Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1589

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-06-2017
Datum publicatie
14-06-2017
Zaaknummer
201607853/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 augustus 2016 heeft het college het wijzigingsplan "Woning Beutenaken, Slenaken" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Natuurbeschermingswet 1998
Flora- en faunawet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3120
JOM 2017/648
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201607853/1/R1.

Datum uitspraak: 14 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Beutenaken, gemeente Gulpen-Wittem,

en

het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) van Gulpen-Wittem,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 augustus 2016 heeft het college het wijzigingsplan "Woning Beutenaken, Slenaken" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende] heeft desgevraagd een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[belanghebbende] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2017, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant], en het college, vertegenwoordigd door R. Defaux, zijn verschenen. Verder is ter zitting [belanghebbende] als partij gehoord.

Overwegingen

Toetsingskader

1.    Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan mag de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt echter niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat aan de in een bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan, laat de plicht van het college van burgemeester en wethouders onverlet om in de besluitvorming omtrent de vaststelling van een wijzigingsplan na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming is gerechtvaardigd.

Het wijzigingsplan

2.    Het wijzigingsplan vindt zijn grondslag in het geldende bestemmingsplan "Gulpen - Wittem Buitengebied" dat door de raad is vastgesteld op 5 januari 2011. In dat plan is aan het gebied waarop het wijzigingsplan betrekking heeft de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" toegekend.

    Het wijzigingsplan voorziet op grond van artikel 43, lid 43.3, van de planregels bij het bestemmingsplan "Gulpen - Wittem Buitengebied" in de bestemmingen "Wonen" en "Agrarisch met waarden - natuur- en landschapswaarden", ten behoeve van de realisering van een woning aldaar.

2.1.    Artikel 43, lid 43.3, van de planregels bij het bestemmingsplan "Gulpen - Wittem Buitengebied" luidt: "Burgemeester en Wethouders kunnen, toepassing gevende aan de 'Verhandelbare Ontwikkelings-Rechten-methode (VORm)', het plan wijzigen ten behoeve van het realiseren van één of meerdere burgerwoningen of andere stedelijke functies op passende locaties, in ruil voor een ruimtelijke kwaliteitsverbetering waarbij ingezet wordt op ecologische en maatschappelijke doelen, mits voldaan wordt aan de algemene randvoorwaarden en de specifieke voorwaarden, zoals deze zijn vermeld in de 'POL-herziening op onderdelen Contourenbeleid Limburg', met dien verstande, dat:

a. zoveel als mogelijk aansluiting wordt gezocht bij de in dit plan opgenomen bestemmingen;

b. ontwikkelingen niet binnen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) plaatsvinden;

c. sprake is van een goed woon- en leefklimaat."

Inleiding

3.    [appellant] en anderen wonen allen in de omgeving van het plangebied. Zij zijn tegen de realisering van een woning aldaar, omdat het plangebied volgens hen onderdeel is van een kwetsbaar gebied waarin geen bebouwing zou moeten worden opgericht. [appellant] en anderen stellen dat het op grond van de gemeentelijke structuurvisie niet is toegestaan om ter plaatse van het plangebied - dat onderdeel uitmaakt van het buitengebied - een woning te realiseren. Verder vinden [appellant] en anderen dat de kwaliteitsverbeterende maatregelen die in verband met de realisering van de woning moeten worden genomen, in het wijzigingsplan onvoldoende zijn geborgd. Dit geldt volgens hen tevens voor het duurzame en innovatieve karakter van het bouwplan. [appellant] en anderen betwijfelen of de kostenposten in het inrichtings- en beheervoorstel juist zijn opgevoerd en of de dassenburcht die nabij het plangebied aanwezig is, niet door de werkzaamheden zal worden verstoord. Tevens heeft de gemeente zich volgens [appellant] en anderen onvoldoende rekenschap gegeven van de uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2396, waarbij het wijzigingsplan van 7 oktober 2014 ten behoeve van dezelfde ontwikkeling is vernietigd.

Het beroep

Advies door de Stichting Kwaliteitscommissie Limburg

4.    [appellant] en anderen betogen dat het college ten onrechte niet het gehele ontwerp-wijzigingsplan ter advisering aan de Stichting Kwaliteitscommissie Limburg (hierna: SKL) heeft voorgelegd, maar alleen het onderdeel dat naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2015 volgens het college is gerepareerd. Zij voeren hiertoe aan dat het wijzigingsplan van 7 oktober 2014 bij uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2015 geheel is vernietigd. Omdat het gehele wijzigingsplan op 23 augustus 2016 opnieuw is vastgesteld, had volgens [appellant] en anderen over het gehele ontwerp-wijzigingsplan advies moeten worden gevraagd.

4.1.    In de plantoelichting staat dat de ontwikkeling waarin het plan voorziet, moet worden getoetst aan het gemeentelijk kwaliteitsmenu zoals beschreven in de Intergemeentelijke Structuurvisie Gulpen-Wittem, Vaals en Valkenburg aan de Geul (hierna: de structuurvisie), vastgesteld door de raad op 29 maart 2012 wat betreft het onderdeel Gulpen-Wittem. Op grond van het gemeentelijk kwaliteitsmenu dient elders in het buitengebied een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit plaats te vinden. De plannen voor deze kwaliteitsverbetering dienen door de SKL te worden beoordeeld.

    Het advies van de SKL is als bijlage bij de plantoelichting gevoegd. In het advies wordt verwezen naar de oorspronkelijke aanvraag van [belanghebbende] voor de bouw van een woning in het plangebied. Voorts wordt in het advies de uitspraak van de Afdeling van 29 juni 2015 aangehaald. Het advies bevat voorts het oordeel van de SKL over de wijze waarop in het thans in het geding zijnde plan de voorgeschreven kwaliteitsverbetering is vormgegeven.

4.2.    Het college heeft toegelicht dat het gehele ontwerp-wijzigingsplan ter advisering aan de SKL is voorgelegd. Het heeft er echter ter zitting op gewezen dat de adviestaak van de SKL zoals omschreven in de structuurvisie zich ten aanzien van het wijzigingsplan beperkt tot de beoordeling van de ruimtelijke kwaliteitsverbetering die op grond van het gemeentelijk kwaliteitsmenu dient plaats te vinden. Volgens het college is het daarom vanzelfsprekend dat het advies van SKL zich slechts daarop richt. Gelet op deze toelichting van het college en nu niet is gebleken dat de SKL over bepaalde onderdelen van het plan ten onrechte niet heeft geadviseerd, faalt het betoog van [appellant] en anderen.

Strijd met de Intergemeentelijke Structuurvisie

5.    [appellant] en anderen betogen dat het wijzigingsplan is vastgesteld in strijd met het gemeentelijke beleid zoals vastgelegd in de structuurvisie. Hiertoe voeren zij aan dat de locatie waar de woning is voorzien, is gelegen in een beekdalbodem, waarin volgens de structuurvisie alleen ontwikkelingen zijn toegestaan in de overgang van kernen naar het buitengebied. Omdat het plangebied niet is aan te merken als een overgangsgebied van een kern naar het buitengebied, maar formeel als buitengebied, staat de structuurvisie volgens hen in de weg aan realisering van de woning in het plan. [appellant] en anderen wijzen er in dit verband op dat de dichtstbij gelegen kern - die van Slenaken - zich op ongeveer een kilometer afstand van het plangebied bevindt en halen diverse passages uit de structuurvisie aan.

5.1.    Het college stelt dat het plan niet is vastgesteld in strijd met de structuurvisie. Het wijst er tevens op dat de Afdeling in haar uitspraak van 29 juli 2015 reeds heeft geoordeeld dat de structuurvisie niet in de weg staat aan de realisering van de woning in het plangebied en verwijst naar de relevante overwegingen in die uitspraak.

5.2.    Niet in geschil is dat het plangebied is gelegen in een zone die in de structuurvisie is aangeduid als beekdalbodem. In de structuurvisie staat op p. 31 dat in deze zone kleinschalige invullingen aan de bebouwingsranden in de overgang van kernen naar het buitengebied plaatselijk mogelijk zijn, mits sprake is van een kwaliteitsverbetering ter plaatse.

    Ten aanzien van het begrip "kern" wordt in de structuurvisie op p. 67 een driedeling gemaakt: in het structuurvisiegebied zijn in de eerste plaats hoofdkernen aanwezig en in de tweede plaats kerkdorpen. Deze zijn gelegen binnen de rode contour. In de derde plaats zijn er gehuchten, clusters en linten die zijn gelegen buiten deze contour. Het plangebied is gelegen in de buurtschap Beutenaken - die zich kenmerkt door lintbebouwing - en valt dus binnen de categorie van gehuchten, clusters en linten. Volgens de structuurvisie dienen de ontwikkelingen die hier nog kunnen plaatsvinden te worden gekoppeld aan het gemeentelijke kwaliteitsmenu, omdat formeel sprake is van buitengebied.

5.3.    De Afdeling heeft in haar uitspraak van 29 juli 2015 geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de woningbouwlocatie binnen lintbebouwing is gelegen. Tevens heeft de Afdeling in die uitspraak vastgesteld dat - anders dan [appellant] en anderen veronderstelden - uit de structuurvisie niet volgt dat slechts sprake kan zijn van een lint als lintbebouwing grenst aan een bebouwingskern. Nu de situatie thans niet verschilt van de situatie die destijds aan de orde was, ziet de Afdeling geen aanleiding om hierover nu anders te oordelen.

    Voor zover [appellant] en anderen hebben beoogd aan te voeren dat uit de door hen aangehaalde passages in de structuurvisie moet worden afgeleid dat de begrippen "kern" en "buitengebied" elkaar uitsluiten -  in die zin dat een gebied dat deel uitmaakt van het buitengebied, nooit tevens een kern kan zijn - overweegt de Afdeling als volgt. Het college heeft toegelicht dat de structuurvisie op dit punt niet zo moet worden begrepen. Volgens het college vloeit voldoende duidelijk uit de structuurvisie voort dat de gehuchten, clusters en linten enerzijds zijn ingedeeld als de derde categorie van kernen en anderzijds deel uitmaken van het buitengebied. Juist omdat deze kernen ook deel uitmaken van het buitengebied, dienen ontwikkelingen die er plaatsvinden te worden gekoppeld aan het kwaliteitsmenu.

    Gelet op deze toelichting van het college en nu er ook taalkundig gezien geen aanleiding bestaat om [appellant] en anderen in hun betoog te volgen, geeft hetgeen zij hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd met de structuurvisie is vastgesteld.  Het betoog faalt.

Waarborging in het plan van kwaliteitsverbeterende maatregelen

6.    [appellant] en anderen betogen dat de uitvoering van de kwaliteitsverbeterende maatregelen en het bedrag dat hieraan moet worden besteed, onvoldoende zijn gewaarborgd. Dit geldt tevens voor het duurzame karakter van de woning. Zij voeren hiertoe aan dat in de structuurvisie staat dat de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) hiertoe geen mogelijkheden biedt. Om die reden biedt de omstandigheid dat hierover in het plan regels zijn opgenomen volgens [appellant] en anderen onvoldoende garanties. Datzelfde geldt volgens hen voor het verbinden van voorwaarden aan de te verlenen omgevingsvergunning. [appellant] en anderen voeren voorts aan dat het college weliswaar stelt dat het afdwingen van de kwaliteitsverbetering ook privaatrechtelijk is geregeld, maar dat zij betwijfelen of een overeenkomst voldoende handvatten biedt om nakoming te kunnen afdwingen als het perceel zou worden verkocht. Zij stellen dat het college aan een deel van het plangebied in plaats van de bestemming "Agrarisch met waarden - natuur- en landschapswaarden" daarom een natuurbestemming had moeten toekennen.

6.1.    Het college stelt zich op het standpunt dat de uitvoering van de kwaliteitscompensatie voldoende is gewaarborgd. Dit is in de eerste plaats via de planregels gebeurd en in de tweede plaats via een privaatrechtelijke overeenkomst tussen de gemeente en [belanghebbende]. Volgens het college is aldus zekergesteld dat de kwalitatieve verplichtingen blijven bestaan, ook als het perceel zou worden verkocht. Ten aanzien van het duurzame karakter van de woning stelt het college zich op het standpunt dat de eisen die hieromtrent in het Bouwbesluit zijn vermeld, zullen worden nageleefd.

6.2.    Artikel 4, lid 4.2.5, van de planregels luidt: "Mitigerende maatregelen ten behoeve van de das. Het oprichten van bebouwing ter plaatse van de voor 'Wonen' aangewezen gronden is alleen toegestaan als de mitigerende maatregelen conform het mitigatieplan zoals opgenomen in Bijlage 1, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - mitigerende maatregelen’, is uitgevoerd."

    Artikel 4, lid 4.2.6, van de planregels luidt: "Natuurcompensatie. Het oprichten van bebouwing ter plaatse van de voor 'Wonen' aangewezen gronden is alleen toegestaan als de natuurcompensatie conform het landschapsplan en beheer- en inrichtingsplan, zoals opgenomen in Bijlage 2 en 3 is uitgevoerd."

    Artikel 4, lid 4.5.4, van de planregels luidt: "Stedenbouwkundig en landschappelijk ontwerp woning. Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de voor 'Wonen' aangewezen gronden conform de bestemming 'Wonen' is alleen toegestaan als de mitigerende maatregelen conform het mitigatieplan zoals opgenomen in Bijlage 1, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - mitigerende maatregelen' zijn uitgevoerd en in stand worden gehouden."

    Artikel 4, lid 4.5.5, van de planregels luidt: "Natuurcompensatie. Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de voor 'Wonen' aangewezen gronden conform de bestemming 'Wonen' is alleen toegestaan als de natuurcompensatie conform het landschapsplan en beheer- en inrichtingsplan, zoals opgenomen in Bijlage 2 en 3 is uitgevoerd en in stand wordt gehouden."

6.3.    De Afdeling overweegt dat in de door de appellanten aangehaalde passage in de structuurvisie staat dat de Wro geen mogelijkheden biedt om de realisatie van een bestemming af te dwingen. Dat neemt niet weg dat als tot realisering van de bestemming wordt overgegaan, hieraan voorwaarden kunnen worden gesteld via de figuur van de voorwaardelijke verplichting. De Afdeling stelt vast dat in het plan in artikel 4, leden 4.2.5 en 4.2.6, van de planregels, een voorwaardelijke verplichting is opgenomen ten behoeve van de realisering en de instandhouding van de kwaliteitsverbeterende maatregelen. Het landschapsplan waarnaar in de planregels wordt verwezen, noemt tevens het bedrag dat aan kwaliteitsverbeterende maatregelen moet worden besteed. De voorwaardelijke verplichting in het plan is gekoppeld aan het oprichten van bebouwing in het plangebied en brengt met zich dat hiertoe niet mag worden overgegaan als de kwaliteitsverbeterende maatregelen niet zijn gerealiseerd en worden instandgehouden. Niet naleving van deze verplichting betekent dat jegens de rechthebbenden van het perceel handhavend kan worden opgetreden. De Afdeling stelt voorts vast dat in het plan in artikel 4, leden 4.5.4 en 4.5.5, van de planregels, een zelfde voorwaardelijke verplichting is opgenomen die is gekoppeld aan het gebruik van de voor "Wonen" aangewezen gronden conform die bestemming. Niet naleving van deze verplichting betekent dat ook jegens de gebruikers van het perceel handhavend kan worden opgetreden.

    Gelet op het voorgaande bestaat reeds daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de uitvoering en instandhouding van de kwaliteitsverbeterende maatregelen in het plan onvoldoende zijn gewaarborgd. De Afdeling overweegt ten overvloede dat de exploitatieovereenkomst die op 23 augustus 2016 tussen de gemeente en [belanghebbende] is gesloten - waarin tevens een boete- en kettingbeding zijn opgenomen - eveneens voorziet in de uitvoering en instandhouding van de kwaliteitsverbeterende maatregelen, zodat dit ook langs privaatrechtelijke weg is gewaarborgd. Het betoog faalt in zoverre.

6.4.    Ten aanzien van hetgeen [appellant] en anderen over de waarborging van het duurzame karakter van de woning hebben aangevoerd, overweegt de Afdeling dat in de uitspraak van 25 juli 2015 reeds is overwogen dat in afdeling 5.1 van het Bouwbesluit 2012 regels zijn neergelegd over energiezuinigheid, welke bij de bouw van woningen in acht moeten worden genomen. Omdat het Bouwbesluit voorts een uitputtend karakter heeft, bestaat geen ruimte om in het plan op dit punt een nadere regeling te treffen. Ook in zoverre faalt het betoog.

Kostenposten in het inrichtings- en beheervoorstel

7.    [appellant] en anderen betogen voorts dat enkele kostenposten in het inrichtings- en beheervoorstel te hoog zijn opgevoerd. Zij voeren hiertoe aan dat deze bedragen op grond van de Subsidieregeling Groen Blauw Stimuleringskader anders zouden moeten luiden. Volgens [appellant] en anderen is het college dit ten onrechte niet nagegaan en heeft het slechts verwezen naar het advies van de SKL, zodat het plan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is vastgesteld.

7.1.    Het college stelt dat de SKL de kostenposten in het inrichtings- en beheervoorstel heeft beoordeeld aan de hand van het document "Aanleg Kwaliteitsgroen - Kwaliteitsverbetering in het kader van het Limburgs Kwaliteitsmenu" (hierna: "Aanleg Kwaliteitsgroen") van maart 2011, dat door Bosgroep Zuid-Nederland in opdracht van de provincie Limburg is opgesteld. Het document bevat voorbeelden van kwaliteitsverbeterende maatregelen en beschrijvingen van de kosten daarvan en wordt door de SKL gebruikt als richtsnoer ten behoeve van de advisering over bouwplannen in het kader van het gemeentelijk kwaliteitsmenu. Daardoor is er volgens het college geen reden om de correctheid van de berekeningsgrondslag en hoogte van de kostenposten in het inrichtings- en beheervoorstel ter discussie te stellen.

7.2.    De Afdeling overweegt dat de SKL het inrichtings- en beheervoorstel alsmede de daaraan gekoppelde kosten in haar advies heeft betrokken. Deze kosten zijn door de SKL beoordeeld aan de hand van het provinciale beleidsstuk "Aanleg Kwaliteitsgroen" van maart 2011. In de enkele stelling van [appellant] en anderen dat de SKL in haar advies ook van ander beleid had kunnen uitgaan - hetgeen volgens hen tot een andere uitkomst zou hebben geleid - ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het beleid dat de SKL heeft gehanteerd, onredelijk is. De Afdeling ziet daarom evenmin aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid aansluiting heeft kunnen zoeken bij de advies van SKL en dat het plan in zoverre onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Het betoog faalt.

Bescherming van de dassenburcht

8.    [appellant] en anderen betogen verder dat de aanwezigheid van een dassenburcht in de directe omgeving van het plangebied met zich brengt dat de werkzaamheden die in verband met de kwaliteitsverbeterende maatregelen op het perceel moeten worden uitgevoerd, geen doorgang kunnen vinden. Volgens [appellant] en anderen zullen deze leiden tot verstoring van de dassenburcht.

8.1.    Het college stelt zich op het standpunt dat de kwaliteitsverbeterende en mitigerende maatregelen ertoe leiden dat het leef- en foerageergebied van de dassen die in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn, verbeteren. Volgens het college wordt dit bevestigd in de notitie "Inrichting perceel sectie F nummer 95 ten behoeve van de das" van Ecoplanning (hierna: de notitie van Ecoplanning) van 17 december 2016. De aanwezigheid van een dassenburcht in de omgeving van het plangebied staat daarom volgens het college niet aan de uitvoerbaarheid van de noodzakelijke werkzaamheden in de weg.

8.2.    Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) in werking getreden en zijn de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) en de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) ingetrokken. Uit artikel 9.10 van de Wnb volgt dat dit geschil, nu het plan is vastgesteld vóór 1 januari 2017, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

8.3.    De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Wnb nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was de Ffw het geldende recht. De raad heeft het plan niet kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg stond

8.4.    De gevolgen van de uitvoering van kwaliteitsverbeterende maatregelen voor de in de omgeving van het plangebied aanwezige dassen, zijn beoordeeld door Ecoplanning. Zij zijn beschreven in de notitie van Ecoplanning van 17 december 2016.

    In de notitie staat dat de kwaliteitsverbeterende maatregelen leiden tot een verbetering van het leefgebied van de das. Zo zal de aanleg van de poel ertoe leiden dat de dassen dichterbij de burcht kunnen drinken en minder snel de langs het plangebied gelegen weg oversteken. Voorts staat in de notitie dat de werkzaamheden zullen plaatsvinden op een afstand van ten minste 20 meter van de dassenburcht, zodat van verstoring van de dassenburcht geen sprake zal zijn.

    Gelet op de inhoud van de notitie van Ecoplanning bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college er niet van heeft mogen uitgaan dat het uitvoeren van werkzaamheden in verband met de te nemen kwaliteitsverbeterende maatregelen, geen negatieve effecten zal hebben op de dassen die in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Het college heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Het betoog faalt.

Predecentwerking

9.    [appellant] en andere vrezen voorts dat het plan leidt tot precendentwerking voor de realisering van de andere woningen in de omgeving.

9.1.    De wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan "Gulpen - Wittem Buitengebied" voorziet in de mogelijkheid om het plan te wijzigen ten behoeve van het realiseren van één of meer burgerwoningen of andere stedelijke functies. Hieraan zijn evenwel voorwaarden verbonden. Zo dient onder meer een ruimtelijke kwaliteitsverbetering plaats te vinden, waarbij wordt ingezet op ecologische en maatschappelijke doelen, en moet tevens zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij de bestemmingen zoals opgenomen in het bestemmingsplan "Gulpen - Wittem Buitengebied". Initiatiefnemers zullen aan deze voorwaarden moeten voldoen voordat het college kan overgaan tot de vaststelling van een wijzigingsplan ten behoeve van de realisering van een woning. Voor zover het college een dergelijk wijzigingsplan wenst vast te stellen, geldt daarnaast dat het dient te voldoen aan een goede ruimtelijke ordening, waarbij ook de belangen van omwonenden moeten worden betrokken. De vrees van [appellant] en anderen dat dit plan zonder meer zal leiden tot realisering van andere woningen in de omgeving, is naar het oordeel van de Afdeling dan ook niet terecht. Het betoog faalt.

Conclusie

10.    Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Groen, griffier.

w.g. Kramer    w.g. Groen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2017

831.