Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1581

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-06-2017
Datum publicatie
14-06-2017
Zaaknummer
201604015/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 april 2016 heeft de minister aan [appellante sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] krachtens artikel 2, vijfde lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht (hierna: BP) een plicht opgelegd tot het gedogen van de aanleg en instandhouding van een 150 kV en 380 kV-hoogspanningsverbinding met bijkomende werken tussen Doetinchem en Voorst.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Belemmeringenwet Privaatrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TBR2017/129 met annotatie van F.A. Mulder, F.A. Linssen
JOM 2017/649
JGROND 2017/69 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201604015/1/R1.

Datum uitspraak: 14 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellante sub 1] en anderen, gevestigd onderscheidenlijk wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

de minister van Infrastructuur en Milieu,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2016 heeft de minister aan [appellante sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] krachtens artikel 2, vijfde lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht (hierna: BP) een plicht opgelegd tot het gedogen van de aanleg en instandhouding van een 150 kV en 380 kV-hoogspanningsverbinding met bijkomende werken tussen Doetinchem en Voorst.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

De minister heeft verweerschriften ingediend.

[appellante sub 1] en anderen, TenneT TSO B.V. en de minister hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 januari 2017, waar - voor zover thans van belang - [appellante sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door mr. M.J.H. van Baalen, advocaat te Wageningen, bijgestaan door [gemachtigde A], [appellant sub 2], bijgestaan door mr. C.F. van Helvoirt, advocaat te Nijmegen, en [gemachtigde B], [appellant sub 3], bijgestaan door ir. E.G.J. Schuerink, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M. Vink, zijn verschenen. Voorts is ter zitting TenneT, vertegenwoordigd door mr. N.H. van den Biggelaar, advocaat te Amsterdam, bijgestaan door M. Schreurs, ing. H.A.M. Erinkveld, F. Mastrop, S. Huvenaars, ir. M. Janssen, L. Tammes, ir. H. Prins, ir. M. Janssen en P. Boorsma, als partij gehoord.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend met het oog op het inwinnen van nadere schriftelijke inlichtingen als bedoeld in artikel 8:45 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De minister heeft vervolgens nadere inlichtingen verstrekt. Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [appellante sub 1] en anderen, [appellant sub 2], [appellant sub 3] en TenneT een reactie hierop ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een nadere zitting behandeld op 11 april 2017, waar [appellante sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde A], [appellant sub 2], bijgestaan door mr. C.F. van Helvoirt, [appellant sub 3], vertegenwoordigd door ir. E.G.J. Schuerink, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M. Vink en mr. J.H. van Dijk-Berends, zijn verschenen. Voorts is tijdens de nadere zitting TenneT, vertegenwoordigd door mr. N.H. van den Biggelaar, bijgestaan door M. Schreurs en ing. H.A.M. Erinkveld, als partij gehoord.

Tijdens de zitting van 11 april 2017 heeft de minister een besluit van 10 april 2017 overgelegd, waarbij hij het besluit van 29 april 2016 heeft ingetrokken, voor zover dat ziet op [appellante sub 1] en anderen.

Overwegingen

Bijlage

1.    De (wettelijke) bepalingen die ten grondslag liggen aan de hierna volgende rechtsoverwegingen, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Inleiding

2.    De bij besluit van 29 april 2016 opgelegde gedoogplicht houdt verband met de aanleg en instandhouding van de nieuwe 150/380 kV hoogspanningsverbinding tussen Doetinchem en Voorst. Deze lijn is ongeveer 22 km lang en wordt bovengronds aangelegd. Het is een onderdeel van de internationale verbinding tussen Doetinchem en Wesel. Met deze internationale verbinding wordt de zogenoemde interconnectiecapaciteit vergroot. Dit is uit een oogpunt van leveringszekerheid gewenst. Hiermee worden voor Nederland en Duitsland de mogelijkheden vergroot om elkaar te kunnen bijstaan in geval van problemen bij het opwekken of transporteren van elektriciteit.

    De planologische basis voor de hoogspanningsverbinding is het rijksinpassingsplan "Inpassingsplan DW380 Doetinchem-Voorst" dat bij besluit van 7 april 2015 door de ministers van Economische Zaken en Infrastructuur en Milieu is vastgesteld (hierna: het rijksinpassingsplan).

Bij uitspraak van 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:465, heeft de Afdeling de beroepen tegen het rijksinpassingsplan gedeeltelijk niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond verklaard. Het tracé van de hoogspanningsverbinding staat hiermee in rechte vast.

    TenneT is verantwoordelijk voor de aanleg en instandhouding van de hoogspanningsverbinding.

Het beroep van [appellante sub 1] en anderen

3.    Het besluit van 29 april 2016 tot oplegging van de gedoogplicht heeft onder meer betrekking op de percelen, kadastraal bekend gemeente Wehl, sectie K, nummer 611 (hierna: perceel K611) en 276 (hierna: perceel K276). Deze percelen zijn eigendom van [appellante sub 1] en anderen. Op perceel K611 staan stallen, die gebruikt worden ten behoeve van een vleesvarkenshouderij met ongeveer 7.000 varkens. Perceel K276 betreft onbebouwde gronden, die worden gebruikt voor de teelt van maïs.

4.    Hangende het beroep tegen het besluit van 29 april 2016 heeft TenneT alsnog met [appellante sub 1] en anderen minnelijke overeenstemming bereikt. Dit heeft erin geresulteerd dat op 6 april 2017 een zakelijk recht van opstal is gevestigd voor de percelen K611 en K276. Vervolgens is de minister bij het besluit van 10 april 2017 overgegaan tot intrekking van het besluit van 29 april 2016, voor zover dat ziet op [appellante sub 1] en anderen.

5.    Er is voor [appellante sub 1] en anderen ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb geen beroep van rechtswege ontstaan tegen het besluit van 10 april 2017, omdat zij daarbij onvoldoende belang hebben, nu dit besluit tot gevolg heeft dat het besluit van 29 april 2016, waartegen zij bezwaren hebben, is ingetrokken.

6.    De Afdeling ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of [appellante sub 1] en anderen nog belang hebben bij hun beroep tegen het besluit van 29 april 2016.

    [appellante sub 1] en anderen hebben tijdens de zitting van 11 april 2017 in dit kader aangevoerd dat zij een principiële uitspraak wensen te verkrijgen over de - in hun optiek - onzorgvuldige handelwijze van de minister bij het opleggen van de gedoogplicht.

    De Afdeling overweegt hieromtrent, met verwijzing naar haar uitspraak van 16 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM7768, dat het enkele feit dat een partij een principiële uitspraak van de Afdeling wenst geen rechtens te honoreren belang oplevert. De Afdeling ziet dan ook geen ruimte voor de door [appellante sub 1] en anderen gewenste inhoudelijke bespreking.

Conclusie

7.    Het beroep van [appellante sub 1] en anderen tegen het besluit van 29 april 2016 is - vanwege het ontbreken van belang - niet-ontvankelijk.

Proceskosten en griffierecht

8.    De Afdeling ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding de minister op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellante sub 1] en anderen te veroordelen en ziet daarin tevens aanleiding de minister te gelasten het door hen betaalde griffierecht te vergoeden. Hierbij wordt in ogenschouw genomen dat met het besluit van 10 april 2017 alsnog de door [appellante sub 1] en anderen gewenste situatie, waarbij er geen gedoogplicht op hun percelen rust, is bereikt.

Het beroep van [appellant sub 2]

9.    [appellant sub 2] exploiteert jaarlijks ongeveer 18.000 ton pootaardappelen. Hij gebruikt hiervoor de percelen in de gemeente Wisch, sectie D, nummers 979, 980 en 1228, waarvan hij eigenaar is. Dit betreft onbebouwde landbouwgronden. De gedoogplicht ziet op deze percelen. Op één van deze percelen zal mast 42 worden gerealiseerd. [appellant sub 2] is ook eigenaar van omliggende percelen, waar de gedoogplicht niet op rust. Dit betreft de percelen gemeente Wisch, sectie D, nummers 1041 en 1042.

10.    [appellant sub 2] betoogt dat TenneT onvoldoende heeft getracht om langs minnelijke weg met hem tot overeenstemming te komen.

    Verder voert [appellant sub 2] aan dat er meer belemmering in het gebruik van zijn percelen wordt gebracht dan redelijkerwijs nodig is. Hij betoogt in dat kader dat zijn gehele percelen ten onrechte zijn belast met een gedoogplicht, dat in het besluit onvoldoende beperkingen zijn gesteld aan de duur van de werkzaamheden en dat in het besluit een verplichting had moeten worden opgenomen tot een zorgvuldige uitvoering van de werkzaamheden met het oog op het voorkomen van besmetting van zijn landbouwgronden met zogenoemde aaltjes.

Minnelijk overleg

11.    [appellant sub 2] voert aan dat TenneT geen serieuze en redelijke poging heeft gedaan om langs minnelijke weg met hem tot overeenstemming te komen. Daarbij wijst [appellant sub 2] erop dat TenneT hem weliswaar bij brief van 23 april 2015 een aanbod heeft gedaan tot het sluiten van een zakelijk recht overeenkomst, maar hem daarbij niet in staat heeft gesteld om de financiële gevolgen daarvan te overzien. Daarbij wijst [appellant sub 2] erop dat hem in deze brief geen aanbod is gedaan tot schadevergoeding wegens waardevermindering van bebouwing op zijn omliggende percelen. Nadien heeft TenneT weliswaar alsnog een aanbod gedaan tot schadevergoeding wegens waardevermindering van bebouwing op de omliggende percelen, maar volgens [appellant sub 2] heeft hij te weinig tijd gehad om dat aanbod te beoordelen. Voorts voert [appellant sub 2] aan dat een zogenoemde driedeskundigentaxatie - waarbij een taxatie wordt uitgevoerd door drie deskundigen, waarvan één is benoemd door TenneT, één door de rechthebbende en één door beide partijdeskundigen - ten onrechte pas aan de orde kan komen nadat een zakelijk recht overeenkomst is gesloten.

11.1.    Uit artikel 2, vijfde lid, van de BP volgt dat de minister de gedoogplicht pas kan opleggen, indien langs minnelijke weg redelijkerwijs niet in de gewenste vorm overeenstemming kan worden bereikt.

11.2.    De Afdeling overweegt, met verwijzing naar de uitspraak van 30 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6968, dat de minister zich op grond van artikel 2, vijfde lid, van de BP ervan dient te vergewissen dat een serieuze en redelijke poging is ondernomen om langs minnelijke weg tot overeenstemming te komen. In dit kader dient de minister te onderzoeken of de voorstellen tot schadevergoeding niet op voorhand als onwerkelijk en onredelijk moeten worden aangemerkt. Doet die situatie zich voor, dan is immers geen sprake van een serieuze en redelijke poging en is niet aan de uit artikel 2, vijfde lid, voortvloeiende overlegverplichting voldaan.    

11.3.    De Afdeling stelt vast dat voorafgaand aan het opleggen van de gedoogplicht onderhandelingen hebben plaatsgevonden tussen TenneT en [appellant sub 2]. Bij brief van 23 april 2015 heeft TenneT aan [appellant sub 2] een aanbod gedaan tot vestiging van een zakelijk recht van opstal. Daarbij heeft TenneT haar (model)overeenkomst aan [appellant sub 2] voorgelegd. Daarin is een "Afsluitvergoeding ZRO" van € 71.006,19 en een "Vergoeding voor voorzienbare hinder en schade aan de belaste strook" van € 5.007,56 opgenomen.

    Artikel 6.2, sub c, van de (model)overeenkomst van TenneT tot het vestigen van een zakelijk recht van opstal, ook wel ZRO genoemd, heeft betrekking op een eenmalige vergoeding voor de waardevermindering van de belaste strook en - indien van toepassing - het aangrenzend perceel, die het gevolg is van de aanwezigheid van de elektriciteitswerken, mits de belaste strook en - indien van toepassing - het aangrenzend perceel op de sluitingsdatum bebouwd is/zijn, zoals opgenomen in het overzicht.

TenneT heeft toegelicht dat als aangrenzend perceel wordt aangewezen het gedeelte van het kadastrale perceel dat niet de belaste strook is en dat daarnaast andere percelen van de grondeigenaar als aangrenzend perceel kunnen worden aangewezen, indien deze in de nabijheid van de belaste strook zijn gelegen en hiermee één geheel vormen (de complexbenadering).

    In het bij brief van 23 april 2015 door TenneT gedane aanbod, is de schadecomponent "waardevermindering", bedoeld in artikel 6.2, sub c, van de (model) overeenkomst van TenneT tot het vestigen van een zakelijk recht van opstal, doorgehaald. [appellant sub 2] kon zich daarmee niet verenigen, omdat volgens hem ook waardevermindering van de bebouwing op zijn omliggende percelen op grond van de complexbenadering diende te worden vergoed.

11.4.    Zoals de minister heeft toegelicht, betekent het doorhalen van de schadecomponent "waardevermindering" dat TenneT zich op het standpunt stelde dat deze schadecomponent ten tijde van het doen van het aanbod niet aan de orde was, omdat de betreffende percelen onbebouwd zijn. Alleen bebouwde percelen vallen binnen het bereik van artikel 6.2, sub c, van de (model)overeenkomst zoals aangeboden door TenneT. Nadien, bij brief van 23 maart 2016, heeft TenneT alsnog aan [appellant sub 2] een schadevergoeding wegens waardevermindering voor de bebouwing op de omliggende percelen aangeboden, bestaande uit een bedrag van € 16.400,-. Tijdens de zitting van 11 april 2017 heeft TenneT toegelicht dat zij dit aanbod op de hiervoor genoemde complexbenadering heeft gebaseerd. [appellant sub 2] heeft naar aanleiding van de brief van 23 maart 2016 aan TenneT medegedeeld dat uit dit aanbod niet blijkt van welke onroerende zaken de waarde vermindert.

Bij brief van 21 april 2016 heeft TenneT erkend dat het aanbod van 23 maart 2016 in dit opzicht niet duidelijk is en toegelicht dat de aangeboden schadevergoeding wegens waardevermindering ziet op de bedrijfswoning van [appellant sub 2].

11.5.    De Afdeling stelt vast dat de schadecomponent betreffende waardevermindering van bebouwing van omliggende percelen door TenneT met toepassing van de complexbenadering alsnog is betrokken in het minnelijk overleg. Het door TenneT gedane aanbod tot schadevergoeding wegens waardevermindering van bebouwing op omliggende percelen past in het door TenneT terecht gehanteerde principe van volledige schadeloosstelling. De waardevermindering van bebouwing van omliggende percelen is naar het oordeel van de Afdeling dan ook een relevante schadecomponent waarvan de minister zich moest vergewissen dat die op toereikende wijze in het minnelijk overleg is betrokken. Het tijdens de zitting van 11 april 2017 door de minister ingenomen standpunt dat zijn vergewisplicht enkel betrekking heeft op schadecomponenten die zien op het perceel, waarop de gedoogplicht rust, wordt niet gevolgd, omdat dit onderscheid zich niet verdraagt met het uitgangspunt van volledige schadeloosstelling.

    De Afdeling stelt verder vast dat [appellant sub 2] het door TenneT verduidelijkte aanbod tot schadevergoeding wegens waardevermindering van bebouwing op omliggende percelen op 26 april 2016 heeft ontvangen.

Nu het bestreden besluit op 29 april 2016 is genomen, heeft [appellant sub 2] drie dagen gelegenheid gehad om dit aanbod te kunnen beoordelen en daarop te reageren. Dit acht de Afdeling een te korte termijn en derhalve niet toereikend om aan te nemen dat sprake is geweest van een serieuze en redelijke poging van TenneT om langs minnelijke weg tot overeenstemming te komen wat betreft de schadecomponent "waardevermindering", nog daargelaten dat niet is gebleken dat de minister de genoemde brief van TenneT bij zijn beoordeling van het minnelijk overleg heeft betrokken. Gelet op het vorenstaande heeft de minister in dit opzicht niet aan zijn vergewisplicht voldaan.

    Het betoog slaagt.

Conclusie

12.    Reeds gelet op het vorenstaande is het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 29 april 2016, waarbij aan hem een plicht is opgelegd tot het gedogen van de aanleg en instandhouding van de aan de orde zijnde hoogspanningsverbinding, gegrond. Dit besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 2, vijfde lid, van de BP te worden vernietigd. Hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd omtrent de driedeskundigentaxatie en ook hetgeen hij heeft aangevoerd in het kader van zijn betoog dat er meer belemmering in het gebruik van zijn percelen wordt gebracht dan redelijkerwijs nodig is, behoeft geen inhoudelijke bespreking meer, omdat gezien hetgeen onder 11.5 is overwogen een nieuw minnelijk overleg tussen TenneT en [appellant sub 2] in de rede ligt.

Proceskosten

13.    De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 3]

Inleiding

14.    [appellant sub 3] is eigenaar van een woning op het perceel in de gemeente Gendringen, sectie N, nummer 251 (hierna: perceel N251).

Boven perceel N251 zijn de geleiders tussen de masten 23 en 24 van de hoogspanningsverbinding voorzien.

15.    [appellant sub 3] kan zich niet verenigen met de gedoogplicht. Hij voert aan dat ten onrechte bepaalde rechthebbenden van perceel N251 bij de voorbereiding van het besluit niet zijn aangeschreven en ten onrechte niet bij de besluitvorming zijn betrokken. Hij betoogt verder dat TenneT onvoldoende heeft getracht om langs minnelijke weg met hem tot overeenstemming te komen. Hij betoogt ook dat zijn belangen redelijkerwijs onteigening van perceel N251 vorderen en tevens stelt hij dat er meer belemmering in het gebruik van zijn perceel wordt gebracht dan redelijkerwijs nodig is.

Aanschrijving rechthebbenden

16.    [appellant sub 3] voert aan dat zijn [partner] en [bedrijf], waarvan [appellant sub 3] en [partner] firmanten zijn, bij de voorbereiding van het besluit in strijd met artikel 2, tweede lid, van de BP niet zijn aangeschreven als rechthebbenden. Ook uit oogpunt van zorgvuldigheid hadden [partner], die ook in zijn woning woont, en [bedrijf], die het perceel N251 mede gebruikt, moeten worden betrokken bij de besluitvorming, aldus [appellant sub 3].

16.1.    In het kadastrale uittreksel dat bij het verzoek van TenneT is gevoegd, wordt [appellant sub 3] vermeld als eigenaar van perceel N251.

[partner] en [bedrijf] worden daarin niet als rechthebbenden ten aanzien van dit perceel vermeld. Voorts heeft de minister toegelicht dat [partner] en [bedrijf] bij de voorbereiding van het besluit niet bekend waren als rechthebbenden ten aanzien van dit perceel. In dat kader heeft de minister gesteld dat tijdens de contacten tussen TenneT en [appellant sub 3], in het kader van het minnelijk overleg, [partner] wel aanwezig was, maar dat [appellant sub 3] de status of aard van zijn relatie met [partner] niet heeft toegelicht. Ook heeft [appellant sub 3] tijdens het overleg met TenneT [bedrijf] niet ter sprake gebracht, hoewel hij firmant is. Verder heeft [appellant sub 3] bij de voorbereiding van het besluit volgens de minister ook anderszins niet gemeld dat [partner] en [bedrijf] rechthebbenden waren.

De Afdeling stelt vast dat [appellant sub 3] geen concrete informatie heeft aangedragen die aanleiding geeft voor twijfel aan de juistheid van hetgeen de minister heeft gesteld over de contacten tussen TenneT en [appellant sub 3].

Gelet hierop mocht de minister het kadastrale uittreksel als uitgangspunt nemen voor de beantwoording van de vraag wie de rechthebbenden zijn.

Nu [partner] en [bedrijf] in het kadastrale uittreksel niet als rechthebbenden worden vermeld, leidt het niet aanschrijven van hen als rechthebbenden dan ook niet tot het oordeel dat de minister heeft gehandeld in strijd met artikel 2, tweede lid, van de BP. In het verlengde hiervan kan [appellant sub 3] evenmin gevolgd worden in zijn betoog dat de minister [partner] en [bedrijf] uit oogpunt van zorgvuldigheid had moeten betrekken bij de besluitvorming.

     Het betoog faalt.    

Minnelijk overleg

17.    [appellant sub 3] betoogt dat TenneT geen serieuze poging heeft gedaan om langs minnelijke weg met hem tot overeenstemming te komen. [appellant sub 3] voert in dit kader aan dat TenneT hem geen concreet voorstel heeft gedaan tot aankoop van zijn woning. Over het aanbod van TenneT tot het sluiten van een zakelijk recht overeenkomst stelt [appellant sub 3] dat hij zich geen volledig beeld heeft kunnen vormen van de aan hem toekomende schadevergoeding onder meer wat waardevermindering betreft.

17.1.    Vast staat dat voorafgaand aan het opleggen van de gedoogplicht onderhandelingen hebben plaatsgevonden tussen TenneT en [appellant sub 3] over enerzijds aankoop van zijn woning en anderzijds de vestiging van een zakelijk recht van opstal. De minister heeft onweersproken gesteld dat [appellant sub 3] tijdens het minnelijk overleg heeft meegedeeld geen zakelijk recht te willen vestigen, maar zijn woning te willen verkopen. De minister heeft verder toegelicht dat TenneT voor woningen, zoals die van [appellant sub 3], die na realisatie van de hoogspanningsverbinding in de zogenoemde magneetveldzone komen te liggen, als beleid voert dat de eigenaren een aanbod wordt gedaan tot aankoop. Hierbij geldt dat na het sluiten van de koopovereenkomst de levering pas plaatsvindt nadat het rijksinpassingsplan onherroepelijk is geworden (de zogenoemde "categorie 2" woningen). Hierop is vanwege een veiligheidsaspect een uitzondering gemaakt voor woningen die onder de geleiders van de hoogspanningsverbinding komen te liggen (de zogenoemde "categorie 1" woningen). Voor die woningen kan wel direct na sluiting van de koopovereenkomst tot levering worden overgegaan.

Aangezien de woning van [appellant sub 3] feitelijk niet onder de geleiders van de hoogspanningsverbinding komt te liggen, heeft TenneT tijdens de onderhandelingen gesteld dat sprake is van een "categorie 2" woning.

De minister heeft erop gewezen dat [appellant sub 3] in het kader van de onderhandelingen heeft gesteld dat zijn woning moet worden behandeld als een "categorie 1" woning, omdat de levering bij een "categorie 2" woning een onzekerheid betreft die [appellant sub 3] niet voor zijn rekening wenst te nemen. De minister heeft verder toegelicht dat TenneT wil vasthouden aan de categorie-indeling die in het beleid is gemaakt en de woning van [appellant sub 3] in de onderhandelingsfase derhalve is blijven aanmerken als een "categorie 2" woning.

    De Afdeling stelt, gelet op de hierboven weergegeven onbestreden toelichting, vast dat het niet kunnen bereiken van minnelijke overeenstemming in de eerste plaats is terug te voeren op het verschil van mening tussen TenneT en [appellant sub 3] ten aanzien van de categorie-indeling van de woning die onderdeel is van de toepassing van het aankoopbeleid door TenneT. Dat TenneT in dit opzicht wenst vast te houden aan haar aankoopbeleid, betekent naar het oordeel van de Afdeling niet dat de minister tot de conclusie had moeten komen dat TenneT over de aankoop niet serieus of redelijk met [appellant sub 3] heeft onderhandeld. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat zich wat betreft het minnelijk overleg strijd met artikel 2, vijfde lid, van de BP voordoet. Dit betekent dat hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd over de mogelijke inhoud van de onderhandelingen over een zakelijk recht van opstal geen inhoudelijke bespreking meer behoeft.

    Het betoog faalt.

Vorderen belangen redelijkerwijs onteigening?

18.    [appellant sub 3] voert aan dat de minister niet heeft onderkend dat zijn belangen redelijkerwijs onteigening vorderen van perceel N251.

Daarbij wijst hij erop dat zijn woning onder het zogenoemde voorzorgsbeleid valt en dat hij daarmee recht heeft op uitkoop door TenneT. [appellant sub 3] wijst erop dat zonder onteigening niet is gewaarborgd dat de uitkoopprocedure met voldoende voortvarendheid en voldoende rechtszekerheid kan worden doorlopen.

18.1.    Uit artikel 1 van de BP volgt dat de gedoogplicht slechts kan worden opgelegd indien naar het oordeel van de minister de belangen van de rechthebbende redelijkerwijs geen onteigening vorderen.

18.2.    De Afdeling stelt voorop dat TenneT in het kader van het minnelijke traject weliswaar beleid voert om in een geval als het onderhavige in beginsel tot aankoop van de woning over te gaan, maar dat dit los staat van de vraag of de belangen van [appellant sub 3] redelijkerwijs onteigening vorderen. In het kader van deze vraag dient te worden bezien wat de gevolgen van de hoogspanningsverbinding zijn voor [appellant sub 3], zowel in de tijdelijke situatie van realisatie van de hoogspanningsverbinding als in de permanente situatie, waarbij de hoogspanningsverbinding is gerealiseerd.

    De minister heeft in dit kader toegelicht dat in de tijdelijke situatie geleiders moeten worden getrokken tussen de masten 23 en 24. Het trekken van deze geleiders zal, naar de minister verwacht, ongeveer vijf tot zes weken duren. Hierbij zal mogelijk gebruik worden gemaakt van een hulpconstructie, zoals bijvoorbeeld een hoogwerker. De Afdeling overweegt dat [appellant sub 3] niet aannemelijk heeft gemaakt dat vanwege het verrichten van deze werkzaamheden het actuele gebruik van het perceel N251 voor bewoning niet kan worden voortgezet. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat TenneT heeft aangekondigd bij de uitvoering van werkzaamheden zo nodig passende maatregelen te treffen om te voorkomen dat schade ontstaat aan de woning, die zoals [appellant sub 3] heeft gesteld in een zeer slechte staat verkeert. Zo zullen bijvoorbeeld geen heiwerkzaamheden worden uitgevoerd in de directe nabijheid van de woning van [appellant sub 3]. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling voor de tijdelijke fase van oordeel dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de belangen van [appellant sub 3] redelijkerwijs geen onteigening vorderen.

     De Afdeling overweegt dat in de permanente situatie de woning van [appellant sub 3] in de magneetveldzone van de hoogspanningsverbinding komt te liggen. [appellant sub 3] heeft in dit verband gewezen op het voorzorgsbeleid voor gezondheidsaspecten van elektromagnetische velden van bovengrondse hoogspanningsverbindingen. In een bijlage bij de toelichting op het rijksinpassingsplan hebben de ministers van Economische Zaken en Infrastructuur en Milieu geconcludeerd dat de woonbestemming volgens hen kan worden gehandhaafd in het licht van dit voorzorgsbeleid. [appellant sub 3] heeft tegen het rijksinpassingsplan weliswaar beroep ingesteld, maar hij heeft deze conclusie in die procedure niet bestreden. Voorts heeft [appellant sub 3] geen aanknopingspunten aangedragen voor het oordeel dat er vanwege de aanwezigheid van magnetische velden schadelijke effecten voor zijn gezin zijn te verwachten als hij ervoor zou kiezen met zijn gezin te blijven wonen op perceel N251. Onder deze omstandigheden heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat het actuele gebruik van perceel N251 voor bewoning in de permanente situatie kan worden voortgezet.

     Gelet op het vorenstaande heeft de minister zich voor zowel de tijdelijke als de permanente situatie in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de belangen van [appellant sub 3] redelijkerwijs geen onteigening van perceel N251 vorderen.

    Het betoog faalt.

Meer belemmering dan redelijkerwijs nodig is?

19.    [appellant sub 3] betoogt dat door de gedoogplicht in het gebruik van perceel N251 meer belemmering wordt gebracht dan redelijkerwijs nodig is. Hij voert aan dat de minister onvoldoende beperkingen heeft gesteld aan de duur van de aanlegwerkzaamheden. Ook voert hij aan dat ten onrechte zijn gehele perceel is belast met een gedoogplicht, terwijl slechts een deel ervan benodigd is.

19.1.     Uit artikel 1 van de BP volgt dat de gedoogplicht slechts kan worden opgelegd indien in het gebruik van de zaken niet meer belemmering wordt gebracht, dan redelijkerwijs voor de aanleg en de instandhouding van het werk nodig is.

19.2.    De minister stelt dat de gedoogplicht op grond van het systeem van de BP rust op een geheel kadastraal perceel, zijnde de onroerende zaak waarvan duurzaam of tijdelijk gebruik wordt gemaakt. Dit betekent volgens de minister echter niet dat de effecten van de gedoogplicht, die bestaan uit tijdelijke en permanente belemmeringen van het gebruik van een perceel, zich noodzakelijkerwijze op dat gehele perceel voordoen. De minister acht de tijdelijke en permanente belemmeringen op het perceel van [appellant sub 3] niet van dien aard dat in strijd is gehandeld met het proportionaliteitsvereiste in  artikel 1 van de BP. Hierbij wijst de minister erop dat in het besluit de duur van de werkzaamheden concreet is vermeld.

19.3.    De Afdeling stelt vast dat de minister aan TenneT bij de aanleg en instandhouding van de hoogspanningsverbinding enige flexibiliteit heeft wensen te bieden. Dit acht de Afdeling in dit geval niet onredelijk, gelet op de omvang van het werk en het openbaar belang dat met de aanleg en instandhouding daarvan is gemoeid. Het vorenstaande laat echter onverlet dat - zoals volgt uit de uitspraak van 30 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:4037 - de minister, gelet op het proportionaliteitsvereiste in artikel 1 van de BP, bij zijn besluitvorming ook de belangen van de rechthebbende bij zo min mogelijk belemmering in het gebruik van de gronden en het belang van de rechthebbende bij meer rechtszekerheid dient te betrekken.

    De Afdeling overweegt dat hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de wijze waarop de minister de belangen van [appellant sub 3] bij zijn besluitvorming heeft betrokken, in het licht van het proportionaliteitsvereiste in artikel 1 van de BP, niet toereikend is te achten. Hierbij is van belang dat de minister heeft geconcretiseerd wat de te verwachten maximale doorlooptijden zijn. Ook is van belang dat in het dictum van het besluit onder III. is opgenomen dat TenneT in overleg dient te treden met [appellant sub 3] in geval van wijziging van de planning vanwege onvoorziene omstandigheden, waarbij de Afdeling in ogenschouw neemt dat niet alleen [appellant sub 3], maar ook TenneT belang heeft bij een snelle uitvoering van de werkzaamheden. In aanmerking genomen dat de geleiders tussen de masten 23 en 24 van de hoogspanningsverbinding ongeveer in het midden van perceel N251 zijn voorzien en de zakelijk rechtstrook ongeveer de helft van dat perceel betreft, acht de Afdeling het in dit geval niet onredelijk dat de gedoogplicht op dat gehele kadastrale perceel rust.  

    Het betoog faalt.

Conclusie

20.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 3] ongegrond.

Proceskosten

21.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van [appellante sub 1] en anderen niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep van [appellant sub 2] gegrond;

III.    vernietigt het besluit van de minister van Infrastructuur en Milieu van 29 april 2016, waarbij hij aan [appellant sub 2] een plicht heeft opgelegd tot het gedogen van de aanleg en instandhouding van een 150 kV en 380 kV-hoogspanningsverbinding met bijkomende werken tussen Doetinchem en Voorst;

IV.    verklaart het beroep van [appellant sub 3] ongegrond;

V.    veroordeelt de minister van Infrastructuur en Milieu in verband met de behandeling van de beroepen tot vergoeding van de opgekomen proceskosten:

- ten aanzien van [appellante sub 1] en anderen tot een bedrag van € 1.581,78 (zegge: vijftienhonderdeenentachtig euro en achtenzeventig cent), waarvan € 1.485,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

- ten aanzien van [appellant sub 2] tot een bedrag van € 1.237,50 (zegge: twaalfhonderdzevenendertig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.    gelast dat de minister van Infrastructuur en Milieu aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

- ten bedrage van € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) voor [appellante sub 1] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

- ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 2].

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.

w.g. Van Diepenbeek    w.g. Van Loo

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2017

418. BIJLAGE

•    Bij het procesverloop

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 8:45

1. De bestuursrechter kan partijen en anderen verzoeken binnen een door hem te bepalen termijn schriftelijk inlichtingen te geven en onder hen berustende stukken in te zenden.

•    Bij rechtsoverweging 5

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 6:19

1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

•    Bij de rechtsoverwegingen 11 en verder

Belemmeringenwet privaatrecht

Artikel 1

Wanneer ten behoeve van openbare werken:

die door het Rijk, door eene provincie of ingevolge het reglement voor de instelling door een waterschap, veenschap of veenpolder worden of zijn ondernomen, die door Ons, Onze Minister die het aangaat of door provinciale staten onderscheidenlijk gedeputeerde staten krachtens de wet zijn bevolen, die door een waterschap, veenschap of veenpolder anders dan ingevolge het reglement voor de instelling of door eene gemeente worden of zijn ondernomen of zijn bevolen terwijl het openbaar belang door Ons of van Onzentwege is erkend, die ingevolge eene door het openbaar gezag verleende concessie worden of zijn tot stand gebracht, terwijl het openbaar belang door Ons of van Onzentwege is erkend, of van welke het algemeen nut uitdrukkelijk bij de wet is erkend, een werk noodig is, waarvoor duurzaam of tijdelijk gebruik moet worden gemaakt van onroerende zaken, kan ieder, die eenig recht heeft ten aanzien van die zaken, behoudens recht op schadevergoeding, worden verplicht te gedoogen, dat zoodanig werk wordt aangelegd en in stand gehouden, indien naar het oordeel van Onzen Minister van Waterstaat de belangen van de rechthebbenden redelijkerwijs onteigening niet vorderen en in het gebruik van de zaken niet meer belemmering wordt gebracht, dan redelijkerwijs voor den aanleg en de instandhouding van het werk noodig is.

Artikel 2

1. Is met de rechthebbenden ten aanzien van enige onroerende zaak geen overeenstemming verkregen, dan worden ten verzoeke van dengene, wien het werk aangaat, door den burgemeester der gemeente, waarbinnen die zaak is gelegen, gedurende veertien dagen ten gemeentehuize ter inzage gelegd:

1°. eene beschrijving van het gedeelte van het werk, waarvoor het gebruik van die zaak verlangd wordt;

2°. eene duidelijke grondteekening van dat gedeelte van het werk.

2. Van die nederlegging wordt door den burgemeester hetzij in een in zijne gemeente verspreid wordend nieuwsblad, of, bij het ontbreken daarvan, door aanplakking in het openbaar, vooraf mededeeling gedaan. Gelijktijdig daarmede wordt door den burgemeester schriftelijk kennis gegeven aan de rechthebbenden, die in de basisregistratie kadaster als zodanig staan vermeld, zoomede aan de overige rechthebbenden, voor zooveel deze of hun vertegenwoordigers aan den burgemeester bekend zijn en woonplaats binnen het Rijk hebben.

2. Van die nederlegging wordt door den burgemeester hetzij in een in zijne gemeente verspreid wordend nieuwsblad, of, bij het ontbreken daarvan, door aanplakking in het openbaar, vooraf mededeeling gedaan. Gelijktijdig daarmede wordt door den burgemeester schriftelijk kennis gegeven aan de rechthebbenden, die in de basisregistratie kadaster als zodanig staan vermeld, zoomede aan de overige rechthebbenden, voor zooveel deze of hun vertegenwoordigers aan den burgemeester bekend zijn en woonplaats binnen het Rijk hebben.

[…]

5. Is geen overeenstemming verkregen, dan kan eene verplichting, als bij artikel 1 bedoeld, bij met redenen omkleede beslissing van Onzen Minister van Waterstaat, zoo noodig onder voorwaarden te stellen aan den verzoeker, worden opgelegd. […].