Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1569

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-06-2017
Datum publicatie
14-06-2017
Zaaknummer
201608840/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2016:8973, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 januari 2016 heeft de RDW de tenaamstelling van het voertuig met het kenteken […] met ingang van die datum vervallen verklaard.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/638
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201608840/1/A2.

Datum uitspraak: 14 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 20 oktober 2016 in zaak nr. 16/2697 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW).

Procesverloop

Bij besluit van 7 januari 2016 heeft de RDW de tenaamstelling van het voertuig met het kenteken […] met ingang van die datum vervallen verklaard.

Bij besluit van 10 mei 2016 heeft de RDW het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 oktober 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De RDW heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juni 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. L.J.L. Heukels, advocaat te Haarlem, en de RDW, vertegenwoordigd door mr. C. van der Berg, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Bij brief van 3 november 2015, door de RDW ontvangen als bijlage bij een verzoek van 16 december 2015, heeft [appellant] de RDW verzocht de registratie van het voertuig met kenteken […] per 30 november 2009 te beëindigen. Volgens [appellant] zijn essentiële papieren, waaronder het kentekenbewijs, op die datum door de politie in beslag genomen en daarna blijkbaar vernietigd en bestond de auto als casco dan wel object niet meer. Ten bewijze dat hij het voertuig sindsdien niet meer in zijn bezit had, heeft [appellant] een kennisgeving van inbeslagname van een rechercheur van politie overgelegd, waaruit blijkt dat op 30 november 2009 beslag is gelegd op de kentekenplaat van het voertuig. Ook heeft hij een proces-verbaal van bevindingen van de hoofdagent van politie Eenheid Noord-Holland van 7 september 2015 overgelegd. Blijkens dit proces-verbaal is eerder tijdens een strafrechtelijke doorzoeking van een pand de kentekenplaat van het voertuig aangetroffen. [appellant] was de tenaamgestelde van het voertuig en volgens zijn verklaring lag het voertuig in onderdelen in het pand. Uit het onderzoek in het pand bleek dat er onderdelen van een grote hoeveelheid auto’s lagen. In het pand lagen tevens meerdere onderdelen van Volkswagen voertuigen. Op het moment van aantreffen is volgens de hoofdagent onderzoek gedaan naar alle onderdelen die afkomstig waren van ontvreemde voertuigen. Alle overige onderdelen waarop niet kon worden gerechercheerd, met vermoedelijk de onderdelen van het voertuig van [appellant], zijn als bulk vernietigd. Door de hoofdagent is niet met zekerheid aan te geven dat het voertuig van [appellant] er tussen zat, maar gezien de grote hoeveelheid auto-onderdelen die zijn vernietigd is het zeker aannemelijk dat onderdelen van het voertuig daar tussen zaten, aldus het proces-verbaal.

Toepasselijke regelgeving

2.    Artikel 40c, eerste lid, van het Kentekenreglement (hierna: Kr) luidt: "Degene die naar zijn mening ten onrechte als tenaamgestelde in het kentekenregister is vermeld, kan de RDW verzoeken de tenaamstelling te doen vervallen. De RDW verklaart de tenaamstelling vervallen indien hiervoor naar het oordeel van deze dienst voldoende gronden aanwezig zijn."

    Het tweede lid luidt: "De tenaamstelling in het kentekenregister vervalt niet eerder dan op de dag waarop daartoe een verzoek bij deze dienst is ingediend."

    Het derde lid luidt: "In afwijking van het tweede lid kan de RDW in uitzonderlijke gevallen het vervallen van de tenaamstelling eerder laten ingaan."

Gronden van het hoger beroep

3.    [appellant] betoogt dat hij in vorige instanties telkens heeft gesteld dat hij al eerder aan de RDW heeft gevraagd om de registratie van het voertuig te beëindigen. Hij heeft in ieder geval al voor 24 maart 2015 een aanvraag gedaan, waarna de RDW heeft aangegeven dat hij daarvoor aanvullende gegevens nodig heeft en daarnaast ook nog een kopie van een geldig legitimatiebewijs van [appellant]. De aanvullende gegevens, zoals het kentekenbewijs, zijn niet voorhanden omdat de politie die in 2009 in beslag heeft genomen en vernietigd. Hij heeft diverse mondelinge verzoeken gedaan om de tenaamstelling in het register te laten vervallen. De RDW gaf hem echter te verstaan dat zo’n verzoek alleen kans van slagen had als hij de papieren van het voertuig zou overleggen. Hij heeft er toen voor gekozen de politie te blijven benaderen om een proces-verbaal op te maken over het doen "verdwijnen" van de papieren van het voertuig na de inbeslagname daarvan door de politie. De politie gaf echter geen gehoor aan diverse verzoeken om een verklaring op papier te zetten.

    Uit het proces-verbaal van de politie blijkt dat alle overige onderdelen van het bewuste voertuig als bulk zijn vernietigd. Er was dus vanaf dat moment in het geheel geen - geregistreerd - voertuig meer. Pas toen hij dit proces-verbaal ontving, kon [appellant] bewijzen dat de registratie ook daadwerkelijk vanaf die datum onjuist en onrechtmatig was.

    Het besluit om de tenaamstelling van het voertuig niet met terugwerkende kracht te laten vervallen is onjuist, omdat het hebben van een onjuiste registratie in een basisregister en het niet corrigeren daarvan onrechtmatig is vanwege schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De RDW stelt ten onrechte dat alleen in gevallen van identiteitsfraude de tenaamstelling met terugwerkende kracht kan vervallen en geeft daarmee een te beperkte uitleg aan artikel 8 van het EVRM, aldus [appellant].

Beoordeling van het hoger beroep

4.    De RDW heeft als beleid dat in beginsel geen terugwerkende kracht wordt verleend aan besluiten die zijn genomen met toepassing van artikel 40c van het Kr, maar dat in bepaalde gevallen onjuiste gegevens ook met terugwerkende kracht worden gecorrigeerd. De RDW volgt daarbij de Nota van Toelichting bij het Besluit van 26 november 2013, tot wijziging van het Kentekenreglement (blz. 45; Stb. 2013, 523). Daarin staat dat artikel 40c, derde lid, is bedoeld voor gevallen waarin de geregistreerde op geen enkele manier deel heeft aan de tenaamstelling. Een dergelijke situatie doet zich onder meer voor in gevallen die vergelijkbaar zijn met het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Romet tegen Nederland, arrest van 14 februari 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0214JUD000709406. De Afdeling heeft in de uitspraak van 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1924, overwogen dat dit beleid niet onredelijk is. De juistheid van het kentekenregister en de rechtszekerheid met betrekking tot de tenaamstelling rechtvaardigen voornoemd beleid. Gebruikers van dat register, waaronder ook particulieren, moeten op elk moment aan de hand van de registratie kunnen bepalen wie op een bepaalde datum houder was van een voertuig, zonder dat zij erop bedacht behoeven te zijn dat die registratie in de toekomst wordt aangepast.

    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 12 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2681, moet bij de toepassing van het beleid gestreefd worden naar een juist evenwicht tussen het belang van betrokkene bij de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het belang dat de RDW heeft bij het goede functioneren van het kentekenregister.

4.1.    De RDW heeft op grond van de beschikbare gegevens vastgesteld dat het voertuig is gesloopt. De RDW kan niet worden gevolgd in zijn standpunt dat op grond van een zes jaar later opgesteld proces-verbaal met daarin het vermoeden dat de onderdelen van een specifiek voertuig zijn afgevoerd hij in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de omstandigheden dermate onduidelijk zijn dat voor terugwerkende kracht geen aanleiding bestond. Anders dan de RDW stelt, doet zich indien de vervallenverklaring van de tenaamstelling op 30 november 2009 zou ingaan, niet de situatie voor dat een relatief willekeurige datum van beëindiging in het register zou worden opgenomen, nu dit de datum is van het door de politie uitgevoerde onderzoek. Tussen partijen is niet in geschil dat het voertuig is gesloopt. Daarvan uitgaande, kan op grond van de beschikbare gegevens slechts worden geconcludeerd dat het voertuig ten tijde van het onderzoek in onderdelen in het pand lag en dat deze onderdelen zijn afgevoerd en vernietigd. Voor zover de RDW zich op het standpunt stelt dat het proces-verbaal van de politie onvoldoende is voor deze conclusie, dienen daarbij ook de inbeslagname van het kentekenbewijs en de kentekenplaat van het voertuig ten tijde van het onderzoek, het verzoek van [appellant] om vervallenverklaring van de tenaamstelling wegens de vernietiging van de onderdelen van het voertuig, waartoe hij, naar hij ter zitting heeft gesteld, voor het eerst medio 2010 en daarna nog diverse malen telefonisch contact heeft opgenomen met de RDW, en de door hem opgegeven reden waarom hij er niet eerder in is geslaagd het proces-verbaal van de politie over te leggen, te worden betrokken.

4.2.    Onder verwijzing naar voormelde uitspraak van 12 oktober 2016 is de Afdeling van oordeel dat de RDW zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellant] ook na het moment waarop het voertuig is gesloopt nog binding had met de tenaamstelling. Vanaf die datum werd immers niet meer met het voertuig deelgenomen aan het verkeer en kon het voertuig of onderdelen daarvan ook niet meer worden verhandeld. Met het voertuig kon daarna niets meer gebeuren omdat het niet meer bestond, zodat het doel van de registratie en de reden om in beginsel geen terugwerkende kracht te verlenen aan het vervallen van de tenaamstelling, vanaf dat moment hun betekenis hebben verloren. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat [appellant] nog deel heeft aan de tenaamstelling. Door vervallenverklaring met terugwerkende kracht tot het moment van de sloop van het voertuig te weigeren, heeft de RDW niet een juist evenwicht bewerkstelligd tussen het belang van een juiste registratie en het belang van [appellant] bij correctie met terugwerkende kracht van de registratie. De RDW heeft derhalve voor de periode teruglopend tot de sloop van het voertuig op 30 november 2009 ten onrechte geen terugwerkende kracht verleend aan de vervallenverklaring van de tenaamstelling als bedoeld in artikel 40c, derde lid, van het Kr.

    Het betoog slaagt.

5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van 10 mei 2016 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 40c, derde lid, van het Kr. De Afdeling zal het besluit van 7 januari 2016 herroepen en bepalen dat de tenaamstelling vervalt met ingang van 30 november 2009.

    Dit betekent dat de RDW het kentekenregister moet aanpassen in die zin dat de tenaamstelling van het voertuig vanaf 30 november 2009 vervallen is verklaard.

6.    De RDW dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 20 oktober 2016 in zaak nr. 16/2697;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de directie van de Dienst Wegverkeer van 10 mei 2016, kenmerk BZW.16.0174;

V.    herroept het besluit van 7 januari 2016, kenmerk 3 S 0741k;

VI.    bepaalt dat de tenaamstelling vervalt met ingang van 30 november 2009;

VII.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VIII.    veroordeelt de directie van de Dienst Wegverkeer tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.980,00 (zegge: negentienhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX.    gelast dat de directie van de Dienst Wegverkeer aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 419,00 (zegge: vierhonderdnegentien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. van Zanten, griffier.

w.g. Pans    w.g. Van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2017

97.