Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1568

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-06-2017
Datum publicatie
14-06-2017
Zaaknummer
201608547/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:12400, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 februari 2016 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201608547/1/A2.

Datum uitspraak: 14 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 oktober 2016 in zaak nr. 16/4102 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 16 februari 2016 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard.

Bij besluit van 22 april 2016 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 oktober 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juni 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.W. Landman, advocaat te Leiden, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. S.J.M. Ditvoorst-van der Ark, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Bij besluit van 28 juli 2015 is aan [appellant] een Lichte Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (hierna: LEMA) opgelegd. Op 12 oktober 2015 is de oproep voor de LEMA aangetekend aan het bij het CBR bekende adres van [appellant] verzonden. Op 6 november 2015 heeft het CBR de aangetekend verzonden brief retour ontvangen met de mededeling "niet afgehaald". Op 25 november 2015 heeft het CBR [appellant] per gewone post een herinnering voor de LEMA gestuurd. [appellant] is niet verschenen op de eerste cursusdag op 9 december 2015. Het CBR heeft als gevolg daarvan bij het besluit van 16 februari 2016 het rijbewijs van [appellant] op grond van artikel 132 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994) en de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna: Regeling) ongeldig verklaard.

Oordeel van de rechtbank

2.    De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan aannemelijk is dat de kennisgeving van de aangetekend verzonden brief niet door TNT Post (thans: PostNL) op zijn adres is achtergelaten. Het niet afhalen van een aangetekend stuk en het niet kennisnemen daarvan komt voor risico van de geadresseerde. Het CBR heeft in het geval dat de deelnemer niet op de afgesproken locatie en tijd aanwezig is, en daarbij geen geldige reden voor zijn afwezigheid heeft, geen beoordelingsruimte of beleidsvrijheid bij het ongeldig verklaren van het rijbewijs. De door [appellant] aangevoerde persoonlijke omstandigheden spelen daarom geen rol bij het besluit, aldus de rechtbank.

Wettelijk kader

3.    Artikel 131, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wvw 1994 luidt: "Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen […] tot oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid."

    Artikel 132, eerste lid, aanhef en onder a, luidt: "Behoudens de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen is diegene verplicht zijn medewerking te verlenen aan de opgelegde maatregel, die zich ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel a, dient te onderwerpen aan een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid."

    Het tweede lid luidt: "Bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde medewerking besluit het CBR onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de houder. […]."

    Artikel 133, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen luidt: "Tijdstip en plaats van het in artikel 133 van de wet bedoelde onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid of, indien het onderzoek in gedeelten plaatsvindt, van die gedeelten, worden door het CBR vastgesteld. […]."

    Het tweede lid luidt: "Indien betrokkene niet op de voor het onderzoek vastgestelde tijd en plaats aanwezig is, worden zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van het afwezigheidsbericht tijd en plaats van het onderzoek door het CBR opnieuw vastgesteld tenzij naar het oordeel van het CBR geen sprake is van een geldige reden van verhindering."

    Artikel 24, aanhef en onder b, van de Regeling luidt: "Betrokkene verleent onder meer niet de vereiste medewerking aan het onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid indien hij niet of niet binnen de door het CBR gestelde termijn meewerkt aan het opgelegde onderzoek of de opgelegde onderzoeken zonder dat daarvoor naar het oordeel van het CBR een geldige reden van verhindering is opgegeven."

Gronden van het hoger beroep

4.    In hoger beroep heeft [appellant] zijn betoog herhaald dat het CBR ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij niet de vereiste medewerking heeft verleend. Daartoe voert hij aan dat hij de oproep niet heeft ontvangen. Uit zijn dossier blijkt juist dat hij de vereiste medewerking wilde verlenen. Hij had zich direct aangemeld voor de LEMA en hij heeft ook het verplichte cursusgeld betaald. Daarnaast heeft hij telefonisch contact met het CBR opgenomen. Het CBR was ervan op de hoogte dat hij de oproep niet heeft ontvangen en heeft onzorgvuldig gehandeld door geen onderzoek in te stellen naar de reden waarom de aangetekende brief is geretourneerd, aldus [appellant]. Ter zitting heeft [appellant] naar voren gebracht dat een van zijn huisgenoten zijn post blijkbaar heeft verduisterd.

Beoordeling van het hoger beroep

5.    Vaststaat dat het CBR de aangetekend verzonden brief van 12 oktober 2015 heeft verzonden naar het bij het CBR bekende adres van [appellant]. Vaststaat eveneens dat deze brief niet is afgehaald en aan het CBR is geretourneerd. Het is vaste praktijk van PostNL dat, indien uitreiking van een aangetekend stuk aan de geadresseerde niet mogelijk blijkt, in de brievenbus van de geadresseerde een kennisgeving wordt achtergelaten dat het stuk gedurende een zekere termijn op het postkantoor kan worden afgehaald. De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 december 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK6718, overwogen dat [appellant] met de enkele stelling dat hij de oproep niet heeft ontvangen, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kennisgeving van de aangetekend verzonden brief niet op zijn adres is achtergelaten. Het komt voor risico van [appellant] dat hij zich niet in het bezit heeft gesteld van de aangetekend verzonden brief, zodat hij van de inhoud geen kennis heeft kunnen nemen. Na de retournering van de aangetekend verzonden brief heeft het CBR op 25 november 2015 per gewone post een herinnering voor de LEMA verzonden. Ook heeft het CBR op 15 december 2015 en 11 januari 2016 een adresonderzoek uitgevoerd, waarbij beide keren bleek dat [appellant] op het aangeschreven adres stond ingeschreven. Anders dan [appellant] stelt, heeft het CBR aldus niet onzorgvuldig gehandeld. Voor zover er problemen waren met zijn post, was het, zoals het CBR ter zitting terecht heeft gesteld, aan [appellant] om daarop actie te ondernemen. Pas bij brief van 20 maart 2016, derhalve na het besluit van 16 februari 2016, heeft [appellant] aan het CBR een ander correspondentieadres doorgegeven.

    Dat [appellant] de kosten van het onderzoek heeft voldaan en bereid is medewerking te verlenen, zijn geen feiten of omstandigheden die zijn stelling steunen dat hij geen oproep heeft ontvangen, omdat ze geen betrekking hebben op die stelling.

     Gezien het vorenstaande is niet gebleken van een geldige reden van verhindering. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het CBR terecht heeft geconcludeerd dat [appellant] niet de vereiste medewerking aan het onderzoek heeft verleend, hetgeen ingevolge artikel 132, tweede lid, van de Wvw 1994 leidt tot ongeldigverklaring van het rijbewijs. Aan de stelling van [appellant] dat het opnieuw moeten voldoen van de kosten voor het alsnog volgen van de cursus voor iemand met zijn inkomen een hardheid inhoudt die niet te verklaren is, moet worden voorbijgegaan, aangezien het CBR gehouden was het rijbewijs ongeldig te verklaren.

    Het betoog faalt.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. van Zanten, griffier.

w.g. Pans    w.g. Van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2017

97.