het gezin staat onder begeleiding van Sentinelzorg. [appellante] heeft van 2004 tot juli 2013 in België gewoond. Haar partner woont sinds 13 november 2014 in Amsterdam. Hij heeft de Servische nationaliteit en geen geldige verblijfstitel. Thans heeft hij rechtmatig verblijf in Nederland in afwachting van de beslissing op een aanvraag om een verblijfsvergunning.

Besluitvorming

3.    Bij het besluit van 14 maart 2016 heeft het college de aanvraag op grond van artikel 2.6.5, eerste lid, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 (hierna: de Huisvestingsverordening) afgewezen, omdat niet alle leden van het huishouden van [appellante] beschikken over een geldige verblijfstitel, als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 en zij niet allen voorafgaand aan de aanvraag minimaal twee jaar in Amsterdam hebben gewoond.

    Bij het besluit op bezwaar heeft het college aan de handhaving van de afwijzing ten grondslag gelegd dat de partner van [appellante] niet voldoet aan de vereisten dat hij voorafgaand aan de aanvraag twee jaar in Amsterdam moet hebben gewoond en over een geldige verblijfstitel moet beschikken. Voorts is er geen urgent huisvestingsprobleem, omdat [appellante] en haar gezin bij een ander huishouden inwonen. Het college ziet geen aanleiding de hardheidsclausule toe te passen.

Aangevallen uitspraak

4.    De rechtbank is met het college van oordeel dat bij [appellante] en haar gezin geen acuut woonprobleem speelt. De enkele stelling dat degene bij wie zij inwonen hen wellicht op termijn op straat zal zetten, is onvoldoende om aan te nemen dat zij dakloos dreigen te raken.

Gelet op artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Huisvestingsverordening en paragraaf 2.2, onder b, van de Beleidsregels woonruimteverdeling en woonruimtevoorraad Amsterdam 2016 levert inwoning bij een ander huishouden een algemene weigeringsgrond op. Bovendien heeft [appellante] ter zitting verklaard dat zij, afgezien van de bijstandsuitkering die zij ontvangt, geen economische of maatschappelijke binding met Amsterdam heeft. Niet valt in te zien dat [appellante] het door haar gestelde woonprobleem niet kan oplossen door zich te vestigen in een gemeente waar de woningnood minder hoog is. Het college heeft in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geen aanleiding hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen. Op geen enkele manier is naar voren gekomen dat [appellante] en haar gezin in een levensbedreigende of daarmee vergelijkbare situatie verkeren of komen te verkeren indien geen urgentieverklaring wordt verleend. Gelet hierop is het beroep ongegrond. De overige door [appellante] aangevoerde gronden behoeven daarom geen bespreking, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

5.    [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat, zo de omstandigheid dat zij voor haar levensonderhoud afhankelijk is van een uitkering krachtens de Participatiewet al maakt dat zij geen economische binding met Amsterdam heeft, de rechtbank haar deze omstandigheid ten onrechte heeft tegengeworpen en heeft overwogen dat zij zich kan vestigen in een gemeente waar eenvoudiger woonruimte kan worden gevonden. [appellante] wijst in dit verband op de vrijheid van vestiging.

5.1.    Naar het college heeft gesteld, is economische binding met Amsterdam in de vorm van betaalde arbeid geen criterium in het urgentiebeleid van Amsterdam. Blijkens de aantekeningen van de zitting bij de rechtbank is de binding met Amsterdam daar wel ter sprake gekomen.

Daarbij heeft [appellante] te kennen gegeven dat het voor haar niet uitmaakt of zij in Amsterdam woont. De aangevallen overweging van de rechtbank moet dan ook worden beschouwd als een overweging ten overvloede, die niet dragend is voor het dictum van de aangevallen uitspraak. Dit betoog kan reeds daarom niet leiden tot gegrondbevinding van het hoger beroep.

6.    [appellante] voert voorts aan dat de rechtbank bij haar oordeel dat het college geen gebruik heeft hoeven maken van de hardheidsclausule, heeft miskend dat daarvoor niet alleen aanleiding bestaat in het geval van een levensbedreigende of daarmee vergelijkbare situatie, maar in alle gevallen waarin sociale indicatoren daartoe nopen.

6.1.    Hoewel [appellante] met juistheid betoogt dat er aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule kan zijn in andere gevallen dan een levensbedreigende of daarmee vergelijkbare situatie, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de situatie van [appellante] niet zo uitzonderlijk en onderscheidend is dat aanleiding bestond de hardheidsclausule toe te passen. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellante] niet in aanmerking komt voor toepassing van de hardheidsclausule.

7.    [appellante] betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte ongemotiveerd is voorbijgegaan aan de beroepsgrond dat de weigering tot afgifte van een urgentieverklaring om reden dat niet alle gezinsleden over een geldige verblijfstitel beschikken in strijd is met het non-discriminatiebeginsel van artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM en artikel 2 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, omdat aldus een ongeoorloofd onderscheid wordt gemaakt met gezinnen waarvan de leden allen rechtmatig verblijf in Nederland hebben.

7.1.    Nu [appellante] niet voldeed aan het bepaalde in artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Huisvestingsverordening was het college gelet op het dwingendrechtelijke karakter van deze bepaling reeds op grond van deze weigeringsgrond gehouden de aanvraag voor een urgentieverklaring af te wijzen, nu geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule aanwezig was. Gelet hierop heeft de rechtbank het betoog van [appellante] met betrekking tot de juistheid van de afwijzing van de urgentieverklaring op grond van artikel 2.6.5, eerste lid aanhef en onder a, en artikel 2.2.1 van de Huisvestingsverordening onbesproken mogen laten. Daarenboven kan dat betoog niet slagen.

[appellante] wijst bij het betoog op de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3788. Daarin is overwogen dat het koppelingsbeginsel, dat oorspronkelijk uitsluitend als oogmerk had een rechtstreekse koppeling te leggen tussen de rechtmatigheid van het verblijf van vreemdelingen en de aanspraak op collectieve voorzieningen van de Nederlandse overheid, is uitgebreid naar andere situaties, waarin een Nederlander of een rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling die op zichzelf op grond van zijn inkomen in aanmerking zou komen voor dergelijke voorzieningen, deze voorzieningen toch worden onthouden wegens het enkele feit dat hij samenwoont met een partner of medebewoner die geen rechtmatig verblijf heeft. Deze onthouding van de voorzieningen kan onder bijzondere omstandigheden in een concreet geval in strijd komen met de hiervoor onder 7. vermelde verdragsbepalingen, in welk geval de desbetreffende wettelijke bepaling, gelet op artikel 94 van de Grondwet, buiten toepassing moet worden gelaten. Niet is gebleken dat in dit geval zodanig bijzondere omstandigheden aanwezig zijn dat deze de conclusie rechtvaardigen dat het college met de weigering van de urgentieverklaring een onevenredig middel heeft ingezet.

    Het betoog faalt.

Slotsom

8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.C.J. de Wilde, griffier.

w.g. Verheij    w.g. De Wilde

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2017

598.

BIJLAGE

Huisvestingsverordening Amsterdam 2016, zoals die gold ten tijde hier van belang

Artikel 2.2.1 Toelatingscriteria

Om in aanmerking te komen voor een huisvestingsvergunning dient de woningzoekende te voldoen aan de volgende voorwaarden:

[-]

b. de leden van het huishouden van de woningzoekende bezitten de Nederlandse nationaliteit of worden op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander behandeld of zijn vreemdeling en verblijven rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, a t/m e en l van de Vreemdelingenwet 2000.

Artikel 2.6.5 Algemene weigeringsgronden urgentieverklaring

1. Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:

a. het huishouden van de aanvrager voldoet niet aan de in artikel 2.2.1 genoemde eisen;

b. er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem;

[-]

i. de aanvrager in de periode direct voorafgaand aan het indienen van de aanvraag blijkens diens inschrijving in de basisadministratie niet tenminste twee jaar onafgebroken in de gemeente waar de urgentieverklaring wordt aangevraagd woonachtig was.

Artikel 2.6.11 Hardheidsclausule

1. Burgemeester en wethouders zijn, indien toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien:

a. weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie en,

b. sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.

Beleidsregels woonruimteverdeling en woonruimtevoorraad Amsterdam 2016, No. 6: Beleidsregels voor regionale urgenties

2. Algemene weigeringsgronden

2.1. Inleiding

Een aanvraag wordt getoetst aan de algemene weigeringsgronden. Doet zich tenminste één weigeringsgrond voor, dan wordt de aangevraagde urgentie geweigerd. Als zich geen algemene weigeringsgrond voordoet dan wordt vervolgens beoordeeld of er een urgentiegrond aanwezig is. Dat wil zeggen: of aanvrager in een specifieke omstandigheid verkeert die aanleiding kan zijn voor toekenning van een urgentieverklaring.

[-]

2.2. Uitwerking algemene weigeringsgronden

[-]

Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden (cursief wordt de desbetreffende bepaling uit de verordening geciteerd):

a. Het huishouden van de aanvrager voldoet niet aan de in artikel 2.2.1 van de verordening genoemde eisen

Het huishouden van de aanvrager moet voldoen aan de voorwaarden voor wat betreft leeftijd en verblijfsstatus.

[-]

b. Er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem

Er is sprake van een urgent huisvestingsprobleem als het huishouden van aanvrager dakloos is of zeer binnenkort dakloos zal worden. Met dakloosheid wordt gelijkgesteld de situatie waarin het huishouden van de aanvrager naar het oordeel van burgemeester en wethouders als gevolg van een probleem met de huisvesting redelijkerwijs geacht wordt geen gebruik te kunnen maken van de tot dan toe bewoonde woning. De volgende situaties zijn in ieder geval geen op zichzelf staand urgent huisvestingsprobleem:

[-]

De aanvrager woont op dit moment bij een ander huishouden in.

[-]

i. De aanvrager in de periode direct voorafgaand aan het indienen van de aanvraag niet tenminste twee jaar onafgebroken in de gemeente waar de urgentieverklaring wordt aangevraagd woonachtig was.

De woonplaats zoals vermeld in de Basisregistratie Personen (BRP) is hierbij in beginsel leidend. Aanvrager wordt geacht verantwoordelijk te zijn voor de juistheid van zijn inschrijving in de BRP.

[-]