Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:156

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-01-2017
Datum publicatie
25-01-2017
Zaaknummer
201602957/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 april 2016 heeft het college zijn beslissing om op 21 maart 2016 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellante] komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2017/684 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602957/1/A1.

Datum uitspraak: 25 januari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2016 heeft het college zijn beslissing om op 21 maart 2016 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellante] komt.

Bij besluit van 21 april 2016 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 december 2016, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Blankenstein, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een huisvuilzak die op 21 maart 2016 ter hoogte van de Beeklaan 286 te Den Haag naast een inzamelvoorziening is aangetroffen. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de huisvuilzak in strijd met de Afvalstoffenverordening heeft aangeboden, omdat daarin een tot haar herleidbare enveloppe is aangetroffen.

2. [appellante] voert aan dat zij de huisvuilzak niet op de locatie heeft achtergelaten waar deze is aangetroffen. Zij stelt hiertoe dat zij haar huisvuil nooit op onjuiste wijze aanbiedt. Zij betoogt dat het college met de enkele constatering dat in de huisvuilzak een enveloppe is aangetroffen met daarop haar naam- en adresgegevens, niet heeft aangetoond dat zij de huisvuilzak verkeerd heeft aangeboden. Volgens haar is het mogelijk dat zij de enveloppe in een horecagelegenheid heeft achtergelaten en dat deze daar door een ander in de huisvuilzak is gedaan en dat die zak vervolgens op de locatie is achtergelaten waar deze is aangetroffen. Verder is het volgens haar mogelijk dat één van de bewoners van het studentenhuis waar zij woont de zak verkeerd ter inzameling heeft aangeboden. In dit verband voert zij aan dat zij in een studentenhuis woont waar het huisvuil in een gezamenlijke afvalbak wordt gedaan en dat zij daar ook gebruik van maakt. Zij stelt dat de inhoud van deze bak door meerdere bewoners van het studentenhuis wordt weggebracht.

2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 11 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3447), zal in de regel mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is. Dit geldt echter niet indien diegene aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden.

2.2. Tussen partijen is niet in geschil dat op 21 maart 2016 een huisvuilzak is aangetroffen ter hoogte van de Beeklaan 286 en dat deze in strijd met de Afvalstoffenverordening naast een inzamelvoorziening is geplaatst. Evenmin is in geschil dat in die huisvuilzak een enveloppe is aangetroffen met de naam- en adresgegevens van [appellante]. Derhalve is de huisvuilzak herleidbaar tot haar. Het opperen van de mogelijkheid dat de enveloppe door een ander in de huisvuilzak is gedaan, is onvoldoende om niet van het onder 2.1 weergegeven bewijsvermoeden uit te gaan. Ook de stelling van [appellante] dat zij haar huisvuil altijd op juiste wijze aanbiedt is daartoe onvoldoende.

Op grond van hetgeen [appellante] heeft aangevoerd is het mogelijk dat niet zij, maar een andere bewoner van haar studentenhuis de huisvuilzak ter inzameling heeft aangeboden. De keuze van [appellante] om haar huishoudelijke afvalstoffen mede door een ander ter inzameling te laten aanbieden komt echter voor haar eigen rekening en risico. Het verkeerd aanbieden van de huisvuilzak dient dan ook aan haar te worden toegerekend. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3447).

Gelet op het vorenstaande is er geen aanleiding voor het oordeel dat het college [appellante] ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt.

3. Het beroep is ongegrond.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Hulst, griffier.

w.g. Slump w.g. Van Hulst

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2017

402.