Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:158

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-01-2017
Datum publicatie
25-01-2017
Zaaknummer
201600261/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juni 2014 heeft het college [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het gedeeltelijk herbouwen van het pand aan de [locatie] te Brummen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/398
JOM 2017/122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600261/1/A1.

Datum uitspraak: 25 januari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Brummen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 december 2015 in zaak nr. 15/2984 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Brummen.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2014 heeft het college [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het gedeeltelijk herbouwen van het pand aan de [locatie] te Brummen.

Bij besluit van 28 april 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 19 juni 2014 gehandhaafd.

Bij uitspraak van 1 december 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college en [vergunninghouder] hebben schriftelijke uiteenzettingen gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 november 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. E.T. de Jong, advocaat te Arnhem is verschenen. Voorts is daar [vergunninghouder], bijgestaan door mr. T.D. Rijs, advocaat te Zutphen, gehoord.

Overwegingen

1. Het pand is ten gevolge van een brand op 11 november 2013 grotendeels verwoest. De muren en een deel van het dak zijn behouden gebleven. Het pand werd destijds gebruikt als café/restaurant en bedrijfswoning. Op 8 april 2014 heeft [vergunninghouder] een omgevingsvergunning gevraagd voor het gedeeltelijk herbouwen van het pand. [appellant] woont in het naastgelegen pand. Hij verzet zich tegen de verleende omgevingsvergunning, omdat hij in het verleden veel overlast van het gebruik van het pand heeft ondervonden.

2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kleine Kernen" rust op het perceelgedeelte waarop het pand staat de bestemming "Horeca" met de nadere aanduidingen "horeca van categorie 1" en "bedrijfswoning".

Niet in geschil is dat het pand voor zover het zal worden gebruikt als restaurant en bedrijfswoning past in het bestemmingsplan. Voor zover het zal worden gebruikt als café is het in strijd met de op het perceel rustende bestemming, omdat een café niet valt onder horeca van categorie 1.

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat verwoesting ten gevolge van brand een calamiteit is, zodat het gedeeltelijk herbouwen van het pand onder de beschermende werking van het bouwovergangsrecht van het bestemmingsplan valt. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het pand als café onder de beschermende werking van het gebruiksovergangsrecht van het bestemmingsplan valt. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat geen bodemonderzoek was vereist.

4. [appellant] betoogt dat het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het pand niet binnen een jaar is hervat, zoals volgens het gebruiksovergangsrecht van het bestemmingsplan is vereist. Volgens hem volgt uit de toelichting op artikel 3.2.2, derde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Stb. 2008, 145, blz. 59) dat deze termijn van een jaar niet mag worden opgerekt. Bovendien is niet aannemelijk geworden dat het met de vergunningaanvraag beoogde strijdige gebruik naar omvang op de peildatum reeds bestond, aldus [appellant]. Voorts voert hij aan dat het pand niet is tenietgegaan in de zin van het bouwovergangsrecht van het bestemmingsplan.

4.1. Ingevolge artikel 37.1.1 van de planregels van het bestemmingsplan mag een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning c.q. een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

b. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

Het bestemmingsplan is op 17 mei 2013 in werking getreden.

4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in bijvoorbeeld de uitspraak van 11 oktober 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY9894, zijn voor de beantwoording van de vraag of voor een bouwplan al dan niet vergunning kan worden verleend wat betreft het mogelijk van toepassing zijn van het overgangsrecht uitsluitend de bepalingen die betrekking hebben op het bouwovergangsrecht van belang.

Anders dan [appellant] meent, kan de vergunning niet worden geweigerd op grond van het gebruiksovergangsrecht, als opgenomen in het bestemmingsplan.

4.3. In artikel 37.1.1. van de planregels is het bouwovergangsrecht neergelegd. Of, zoals [appellant] betoogt, geen sprake is van het tenietgaan in de zin van de aanhef en onder b van de deze bepaling, kan in het midden blijven. In dat geval is de gedeeltelijke herbouw toegestaan op grond van het bepaalde onder a.

De rechtbank heeft gelet hierop terecht geoordeeld dat de gedeeltelijke herbouw - die het bouwwerk in hoofdzaak herstelt in de oude staat en dus in dit opzicht geen grotere afwijking van het thans geldende bestemmingsplan veroorzaakt - in principe onder de beschermende werking van het bouwovergangsrecht valt.

4.4. Het karakter van het bouwovergangsrecht brengt echter met zich dat met toepassing daarvan geen omgevingsvergunning voor het bouwen kan worden verleend indien het gebruik dat de aanvrager na realisering van de bouw opnieuw van het bouwwerk wenst te maken gedurende geruime tijd gestaakt is geweest. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 3 april 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA5581.

Niet in geschil is dat het pand op het moment van de brand als café werd gebruikt. [vergunninghouder] heeft binnen enkele maanden na de brand de omgevingsvergunningaanvraag voor het gedeeltelijk herbouwen van het pand ingediend. Gelet hierop is aannemelijk dat [vergunninghouder] voortdurend - en in ieder geval nog ten tijde van de besluitvorming over de vergunningaanvraag - de intentie heeft gehad om het gebruik van het pand als café voort te zetten. Het is ook niet aannemelijk gemaakt dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat dit voorgenomen gebruik na herbouw niet in wezenlijk opzicht afwijkt van het gebruik zoals dit voor de brand plaatsvond. De omstandigheid dat dit gebruik nog niet was hervat, laat daarom onverlet dat het college terecht bij het nemen van het besluit op bezwaar van 28 april 2015 de aan [vergunninghouder] verleende omgevingsvergunningverlening heeft gehandhaafd.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank onterecht heeft overwogen dat een onderzoek naar de verontreiniging van de bodem niet is vereist, omdat hetzelfde gebruik wordt gehandhaafd. Daartoe voert hij aan dat het pand illegaal werd bewoond en dat het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het pand zal worden geïntensiveerd.

Dit betoog faalt gezien hetgeen onder 4.4 over het niet wezenlijk afwijken van het voorgenomen gebruik is overwogen.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, griffier.

w.g. Slump w.g. Van der Zijpp

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2017

262-757.