Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1578

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-06-2017
Datum publicatie
14-06-2017
Zaaknummer
201507873/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:5653, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 september 2014 heeft het college beslist op een verzoek van [appellant] om verstrekking van hem betreffende persoonsgegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201507873/1/A3.

Datum uitspraak: 14 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 8 september 2015 in zaak nr. 15/1426 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar.

Procesverloop

Bij besluit van 10 september 2014 heeft het college beslist op een verzoek van [appellant] om verstrekking van hem betreffende persoonsgegevens.

Bij besluit van 27 januari 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 september 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 27 januari 2015 vernietigd en het college opgedragen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 4 november 2015 heeft het college opnieuw beslissend het door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [appellant] zijn zienswijze over het besluit van 4 november 2015 gegeven.

Het college heeft een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juli 2016, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Rutten, bijgestaan door mr. L.S. van Loon, advocaat te ’s-Hertogenbosch, zijn verschenen.

De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Het college heeft desgevraagd op 28 november 2016 een gewijzigd besluit genomen.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [appellant] zijn zienswijze over het besluit van 28 november 2016 gegeven.

De Afdeling heeft na toestemming van partijen bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

De Afdeling heeft het onderzoek vervolgens heropend en het college verzocht een toelichting gegeven op het besluit van 28 november 2016 en een aantal nog in het besluit van 28 november 2016 genoemde stukken aan de Afdeling toe te zenden.

Het college heeft op 13 maart 2017 een reactie ingediend.

[appellant] heeft desgevraagd een reactie ingediend en de Afdeling toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

De Afdeling heeft na toestemming van partijen bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Wet- en regelgeving

1.    Voor de tekst van de relevante wet- en regelgeving wordt verwezen naar de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt onderdeel uit van de uitspraak.

Inleiding

2.    Op 17 juli 2014 heeft [appellant] het college verzocht hem een compleet overzicht te verstrekken van alle hem betreffende digitaal en op andere wijze verwerkte gegevens, gedurende de periode van 1 januari 2002 tot en met 16 juli 2014, bij voorkeur in de vorm van digitale of schriftelijke kopieën. Hij heeft hierbij opgemerkt dat het verzoek uitdrukkelijk ook ziet op over hem verwerkte gegevens in zogenaamde B&W-besluitadviezen. Verder wenst hij inlichtingen te ontvangen over het doel van alle verwerkingen, de ontvangers van de gegevens en de herkomst van gegevens.

Besluitvorming

3.    Bij het besluit van 27 januari 2015 heeft het college, beslissend op het door [appellant] gemaakte bezwaar, het verzoek van [appellant] om verstrekking van hem betreffende persoonsgegevens over de periode van 1 januari 2002 tot 18 november 2008 afgewezen onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Awb, omdat zijn verzoek in zoverre identiek is aan zijn verzoek van 18 november 2008. Voorts heeft het college het verzoek om verstrekking van gegevens over de periode van 18 november 2008 tot en met 16 juli 2014 afgewezen op grond van artikel 35, eerste lid, en artikel 43, aanhef en onder e, van de Wbp.

Uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2016

4.    Bij besluit van 23 september 2014 heeft het college, beslissend op de door [appellant] gemaakte bezwaren, onder meer tegen het besluit op zijn verzoek van 18 november 2008, om verstrekking van hem betreffende persoonsgegevens in digitale mappen op grond van artikel 43, aanhef en onder e, van de Wbp afgewezen. Bij uitspraak van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4144, heeft de Afdeling dit besluit vernietigd, omdat het gestelde belang van het college om zich vertrouwelijk te laten adviseren en het belang van ambtenaren om onbelemmerd te adviseren, corresponderen en documenten voor te bereiden, niet kunnen worden aangemerkt als een recht of vrijheid van een ander dan de verzoeker als bedoeld in artikel 43, aanhef en onder e, van de Wbp. De Afdeling heeft voorts bepaald dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

    Bij besluit van 24 december 2014 heeft het college, opnieuw beslissend op de door [appellant] gemaakte bezwaren, een overzicht verstrekt van over [appellant] verwerkte persoonsgegevens in de volgende digitale mappen:

f:\groups\p&o\pz\syno\word\[appellant];

g:\p&o\syho\word\[appellant];

f:\users\adke\word\div.zaken peno;

f:\groups\p&o\gede.

De Afdeling heeft dit besluit vernietigd, omdat het college ten onrechte heeft volstaan met verstrekking van soorten persoonsgegevens terwijl de persoonsgegevens zelf niet zijn vermeld, zodat [appellant] zich er niet van kan vergewissen dat zijn persoonsgegevens juist zijn en rechtmatig worden verwerkt. Het college heeft voorts ten onrechte nagelaten om digitale persoonsgegevens over het functioneren van [appellant] te verstrekken. Het college heeft bovendien het overzicht ten onrechte beperkt tot persoonsgegevens op f- en g-schijven, nu [appellant] heeft verzocht om gegevens op alle schijven. Voor zover het college zich heeft beroepen op artikel 43, aanhef en onder c, van de Wbp heeft de Afdeling overwogen dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich in dit geval gewichtige economische en financiële belangen voordoen die zich tegen het verstrekken van [appellant] betreffende digitale persoonsgegevens verzetten.

Aangevallen uitspraak

5.    De rechtbank heeft allereerst overwogen dat het thans voorliggende verzoek vrijwel identiek is aan het verzoek van 18 november 2008 en, voor zover dat ziet op de periode van 1 januari 2002 tot 18 november 2008, klaarblijkelijk tot doel heeft om de niet verkregen gegevens alsnog te verkrijgen. Naar het oordeel van de rechtbank is het thans bestreden afwijzende besluit van gelijke strekking als het eerdere besluit van 24 december 2014. Dit betekent dat de bestuursrechter een beperkt toetsingskader toepast en het besluit niet toetst als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit hetgeen is aangevoerd kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. De rechtbank heeft overwogen dat artikel 35 van de Wbp, dat met redelijke tussenpozen meermalen kan worden verzocht om toezending van gegevens, niet aan toepassing van artikel 4:6 van de Awb in de weg staat. Volgens de rechtbank is niet gebleken van feiten en omstandigheden als voornoemd, zodat geen plaats is voor een hernieuwde rechterlijke toetsing.

    De rechtbank heeft voorts overwogen dat, voor zover het verzoek ziet op gegevens van na 18 november 2008, het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij inwilliging van het verzoek de administratieve lasten zodanig disproportioneel zijn dat het in één van zijn rechten en vrijheden wordt aangetast of dreigt te worden aangetast. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de berekende werklast tevens ziet op de periode van voor 18 november 2008, terwijl het college zich ten aanzien van deze periode op het standpunt heeft gesteld dat artikel 4:6 van de Awb van toepassing is. Ter zitting kon het college volgens de rechtbank niet toelichten welke hoeveelheid informatie, van de in totaal 3,6 GB, betrekking heeft op de periode na 18 november 2008. Daarbij komt dat het college te kennen heeft gegeven dat de bij hem beschikbare gegevens met name gegevens betreffen over de periode 1 januari 2002 tot 18 november 2008. Voorts heeft het college te kennen gegeven dat de gegevensselectie is uitgevoerd door een extern bureau en dat op achternaam is gezocht. Het college heeft echter niet inzichtelijk kunnen maken waarom de gegevens, ondanks dat het systeem grotendeels digitaal is, niet op andere wijze konden worden gefilterd dan wel of gebruik is gemaakt van andere zoekslagen.

    De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het besluit van 27 januari 2015 vernietigd.

Hoger beroep

6.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat ten aanzien van het verzoek om gegevens over de periode 1 januari 2002 tot 18 november 2008 in verband met artikel 4:6 van de Awb een beperkt toetsingskader geldt. Hij voert hiertoe aan dat hij zijn verzoek van 17 juli 2014 na de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2594 heeft gedaan. Bij die uitspraak heeft de Afdeling bepaald "dat het in geval van geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens niet van belang is of deze gegevens een bestand vormen als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c, van de Wbp." Met dit oordeel werd afgeweken van hetgeen de Afdeling eerder in soortgelijke kwesties had overwogen. Zoals blijkt uit de Memorie van Toelichting bij artikel 4:6 van de Awb kan deze wijziging worden aangemerkt als nieuw feit. Het verzoek van 17 juli 2014 kan in zoverre dus niet worden beschouwd als een herhaalde aanvraag. [appellant] wijst hiertoe naar het arrest van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) van 13 januari 2004, C 453/00, Kühne & Heitz N.V, ECLI:EU:C:2004:17. Verder heeft de rechtbank in dit kader ten onrechte overwogen dat artikel 35 van de Wbp niet aan toepassing van artikel 4:6 van de Awb in de weg staat. In eerstgenoemd artikel is uitdrukkelijk vastgelegd dat het mogelijk is over een bepaalde periode meer dan eenmaal een verzoek te doen, mits met redelijke tussenpozen gedaan. Dit volgt tevens uit de Privacyrichtlijn en uit het transparantiebeginsel. Een ieder moet immers de gelegenheid krijgen om na te gaan of zijn gegevens onrechtmatig worden verwerkt, aldus [appellant].

Toetsingskader artikel 4:6 van de Awb

6.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3131) is uitgangspunt dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan zo'n aanvraag inwilligen of afwijzen. Hetzelfde geldt, als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit. Een bestuursorgaan mag dit ook als de rechtzoekende aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Het bestuursorgaan kan er ingevolge artikel 4:6, tweede lid, van de Awb ook nog steeds voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, de herhaalde aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Hetzelfde geldt, als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit.

    Als het bestuursorgaan - overeenkomstige - toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat de afwijzing van de aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.

6.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college de herhaalde aanvraag heeft mogen afwijzen met toepassing van artikel 4:6 van de Awb. Hierbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat het college op 24 december 2014 een besluit van gelijke strekking heeft genomen op een vrijwel identiek verzoek van [appellant]. Daarbij is mede van belang dat de gegevens waar het verzoek betrekking op heeft van overeenkomstige datum zijn. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden niet is gebleken. Voor zover [appellant] in dit kader in hoger beroep verwijst naar de uitspraak van de Afdeling wordt overwogen dat die uitspraak reeds bij het besluit van 24 december 2014 is betrokken. Dat dit besluit inmiddels door de Afdeling is vernietigd, leidt niet tot een ander oordeel. Artikel 4:6 biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het alleen kan worden toegepast indien het afwijzende besluit onherroepelijk is. Gelet op hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag evident onredelijk is.

    De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat artikel 35 van de Wbp niet in de weg staat aan toepassing van artikel 4:6 van de Awb. In eerstgenoemd artikel is slechts vastgelegd dat vaker een verzoek kan worden gedaan met redelijke tussenpozen. Artikel 35 van de Wbp heeft tot doel om een verzoeker na een redelijke tussenpoos de gelegenheid te geven om door middel van een daartoe strekkend verzoek informatie te krijgen over nieuwe hem betreffende persoonsgegevens. Hieruit kan niet worden afgeleid dat meermaals eenzelfde verzoek kan worden gedaan ook indien reeds een afwijzend besluit op eenzelfde aanvraag is genomen.

    Het betoog faalt.

7.    Het hoger beroep van [appellant] is ongegrond.

Besluit van 4 november 2015

8.    Bij het besluit van 4 november 2015 heeft het college naar aanleiding van de aangevallen uitspraak opnieuw beslist op het bezwaar, voor zover dat ziet op verstrekking van gegevens over de periode vanaf 18 november 2008. Dit besluit wordt gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

    Bij dit besluit heeft het college het bezwaar van [appellant] tegen de afwijzing van zijn verzoek om verstrekking van hem betreffende persoonsgegevens over de periode vanaf 18 november 2008 opnieuw afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat het volume van de digitale bestanden waarin de naam "[appellant]" voorkomt 2,9 GB is, dat het in overzicht brengen van 0,014 GB aan informatie 30 uur kost en dat het inwilligen van het verzoek derhalve leidt tot een zodanig disproportionele administratieve belasting dat het college in zijn rechten en vrijheden wordt aangetast.

Beroep

9.    [appellant] heeft ter zitting bij de Afdeling zijn verzoek om verstrekking van hem betreffende digitaal verwerkte gegevens over de periode van 18 november 2008 tot en met 16 juli 2014 beperkt tot gegevens die zijn neergelegd in B&W-besluitadviezen met onderliggende rapporten en memo’s over zijn functioneren en eventuele notities en rapporten afkomstig van de afdeling P&O of de gemeentesecretaris die zien op zijn functioneren. De Afdeling heeft de behandeling van de zaak ter zitting vervolgens met toestemming van partijen geschorst en het college verzocht een nieuw besluit te nemen op dit verzoek van [appellant]. Het college heeft op 28 november 2016 een inhoudelijk besluit genomen. Hierom heeft [appellant] geen belang meer bij de behandeling van zijn beroep tegen het besluit van 4 november 2015.

10.    Het beroep van [appellant] tegen het besluit van 4 november 2015 is niet-ontvankelijk.

Besluit van 28 november 2016

11.    Bij het besluit van 28 november 2016 heeft het college een inhoudelijk besluit genomen op het verzoek van [appellant] om verstrekking van de onder 9. genoemde, hem betreffende, digitaal verwerkte gegevens. Dit besluit wordt gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

    Bij dit besluit heeft het college een overzicht verstrekt van de in de periode van 18 november 2008 tot en met 16 juli 2014 over [appellant] in digitale mappen verwerkte persoonsgegevens die zijn neergelegd in B&W-besluitadviezen met onderliggende rapporten en memo’s over zijn functioneren en eventuele notities en rapporten afkomstig van de afdeling P&O of de gemeentesecretaris die zien op zijn functioneren. Het heeft hierbij opgemerkt dat het tevens informatie in het overzicht heeft opgenomen waarover [appellant] reeds beschikt, doch in die gevallen geen weergave van de daarin verwerkte persoonsgegevens. Het overzicht is opgedeeld in drie delen: "Besluit Advies Bijlagen", "Corr. Intern PenO AlgDir" en "Brieven aan K".

Beroep

12.    [appellant] betoogt allereerst dat de wijze waarop het college toepassing heeft gegeven aan de Wbp en Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) niet in overeenstemming is met het transparantiebeginsel en rechtszekerheidsbeginsel en geen volledig en getrouw beeld geeft van de verwerkte gegevens. Hij voert hiertoe aan dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 35 van de Wbp volgt dat dit artikel ruim moet worden uitgelegd en dat ook de context van de gegevens van belang is.

    Voorts betoogt [appellant] dat de overzichten "Besluit Advies Bijlagen" en "Corr. Intern PenO AlgDir" onvolledig zijn. Wat betreft het overzicht "Besluit Advies Bijlagen" voert hij hiertoe aan dat bij 8 documenten in de laatste kolom niets is vermeld, bij 4 documenten in de laatste kolom alleen "vertrouwelijk" is vermeld en bij 11 documenten alleen "bij u bekend" is vermeld. Wat betreft het overzicht "Corr. Intern PenO AlgDir" voert hij hiertoe aan dat bij 38 documenten in de laatste kolom niets is vermeld, bij 2 documenten in de laatste kolom alleen "vertrouwelijk" is vermeld en bij 2 documenten alleen "intern en vertrouwelijk" is vermeld. Bij de overige documenten op deze lijsten is een uitgebreidere tekst opgenomen, maar daarvan is onduidelijk of dit de gehele inhoud is van het desbetreffende document, alleen een deel van de inhoud of een samenvatting of citaat van een deel van de inhoud.

12.1.    Naar aanleiding van het betoog van [appellant] heeft de Afdeling het college verzocht mee te delen of met het niet invullen van de laatste kolom bij 7 documenten van de lijst "Besluit Advies Bijlagen" (het door [appellant] bedoelde achtste document "IN10.1613 Formulier overzicht technische vragen collegevergadernigen.doc" staat tevens op de lijst "Corr. intern PenO AlgDir" en is derhalve daarbij gerekend) en 38 documenten van de lijst "Corr. intern PenO AlgDir" is bedoeld te kennen te geven, dat die documenten geen gegevens bevatten die betrekking hebben op het functioneren van [appellant] als mens, collega en ambtenaar. Indien dit niet het geval is, heeft de Afdeling het college voorts verzocht mee te delen wat de grondslag en motivering zijn om deze gegevens niet aan [appellant] te verstrekken. Voorts heeft de Afdeling het college verzocht om kenbaar te maken welke weigeringsgrond en motivering ten grondslag liggen aan het niet verstrekken van gegevens die betrekking hebben op het functioneren van [appellant] als mens, collega en ambtenaar bij 4 documenten van de lijst "Besluit Advies Bijlagen" en 4 documenten van de lijst "Corr. intern PenO AlgDir" waarbij in de laatste kolom slechts "vertrouwelijk" of "intern en vertrouwelijk" is vermeld.

    Het college heeft bij brief van 13 maart 2017 te kennen gegeven dat bij 7 documenten van de lijst "Besluit Advies Bijlagen" en bij 38 documenten van de lijst "Corr. intern PenO AlgDir" in de laatste kolom niets is ingevuld, omdat die documenten geen gegevens bevatten die betrekking hebben op het functioneren van [appellant] als mens, collega en ambtenaar. Voorts heeft het college te kennen gegeven dat bij 4 documenten van de lijst "Besluit Advies Bijlagen" en bij 3 documenten van de lijst "Corr. intern PenO AlgDir" in de laatste kolom slechts "vertrouwelijk" of "intern en vertrouwelijk" is vermeld, omdat die woorden abusievelijk niet uit het betreffende document zijn verwijderd. Die documenten bevatten geen gegevens die betrekking hebben op het functioneren van [appellant] als mens, collega en ambtenaar. Voor het document van de lijst "Besluit Advies Bijlagen" met de naam "Chronologisch overzicht rondom onderzoek KBB&T.pdf" geldt dat dat wel gegevens bevat die betrekking hebben op het functioneren van [appellant] als mens, collega en ambtenaar, maar dat dit document eerder geanonimiseerd aan [appellant] is verstrekt. Daarom is de laatste kolom leeg gelaten, maar het woord "vertrouwelijk" is abusievelijk niet verwijderd. Het document van de lijst "Corr. Intern PenO AlgDir" met de naam "BenW besluitadvies Z08.1 en Z08.2.pfd" had niet op de lijst moeten voorkomen, omdat het een advies is van vóór 18 november 2008.

12.2.    Vooropgesteld wordt dat het door het college verstrekte overzicht voldoet aan de eisen die artikel 35 van de Wbp daaraan stelt en niet in strijd is met het transparantiebeginsel of rechtszekerheidsbeginsel. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (in de uitspraak van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4631) volstaat het dat aan de aanvrager, bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de Wbp, een volledig overzicht in begrijpelijke vorm van de hem betreffende persoonsgegevens wordt verstrekt, voorzien van een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens, zodat de aanvrager die gegevens kan controleren op hun juistheid en kan controleren of zij in overeenstemming met de Wbp zijn verwerkt. Het overzicht bevat een omschrijving van de documenten, de datum waarop de documenten zijn opgeslagen, gegevens over van wie het document afkomstig is, een toelichting op het doel van de verwerking, het doel van de verwerking, gegevens over de ontvanger(s), de geregistreerde persoonsgegevens en de gegevens die betrekking hebben op het functioneren van [appellant] als mens, collega en ambtenaar. Uit het overzicht kan voorts afdoende worden afgeleid in welke context de gegevens zijn verwerkt.

12.3.    De Afdeling heeft voorts met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis genomen van de door het college overgelegde, en onder 12.1 genoemde, documenten. Op grond van de inhoud van die documenten en hetgeen het college bij brief van 13 maart 2017 heeft toegelicht, bestaat geen reden om te twijfelen aan de volledigheid van het bij het besluit van 28 november 2016 gevoegde overzicht. Hiertoe wordt overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de documenten geen gegevens bevatten die betrekking hebben op het functioneren van [appellant] als mens, collega en ambtenaar. Dit geldt niet voor het document "BenW besluitadvies Z08.1 en Z08.2.pfd", maar daarvan heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat dit document niet onder het verzoek valt, omdat dit is opgemaakt voor 18 november 2008. Wat betreft het document "Chronologisch overzicht rondom onderzoek KBB&T.pdf" heeft het college zich op het standpunt gesteld dat [appellant] reeds in het bezit is van een geanonimiseerde versie van dat document, hetgeen [appellant] niet heeft ontkend. Wat betreft de documenten waarbij in de laatste kolom "bij u bekend" is opgenomen, heeft het college bij het besluit van 28 november 2016 te kennen gegeven dat [appellant] in het bezit is van die documenten en dat de daarin opgenomen hem betreffende persoonsgegevens derhalve niet in het overzicht zijn opgenomen. Ten slotte is voldoende duidelijk dat bij de overige documenten in de laatste kolom slechts die delen van het desbetreffende document zijn opgenomen waarin de [appellant] betreffende persoonsgegevens staan verwerkt, zodat ook in zoverre geen grond bestaat voor het oordeel dat het overzicht onduidelijk of onvolledig is.

    Het betoog faalt.

13.    Het beroep van [appellant] tegen het besluit van

28 november 2016 is ongegrond.

14.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep ongegrond;

II.    verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar van 4 november 2015, kenmerk: S&O/P&O-S, niet-ontvankelijk;

III.    verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar van

28 november 2016, kenmerk: Z/16/263614/UIT/16/754009, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Veenboer, griffier.

w.g. Slump    w.g. Veenboer

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2017

730. BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 4:6

1. De aanvrager is, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

2. Het bestuursorgaan kan, indien geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

Artikel 6:19

1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

[…].

Wet bescherming persoonsgegevens

Artikel 35

1. De betrokkene heeft het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

2. Indien zodanige gegevens worden verwerkt, bevat de mededeling een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.

Artikel 43

De verantwoordelijke kan artikel 35 buiten toepassing laten voor zover dit noodzakelijk is in het belang van :

[…];

c. gewichtige economische en financiële belangen van de staat en andere openbare lichamen;

[…];

e. de bescherming van de betrokkene of de rechten en vrijheden van anderen.