Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:159

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-01-2017
Datum publicatie
25-01-2017
Zaaknummer
201601144/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:188, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 augustus 2014 heeft het college het verzoek van [appellant sub 1] om handhavend op te treden tegen een zonwering annex luifel aan de woning op het perceel [locatie] te Dordrecht (hierna: de woning) afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/570
JOM 2017/121
OGR-Updates.nl 2017-0028
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601144/1/A1.

Datum uitspraak: 25 januari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hogeren beroep van:

1. [appellant sub 1], wonend te Dordrecht,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend te Dordrecht,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 januari 2016 in zaak nr. 15/1999 in het geding tussen:

[appellant sub 1]

en

het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 28 augustus 2014 heeft het college het verzoek van [appellant sub 1] om handhavend op te treden tegen een zonwering annex luifel aan de woning op het perceel [locatie] te Dordrecht (hierna: de woning) afgewezen.

Bij besluit van 2 maart 2015 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 januari 2016 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 1] hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] hebben voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 december 2016, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. J.J. Slump, advocaat te Rotterdam, [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], bijgestaan door mr. K. de Wit, rechtsbijstandverlener, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.K. Rijvers, zijn verschenen.

Overwegingen

Het geschil

1. [appellant sub 1], bewoner van de naastgelegen woning, heeft het college op 28 augustus 2014 verzocht handhavend op te treden tegen een aan de voorzijde van de woning aangebrachte zonwering annex luifel. De woning is een drive-in-woning met aan de voorzijde op de eerste verdieping een balkon/terras. Het college heeft het verzoek met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) afgewezen. Het heeft daartoe overwogen dat [appellant sub 1] eerder heeft verzocht om handhavend optreden tegen een overkapping aan de woning en zij geen nieuw gebleken feiten en omstandigheden heeft vermeld. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college dat heeft mogen doen. [appellant sub 1] verzet zich daartegen en stelt dat zij een inhoudelijk antwoord wil van het college op haar vraag of het bouwwerk is te kwalificeren als zonwering of als luifel.

Het eerste verzoek om handhavend optreden

2. [appellant sub 1] heeft eerder op 6 november 2012 verzocht om handhavend optreden tegen een overkapping, bestaande uit vier staanders, die was aangebracht over de hele breedte van de gevel op het balkon/terras van de woning. Het college heeft dat verzoek bij besluit van 4 april 2013 toegewezen en de eigenares van de woning, [appellant sub 2B], op straffe van een dwangsom gelast de overkapping te verwijderen dan wel deze in de vorm van een zonwering vergunningvrij uit te voeren. Het college heeft bij besluit van 5 september 2013 het daartegen gemaakte bezwaar van [appellant sub 1] ongegrond verklaard en het besluit van 4 april 2013 in stand gelaten.

Het hoger beroep van [appellant sub 1]

3. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat geen sprake is van een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Zij voert hiertoe aan dat de verzoeken om handhavend optreden op twee verschillende feitelijke situaties betrekking hadden. Verder stelt zij zich op het standpunt dat de formele rechtskracht niet aan haar kan worden tegengeworpen omdat zij door het besluit van 5 september 2013 op het verkeerde been is gezet, doordat zij daar expliciet is gewezen op de mogelijkheid om een nieuw verzoek om handhavend optreden te doen indien zij van mening is dat de nieuwe situatie niet voldoet aan het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor).

3.1. De rechtbank heeft overwogen dat nu de situatie en omstandigheden sinds 5 september 2013 niet veranderd waren, in de onderhavige procedure geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een rechterlijke toetsing rechtvaardigen.

3.2. Artikel 4:6, eerste lid van de Awb luidt: "Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden."

Het tweede lid luidt: "Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking."

3.3. Aan artikel 4:6 van de Awb kan slechts toepassing worden gegeven in de situatie waarin het gaat om een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking op een eerdere aanvraag. Het college heeft bij het eerdere besluit van 4 april 2013 het verzoek van [appellant sub 1] om handhavend optreden ingewilligd en heeft een last onder dwangsom opgelegd. Dat besluit heeft het in het besluit op bezwaar van 5 september 2013 gehandhaafd. Reeds omdat dit geen afwijzende beschikking betreft, kon het college het tweede verzoek om handhaving van [appellant sub 1] van 28 augustus 2014 niet met toepassing van artikel 4:6 van de Awb afwijzen. De rechtbank heeft dat miskend.

Het betoog slaagt.

4. Het hoger beroep van [appellant sub 1] is gegrond.

Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep

5. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] hebben voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. Zij voeren aan dat het bouwwerk waarvan handhavend optreden is verzocht een zonwering is als bedoeld in artikel 2, aanhef, onder 8 van bijlage II van het Bor en vergunningvrij is en het college terecht het verzoek om handhavend optreden heeft afgewezen. Nu het hoger beroep van [appellant sub 1] gegrond is, wordt aan de voorwaarde van artikel 8:112 van de Awb voldaan. De Afdeling zal dit hoger beroep behandelen, mede nu de standpunten van partijen bekend zijn en met het oog op efficiënte geschilbeslechting.

5.1. Artikel 2, aanhef en onder 8 van bijlage II van het Bor luidt, voor zover hier van belang: "Een omgevingsvergunning is niet vereist voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet, indien deze activiteiten betrekking hebben op een zonwering, rolhek, luik of rolluik aan of in een gebouw."

5.2. Het bouwwerk waarvan handhavend optreden is verzocht, beslaat de gehele breedte van de gevel van de woning en is door middel van twee trekstangen bevestigd aan de gevel. Het bouwwerk bestaat uit een lichtdoorlatende uitneembare zonwerende beplating en trekstangen en is niet inklapbaar.

5.3. In bijlage II van het Bor is geen definitie van een zonwering opgenomen. Ook in de Nota van Toelichting bij artikel 2, aanhef en onder 8, van bijlage II van het Bor (Stb. 2010, 143, blz. 148 - 149) is die niet te vinden. De Afdeling heeft in een eerdere uitspraak van 14 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3157 overwogen dat de daar aan de orde zijnde uitkragende luifel, bestaande uit een schaarconstructie die kan in- en uitklappen en is opgespannen op doek, was aan te merken als een zonwering als bedoeld in artikel 2, aanhef, onder 8 van bijlage II van het Bor. Bij dit oordeel heeft de Afdeling betrokken dat de luifel inklapbaar is, bevestigd is aan een gevel en mede ten doel heeft om de zon op de gevel van het pand te weren. De afmeting van de maximale uitkraging van de luifel leidt niet tot een ander oordeel, reeds nu het Bor op dat punt geen eisen stelt. Dat de luifel bezoekers van het terras ook beschermt tegen regen, betekent niet dat de luifel niet kan worden aangemerkt als zonwering, aldus de Afdeling in haar uitspraak van 14 oktober 2015.

Het bouwwerk waar om handhaving is verzocht is aangebracht aan de zuidzijde, boven het balkon/terras van de woning met de bedoeling om de zon uit de woning te weren. Het bouwwerk is door middel van trekstangen aan de bovenkant van de gevel van de woning bevestigd. Het bouwwerk is permanent aanwezig, is niet inklapbaar en is voorzien van zonwerende, doorzichtige beplating. Naar het oordeel van de Afdeling is het bouwwerk gelet op deze feitelijk constructie, geen zonwering als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 8 van bijlage II van het Bor. De omstandigheden dat de beplating uitneembaar is ten behoeve van onderhoudswerkzaamheden aan de gevel en om de beplating zelf schoon te maken, geven geen aanleiding voor een ander oordeel. Deze omstandigheden maken niet dat de feitelijke constructie hierdoor niet permanent aanwezig is of anderszins wijzigt. Verder maakt de omstandigheid dat het bouwwerk de bedoeling heeft om de zon te weren, op zich zelf niet dat het bouwwerk reeds om die reden als zonwering als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 8 kan worden aangemerkt.

Het betoog faalt.

6. Zoals onder 4 is overwogen is het hoger beroep van [appellant sub 1] gegrond. Het incidenteel voorwaardelijk hoger beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 2 maart 2015 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 4:6 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Het college dient een nieuw besluit op het bezwaar van [appellant sub 1] te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.

Judiciële lus

7. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit op het door [appellant sub 1] gemaakte bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

8. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1] gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 januari 2016 in zaak nr. 15/1999;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht van 2 maart 2015, kenmerk 1346766;

IV. verklaart het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] ongegrond;

V. bepaalt dat tegen het door het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.014,52 (zegge: tweeduizend en veertien euro en tweeënvijftig cent), gedeeltelijk toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht aan [appellant sub 1] het door haar betaalde griffierecht van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2017

414.