Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1572

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-06-2017
Datum publicatie
14-06-2017
Zaaknummer
201608476/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:6190, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 november 2015 heeft de RDW het verzoek van [appellant] om de tenaamstelling van het voertuig met het kenteken […] vervallen te verklaren, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201608476/1/A2.

Datum uitspraak: 14 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 oktober 2016 in zaak nr. 16/2270 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW).

Procesverloop

Bij besluit van 11 november 2015 heeft de RDW het verzoek van [appellant] om de tenaamstelling van het voertuig met het kenteken […] vervallen te verklaren, afgewezen.

Bij besluit van 1 maart 2016 heeft de RDW het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 oktober 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De RDW heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juni 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. W.G.N.M. van Caam, en de RDW, vertegenwoordigd door mr. C. van der Berg, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    In het kentekenregister staat het voertuig, een brommer, op naam van [appellant] geregistreerd. [appellant] heeft de RDW verzocht de tenaamstelling van het voertuig vervallen te verklaren. [appellant] heeft gesteld dat hij op 29 augustus 2015 zijn brommer met de scooter van [persoon] heeft geruild en de brommer in eigendom heeft overgedragen aan [persoon]. [persoon] heeft ondanks herhaalde verzoeken van [appellant] geweigerd het voertuig op zijn naam te zetten. Hierdoor is [appellant] nog steeds aansprakelijk voor het voertuig.

1.1.    Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit om de tenaamstelling niet te doen vervallen, heeft de RDW ten grondslag gelegd dat [appellant] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de verplicht voorgeschreven procedures om tot vervallenverklaring dan wel wijziging van de tenaamstelling over te gaan niet meer kunnen worden gevolgd. Volgens de RDW kan [appellant] door middel van een civielrechtelijke procedure trachten om overschrijving op naam van [persoon] af te dwingen bij de kantonrechter, en heeft hij derhalve nog de mogelijkheid om de procedure vermeld in artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van het Kentekenreglement (hierna: Kr) te volgen. Een verzoek als bedoeld in artikel 40c, eerste lid, van het Kr komt reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking, aldus de RDW.

Oordeel van de rechtbank

2.    De rechtbank heeft overwogen dat de omstandigheid dat niet vaststaat of een civiele procedure ertoe zal leiden dat [persoon] zijn medewerking verleent, onverlet laat dat de RDW zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van [appellant] in het licht van het karakter van artikel 40c, eerste lid, van het Kr mag worden verwacht dat hij ook deze mogelijkheid benut. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat niet kan worden geoordeeld dat het standpunt van de RDW dat [appellant] onvoldoende informatie heeft verstrekt om vast te stellen dat hij is opgehouden eigenaar, bezitter of houder van de brommer te zijn, kennelijk onredelijk is.

Toepasselijke regelgeving

3.    Artikel artikel 51a, derde lid, aanhef en onder f, van de Wegenverkeerswet 1994 luidt: "Onverminderd het eerste en tweede lid, kan een tenaamstelling vervallen worden verklaard in andere bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen gevallen." Deze gevallen zijn vastgesteld in het Kr.

    Artikel 26, tweede lid, van het Kr luidt: "Degene die eigenaar of houder van het voertuig is geworden is verplicht binnen een week nadat hij eigenaar of houder van het voertuig is geworden bij de Dienst Wegverkeer om tenaamstelling te verzoeken onder overlegging van de kentekencard, de tenaamstellingscode en een bij ministeriële regeling aangewezen legitimatiebewijs."

    Artikel 40 luidt: "De tenaamstelling in het register vervalt zodra:

a. op grond van een aanvraag als bedoeld in artikel 26, tweede lid, een voertuig is tenaamgesteld;

[…]

g. de Dienst Wegverkeer de tenaamstelling vervallen heeft verklaard op grond van een verzoek als bedoeld in artikel 40c, eerste lid."

    Artikel 40b, vierde lid, aanhef en onder a, luidt: "De Dienst Wegverkeer kan een tenaamstelling vervallen verklaren indien naar het oordeel van deze dienst blijkt dat degene op wiens naam het voertuig is ingeschreven opgehouden is eigenaar, bezitter of houder van het voertuig te zijn."

    Artikel 40c luidt:

"1. Degene die naar zijn mening ten onrechte als tenaamgestelde in het kentekenregister is vermeld, kan de Dienst Wegverkeer verzoeken de tenaamstelling te doen vervallen. De Dienst Wegverkeer verklaart de tenaamstelling vervallen indien hiervoor naar het oordeel van deze dienst voldoende gronden aanwezig zijn.

2. De tenaamstelling in het kentekenregister vervalt niet eerder dan op de dag waarop daartoe een verzoek bij deze dienst is ingediend.

3. In afwijking van het tweede lid kan de Dienst Wegverkeer in uitzonderlijke gevallen het vervallen van de tenaamstelling eerder laten ingaan."

Gronden van het hoger beroep

4.    [appellant] betoogt dat de RDW op grond van de feitelijke omstandigheden van het geval dient te onderzoeken of sprake is van de in artikel 40c, eerste lid, bedoelde uitzonderingssituatie. Uit niets blijkt dat de RDW in dit geval een dergelijk onderzoek heeft gedaan. Door in gevallen als deze te verlangen een procedure bij de civiele rechter aanhangig te maken, creëert de RDW een nieuwe buitenwettelijke procedure die verplicht moet worden gevolgd om tot overschrijving te kunnen komen. Het is niet aan de RDW om dergelijke procedures in het leven te roepen.

    Voorts betoogt [appellant] dat de kantonrechter de overschrijving niet kan bewerkstelligen. De overschrijving kan uitsluitend door [persoon] worden gedaan. Een vonnis van de kantonrechter voegt niet echt iets toe aan de al op grond van de wet bestaande verplichting. Het is dan onbegrijpelijk en onredelijk om [appellant] toch te dwingen die procedure te volgen. De RDW legt de verantwoordelijkheid voor de wijziging van de tenaamstelling ten onrechte bij [appellant].

    Ook heeft de rechtbank ten onrechte het beroep op artikel 40b, vierde lid, van het Kr afgewezen. De rechtbank had het verweer op dit punt van de RDW door te stellen dat [appellant] onvoldoende informatie heeft verstrekt om te kunnen bepalen dat hij is opgehouden de eigenaar, bezitter of houder van de brommer te zijn, niet zonder meer mogen accepteren. De RDW heeft eerder niet betwist dat [appellant] de brommer heeft overgedragen aan [persoon]. De door hem overgelegde informatie en stukken geven de rechtbank geen enkele reden om te suggereren dat hij de eigendom niet heeft overgedragen. Zijn opmerking dat [persoon] zijn publiekrechtelijke verplichtingen schendt en dat de RDW daartegen handelend moet optreden, heeft de rechtbank ten onrechte gezien als een verzoek om handhavend op te treden. Het willens en wetens handhaven van de onjuiste tenaamstelling in het register is een element bij de beoordeling van de vraag of de RDW zijn verzoek had mogen afwijzen, aldus [appellant].

Beoordeling van het hoger beroep

5.    Artikel 40c, eerste lid, van het Kr strekt ertoe te voorzien in uitzonderingssituaties waarin het niet mogelijk is een van de in artikel 40 bedoelde procedures te volgen. Bij de uitoefening van de in dit artikel opgenomen bevoegdheid komt aan de RDW beoordelingsvrijheid toe. Het is aan degene die een beroep doet op dit artikel om daarvoor dragende gronden aan te voeren en die aannemelijk te maken.

5.1.    De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de RDW zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het in zijn geval niet mogelijk is om op grond van artikel 40 van het Kr een wijziging dan wel vervallenverklaring van de tenaamstelling te bewerkstelligen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, staat immers vast dat [appellant] civielrechtelijke mogelijkheden ten dienste staan om medewerking van [persoon] af te dwingen en dat hij deze mogelijkheden vooralsnog onbenut heeft gelaten. Dat niet vaststaat of een civiele procedure ertoe zal leiden dat [persoon] zijn medewerking aan de overschrijving zal verlenen, vormt onvoldoende grond voor het oordeel dat zich een uitzonderingssituatie voordoet die de toepassing van artikel 40c rechtvaardigt. [appellant] kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat de RDW door te wijzen op deze procedure een buitenwettelijke procedure in het leven heeft geroepen. De RDW heeft er terecht op gewezen dat het volgen van een civiele procedure door [appellant] om de medewerking van [persoon] aan de overschrijving van de tenaamstelling van het voertuig af te dwingen een direct gevolg is van zijn gedraging om het voertuig over te dragen zonder dat de tenaamstelling is gewijzigd. De RDW heeft er voorts terecht op gewezen dat de wet geen procedures kent om op verzoek een voertuig op naam van een ander dan de verzoeker te stellen. Om te voorkomen dat voertuigen buiten de registratie komen te vallen heeft de wetgever gekozen voor een systeem als neergelegd in de artikelen 26 en volgende. Door middel van deze procedure kan worden bereikt dat de tenaamstelling de eigendom van het voertuig volgt. Voorts heeft De RDW in de stukken geen aanwijzing gezien dat [persoon] zich als eigenaar van het voertuig zou beschouwen en zou het om deze reden niet kunnen verantwoorden om het voertuig op zijn naam te registreren.

5.2.    De RDW heeft terecht gesteld dat hij in algemene zin niet de instantie is die onderzoek kan of moet doen naar de vraag wie eigenaar is van een voertuig. Voor zover uit de door [appellant] verstrekte informatie zou moeten worden afgeleid dat hij heeft opgehouden eigenaar, bezitter of houder van het voertuig te zijn, is dit gebeurd omdat hij de brommer aan [persoon] heeft overgedragen. Artikel 26 van het Kr bevat de overschrijvingsprocedure van het kentekenbewijs in geval van verkoop tussen particulieren. In geval van overdracht tussen particulieren dient met toepassing van artikel 26 de tenaamstelling van het voertuig te worden gewijzigd. Ervan uitgaande dat [appellant] de brommer aan [persoon] heeft overgedragen, kon de tenaamstelling van het voertuig niet met toepassing van artikel 40b, vierde lid, vervallen worden verklaard. Zoals de RDW terecht heeft gesteld, wordt met het volgen van de in artikel 26 voorgeschreven procedure voorkomen dat het voertuig buiten de registratie zou komen te vallen. Voor zover er van zou worden uitgegaan dat [persoon] eigenaar van het voertuig is, is het derhalve aan [appellant] om de juiste tenaamstelling te bewerkstelligen door de in het Kr voorgeschreven procedure te volgen. De rechtbank is daarom terecht tot de conclusie gekomen dat de RDW in redelijkheid heeft kunnen weigeren de tenaamstelling vervallen te verklaren.

    Het betoog faalt.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. van Zanten, griffier.

w.g. Pans    w.g. Van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2017

97.