Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1585

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-06-2017
Datum publicatie
14-06-2017
Zaaknummer
201603565/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:2378, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 maart 2014 heeft het college het verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3041
JOM 2017/643
OGR-Updates.nl 2017-0119
Jurisprudentie Grondzaken 2017/191 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201603565/1/A2.

Datum uitspraak: 14 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Zwijndrecht,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 april 2016 in zaak nr. 15/1961 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwijndrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2014 heeft het college het verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 3 februari 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 april 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 april 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. E. van Kampen, en het college, vertegenwoordigd door E.V.P.E. Deleij, zijn verschenen. Voorts is mr. I.M.A.M. de Looij, werkzaam bij de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ), van de zijde van het college als deskundige verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] is van 23 februari 2001 tot en met 25 januari 2013 eigenaar geweest van de woning en opstallen op het perceel aan de [locatie] te Zwijndrecht (het perceel). De Maasboulevard is gelegen aan de Oude Maas.

    Op 12 december 2012 heeft [appellant] het college verzocht om een tegemoetkoming in de planschade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van het bestemmingsplan "Bunkerstations" (hierna: het nieuwe bestemmingsplan), dat op 26 januari 2012 in werking is getreden en op 24 oktober 2012 in rechte onaantastbaar is geworden. Op basis van het nieuwe bestemmingsplan kan op de Oude Maas, onder meer ter hoogte van het perceel, een bunkerstation worden gerealiseerd. Onder het voorheen geldende bestemmingsplan "Westkeetshaven" (hierna: het oude bestemmingsplan) was op een op de plankaart aangegeven zone op de Oude Maas, onder meer gelegen ter hoogte van het perceel, een vaste aanlegplaats voor bestaande bunkerschepen mogelijk. Volgens [appellant] heeft het nieuwe bestemmingsplan tot een aantasting van het woongenot en een waardevermindering van het perceel geleid, omdat het vrije uitzicht op de historische stad Dordrecht door het bunkerstation, dat groter en hoger is dan bunkerschip […], dat er voorheen lag, wordt belemmerd.

2.    Het college heeft over het op de aanvraag te nemen besluit advies gevraagd aan de SAOZ.

    De SAOZ heeft in een advies van september 2014 uiteengezet dat [appellant] ten tijde van de aankoop van het perceel, op 21 september 2000, al rekening had kunnen houden met de omstandigheid dat de ligging van het bunkerschip zou worden gewijzigd en dat het nieuwe schip in omvang enigszins ruimer zou zijn dan het oude schip. Daartoe heeft de SAOZ uiteengezet dat burgemeester en wethouders op basis van het oude bestemmingsplan bevoegd waren nadere eisen te stellen omtrent de situering van de aanlegplaatsen, die situering te wijzigen en het aantal bunkerschepen te wijzigen. Voorts was in de toelichting van het oude bestemmingsplan opgenomen dat rekening moest worden gehouden met ‘een nieuw, enigszins vergroot schip’. Dat uit het oude bestemmingsplan nog niet de exacte hoogte van het nieuwe schip kon worden afgeleid doet hieraan niet af. Aangezien het begrip ‘enigszins’ niet nader is gedefinieerd en de hoogte van het nieuwe bunkerstation (inclusief een gedeelte onder de waterlijn) 8,8 meter bedraagt, kan een toename in de hoogte van 1,5 tot 2 meter volgens de SAOZ als ‘enigszins’ hoger worden aangemerkt, te meer nu de kortste afstand tussen het bunkerstation en de woning van [appellant] 39 meter bedraagt. Het voorgaande betekent dat de planologische wijziging ten tijde van de aankoop van het perceel op basis van de toentertijd van overheidswege openbaar gemaakte ruimtelijke beleidsvoornemens was te voorzien, zodat het verzoek van [appellant] reeds hierom kan worden afgewezen, aldus de SAOZ.

    De SAOZ heeft volledigheidshalve nog wel een planologische vergelijking gemaakt. Aangezien het nieuwe bestemmingsplan een permanent bunkerstation, bestaande uit drie lagen, mogelijk maakt, is het zicht vanuit de woning van [appellant], en dan met name vanaf de eerste verdieping, over een kortste afstand van circa 39 meter verder beperkt. Voorts wordt enige toename van hinder, gerelateerd aan het nieuwere, omvangrijkere bunkerstation, door de SAOZ aannemelijk geacht, maar is geen sprake van een zwaar planologisch nadeel. Hierbij heeft de SAOZ betrokken dat op de gronden die zijn gelegen tussen het perceel en de Oude Maas onder meer lichtmasten en kunstwerken in de openbare ruimte met een maximale hoogte van 7 meter mogelijk waren, alsmede bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van het scheepvaartverkeer, met een bouwhoogte van niet meer dan 4,5 meter boven de kademuur en, voor het waterbussysteem, gebouwen met een maximale goothoogte van 4 meter (en een kapconstructie) en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een bouwhoogte van niet meer dan 6 meter.

    De SAOZ heeft ten slotte, nu zij tot de conclusie komt dat het planologisch nadeel voorzienbaar was, een taxatie van het perceel en een bepaling van de omvang van het normaal maatschappelijk risico achterwege gelaten.

    Het college heeft dit advies van de SAOZ aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd en besloten het verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade af te wijzen.

    De rechtbank heeft geoordeeld dat het college dit terecht heeft gedaan.

Hoger beroep

3.    [appellant] kan zich met dit oordeel van de rechtbank niet verenigen. Volgens hem heeft de rechtbank miskend dat uit de zinsnede in de toelichting van het oude bestemmingsplan dat rekening moest worden gehouden met ‘een nieuw, enigszins vergroot schip’ ten onrechte voorzienbaarheid is afgeleid, nu hij, gelet op die zinsnede, juist geen rekening hoefde te houden met een nieuw, omvangrijker bunkerstation. Dat de SAOZ in haar advies uiteen heeft gezet dat het uitzicht vanuit de woning wordt beperkt door het nieuwe, omvangrijkere bunkerstation, onderstreept dit. De term ‘enigszins vergroot schip’ is juist in de toelichting terecht gekomen omdat de gemeente daarmee wilde veiligstellen dat de bewoners van de nieuw te bouwen woningen op die manier het zicht op de Dordtse binnenstad zouden behouden, aldus [appellant].

3.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582) is voor het aannemen van risicoaanvaarding niet vereist dat verwezenlijking van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel volledig en onherroepelijk vaststaat, of dat deze maatregel in detail is uitgewerkt of dat de omvang van de nadelige gevolgen met nauwkeurigheid kan worden bepaald. Beslissend is of op het moment van investering, de aankoop van de woning, de mogelijkheid van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel zodanig kenbaar was, dat hiermee bij de beslissing tot investering rekening kon worden gehouden.

3.2.    Ten tijde van de aankoop van het perceel door [appellant] op 21 september 2000 gold het oude bestemmingsplan. Dit plan maakte reeds een vaste aanlegplaats voor bestaande bunkerschepen mogelijk in een op de plankaart aangegeven zone die gelegen was ter hoogte van het perceel. Voorts was in de planregels bij het oude bestemmingsplan onder meer voorzien in de mogelijkheid dat burgemeester en wethouders de situering van die vaste aanlegplaats dan wel het aantal bunkerschepen zouden wijzigen. Uit de toelichting bij het oude bestemmingsplan valt voorts af te leiden dat op de ligplaats van bunkerschip Theuns, dat ter hoogte van het perceel lag, rekening moet worden gehouden met een nieuw, enigszins vergroot schip.

    In het oude bestemmingsplan waren geen regels opgenomen die voorzagen in de maximum afmetingen, waaronder de maximum hoogte, van de toegestane bunkerschepen. Gesteld noch gebleken is dat er beperkingen in de bouwverordening of andere stukken waren opgenomen die in de weg zouden staan aan de plaatsing van een bunkerschip dat wat betreft de grootte en hoogte vergelijkbaar is met het onder het nieuwe bestemmingsplan mogelijk gemaakte bunkerstation. Voorts is een bunkerstation qua bouw- en gebruiksmogelijkheden op één lijn te stellen met een bunkerschip. Het college heeft zich daarom, in navolging van de SAOZ, terecht op het standpunt gesteld dat een ontwikkeling als de onderhavige voor [appellant] ten tijde van de aankoop van het perceel voorzienbaar was. Dat, naar [appellant] stelt, het thans gerealiseerde bunkerstation massaler oogt dan het bunkerschip van Theuns dat voorheen voor zijn perceel lag, maakt dit niet anders. Zoals de Afdeling eerder, bijvoorbeeld in voormelde uitspraak van 28 september 2016 heeft overwogen, is immers bij de planvergelijking niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden.

    Het betoog faalt.

4.    Het voorgaande betekent dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de schade als gevolg van de planologische wijziging ten tijde van de aankoop van het perceel voor [appellant] voorzienbaar was, zodat de daardoor geleden planschade voor zijn rekening behoort te blijven. Dit betekent dat aan een beoordeling van de door de SAOZ ten overvloede gemaakte planvergelijking niet meer hoeft te worden toegekomen. Het betoog van [appellant], dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de kernwaarde van het belang van het zicht op de Dordtse binnenstad niet wezenlijk kon worden aangetast onder het oude bestemmingsplan, nu onder het oude bestemmingsplan, anders dan waar de SAOZ van uit is gegaan, op de gronden gelegen tussen het perceel en de Oude Maas alleen bouwwerken ten behoeve van de scheepvaart mogelijk waren, behoeft daarom geen bespreking meer.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Ouwehand

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2017

752.