Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1541

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-06-2017
Datum publicatie
14-06-2017
Zaaknummer
201506941/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juli 2015, documentnummer 2015.0.053.032, heeft de raad het bestemmingsplan "Fluvium Midden - Westervoortsedijk West" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Crisis- en herstelwet
Wet geluidhinder
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/653
OGR-Updates.nl 2017-0134

Uitspraak

201506941/1/R6.

Datum uitspraak: 14 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. De Smidse B.V., gevestigd te Arnhem,

2. [ appellante sub 2A] en W.S.L. Groep B.V., beide gevestigd te Arnhem (hierna: tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 2]),

3. [ appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Arnhem,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2015, documentnummer 2015.0.053.032, heeft de raad het bestemmingsplan "Fluvium Midden - Westervoortsedijk West" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben De Smidse, [appellante sub 2] en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad, De Smidse, [appellante sub 2] en [appellant sub 3] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft op 18 januari 2016 de zaak ter zitting behandeld waar De Smidse, vertegenwoordigd door [gemachtigden] en bijgestaan door mr. D.H. Nas en mr. C.F. Geerdes, beiden advocaat te Nijmegen, [appellante sub 2], bijgestaan door mr. C. van Deutekom, advocaat te Arnhem, [appellant sub 3], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door A.G.A.M. Meijers en ing. L. Berrevoets, beiden werkzaam bij de gemeente, drs. ing. J.E.M. Breij, werkzaam bij bureau Ruimtemeesters, ing. T.A. Korts, werkzaam bij de Omgevingsdienst Regio Arnhem, en ing. M.H.M. van Kesteren, werkzaam bij adviesbureau DGMR, en bijgestaan door mr. R. Benhadi en mr. T.E.P.A. Lam, beiden advocaat te Nijmegen, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting aan de zijde van De Smidse ing. E.W. Boontje, adviseur bij bureau Peutz, en A.P. Zijderveld, adviseur bij de stichting PKM, adviseurs voor metaal- en technische bedrijven, als deskundigen, verschenen.

De Afdeling heeft aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het onderzoek te heropenen om de raad te verzoeken te reageren op nadere stukken van De Smidse en [appellante sub 2]. Bij brief van 24 mei 2016 heeft de raad gereageerd. De Smidse en [appellante sub 2] zijn in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. De Smidse en [appellante sub 2] hebben daarvan gebruik gemaakt.

De Smidse, [appellante sub 2], de raad en het college van gedeputeerde staten hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak verder ter zitting behandeld op 5 oktober 2016, waar [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. C. van Deutekom, advocaat te Arnhem, De Smidse vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. C.F. Geerdes en de raad, vertegenwoordigd door mr. A.G.A.M. Meijers, L.R. Berrevoets, drs. ing. J.E.M. Breij, H. van Ramshorst, bijgestaan door mr. R. Benhadi, advocaat te Nijmegen.

Voorts is ter zitting het college van gedeputeerde staten van Gelderland, vertegenwoordigd door H.P.T. Nas, A.A. Sulter, mr. B. Menting, bijgestaan door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, verschenen.

Overwegingen

Crisis- en herstelwet

1. Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder a, in samenhang bezien met categorie 3, onder 3.1, van bijlage 1 van de Crisis- en herstelwet (hierna: de Chw) is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van toepassing op de ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden ten behoeve van de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied.

Het plan maakt de bouw van 200 woningen in een aaneengesloten gebied mogelijk zodat ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder a, van de Chw afdeling 2 van hoofdstuk 1 op het bestreden besluit van toepassing is.

Het geschil

2. Het plangebied ziet op een deel van het bestaande industrieterrein Arnhem Noord en een deel van het voormalige gasfabrieksterrein Fluvium. Het plan voorziet in een nieuw woongebied als onderdeel van de transformatie van het voormalige gasfabrieksterrein. De overige percelen in het plangebied hebben de bestemming "Bedrijventerrein".

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

4. Tegen het plan is beroep ingesteld door drie eigenaren van gronden in het plangebied met de bestemming "Bedrijventerrein". Zij vrezen een beperking van hun bestaande en toekomstige bedrijfsactiviteiten als gevolg van de aan de percelen toegekende bestemming en de voorziene nieuwe woningen. De beroepsgronden richten zich tegen de bestemming "Bedrijventerrein" en bijbehorende planregels op hun percelen, en tegen het plandeel met de bestemming "Wonen". Een groot deel van de beroepsgronden zal de Afdeling per partij bespreken. Tot slot zal de Afdeling de beroepsgrond bespreken dat het plandeel met de bestemming "Wonen" is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), die door alle drie de appellanten is aangevoerd, en de beroepsgrond dat het plan niet financieel uitvoerbaar is, aangevoerd door De Smidse en [appellante sub 2].

Het beroep van De Smidse

5. De Smidse is gevestigd op gronden in het plangebied aan de Westervoortsedijk 95 en exploiteert ter plaatse een bedrijf dat metaal bewerkt en (metaal)constructies maakt en repareert.

maatbestemming

6. De Smidse voert aan dat het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" met de aanduidingen "bedrijf tot en met categorie 2" en "specifieke vorm van bedrijf - 2" ter plaatse van haar perceel ten onrechte is vastgesteld. De opgenomen maatbestemming en de toegestane milieucategorie leiden tot een onevenredige beperking van de bedrijfsmogelijkheden. De bestaande bedrijfsactiviteiten dienen volgens De Smidse te worden ingedeeld in categorie 3.2 en 4.1. Anders dan in het voorgaande plan, kan niet worden omgeschakeld naar andere bedrijfsactiviteiten in categorie 3. De beperking van de milieucategorie tot maximaal categorie 2 is bovendien onnodig, omdat de bestaande bedrijfsactiviteiten in een hogere milieucategorie volgens de raad niet leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de voorziene woningen. Voorts voert De Smidse aan dat onduidelijk is waarom de flexibiliteit, die met de afwijkingsbevoegdheid in artikel 4, lid 4.5, onder a, van de planregels wordt geboden, niet op haar perceel van toepassing kan zijn.

6.1 De raad stelt zich op het standpunt dat aan de gronden van De Smidse een maatbestemming is toegekend, waarbij de bestaande en legaal aanwezige bedrijfsactiviteiten als zodanig zijn bestemd. Het terugbrengen van de toegestane categorie van bedrijven is volgens de raad nodig voor de beoogde transformatie van het gebied naar een woon-werkgebied. Met het terugbrengen van de bedrijfsactiviteiten wordt eventuele milieuhinder beperkt en kan woningbouw worden gerealiseerd. Deze transformatie is in overeenstemming met gemeentelijk beleid en reeds opgenomen in de gemeentelijke Structuurvisie.

6.2. Het perceel van De Smidse heeft de bestemming "Bedrijventerrein" met de aanduidingen "bedrijf tot en met categorie 2" en "specifieke vorm van bedrijf - 2".

Artikel 4, lid 4.1 van de planregels luidt: "De voor Bedrijventerrein aangewezen gronden zijn, met inachtneming van het bepaalde in Artikel 16, bestemd:

a. voor bedrijven of gedeelten van bedrijven die:

1. zijn genoemd in de categorieën 1 en 2 van de bij deze regels behorende bedrijvenlijst (Bijlage 1) ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 2";

[…]

c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf -2' tevens voor een constructiewerkplaats/metaalbewerkingsbedrijf;"

Lid 4.5, aanhef en onder a, luidt: "Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

a. lid 3.1. (lees: 4.1.) sub a voor de vestiging van, dan wel wijziging of aanpassing van een bestaand bedrijf in een bedrijf (of een gedeelte daarvan), dat niet dan wel in een hogere categorie van de bedrijvenlijst voorkomt, voorzover het bedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot de categorieën zoals in artikel 3.1. (lees: 4.1.) genoemd, mits het geen geluidszoneringsplichtige of risicovolle inrichting betreft;".

6.3. De raad heeft gesteld dat door middel van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 2" de bestaande bedrijfsactiviteiten van De Smidse als zodanig zijn bestemd. Niet is in geschil dat de bestaande, vergunde bedrijfsactiviteiten van De Smidse bestaan uit een constructiewerkplaats en een metaalbewerkingsbedrijf.

6.4. Voor zover De Smidse betoogt dat de raad ten onrechte alleen (na toepassing van de afwijkingsbevoegdheid) een constructiewerkplaats tot en met categorie 3.2 mogelijk heeft gemaakt, overweegt de Afdeling dat in artikel 4, lid 4.1, onder c, van de planregels geen milieucategorie is opgenomen voor de toegestane constructiewerkplaats. Gelet hierop is een constructiewerkplaats in de open lucht vallend in milieucategorie 4.1 niet met de toegekende bestemming in strijd, daargelaten of de bedrijfsactiviteiten die De Smidse op het buitenterrein uitvoert als zodanig zijn aan te merken. Voor zover De Smidse betoogt dat de raad de bestaande bedrijfsactiviteiten op onjuiste wijze heeft betrokken in het akoestisch onderzoek voor de voorziene woningen, komt het betoog in dat kader aan de orde. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de bestaande, legale bedrijfsactiviteiten niet als zodanig zijn bestemd door middel van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 2", overigens daargelaten of de bedrijfsactiviteiten die De Smidse op het buitenterrein uitvoert maken dat sprake is van een constructiewerkplaats in categorie 4.1. Het betoog faalt.

6.5. Met de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 2" is de algemeen toegestane categorie van bedrijfsactiviteiten ten opzichte van het voorheen geldende plan verlaagd van maximaal categorie 3 naar maximaal categorie 2. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Uit de plantoelichting volgt dat de raad, om de transformatie van een deel van het gasfabrieksterrein naar een woon-werkgebied mogelijk te maken, de toegestane categorieën bedrijven in de omgeving één stap heeft verlaagd ten opzichte van het voorheen geldende plan. De raad heeft toegelicht dat het gebied thans deels braak ligt en verpauperd is. Na transformatie zal het gebied volgens de raad een overgang gaan vormen tussen woonbebouwing in het westen en het industrieterrein ten oosten en zuiden daarvan. De bestaande bedrijven zijn door middel van maatbestemmingen als zodanig bestemd. De transformatie is benoemd in de gemeentelijke Structuurvisie, die op 10 december 2012 door de raad is vastgesteld. De Afdeling overweegt dat de raad met het oog op de beoogde transformatie van het gebied in redelijkheid heeft kunnen besluiten de bedrijfsactiviteiten te beperken en terug te brengen, waarbij is beoogd de bestaande bedrijfsactiviteiten als zodanig te bestemmen. Dat een hogere categorie van bedrijfsactiviteiten ter plaatse mogelijk zou zijn met behoud van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, maakt niet reeds dat de raad is gehouden daarin te voorzien. Daarbij is van belang dat het toestaan van een hogere milieucategorie in het algemeen meer beperkingen met zich zal brengen voor het aldaar voorzien in woonbebouwing en het woon- en leefklimaat ter plaatse. Dat het bestaande bedrijf als zodanig is bestemd, leidt gelet op het voorgaande evenmin tot het oordeel dat de raad een hogere milieucategorie toe dient te staan. De Afdeling ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de bestemming in zoverre een onevenredige beperking voor De Smidse met zich brengt, nu de bestaande bedrijfsactiviteiten door middel van een aparte aanduiding als zodanig zijn bestemd. Dat De Smidse ter plaatse, anders dan in het voorgaande plan, niet meer kan omschakelen naar andere bedrijfsactiviteiten in categorie 3, is onvoldoende voor het oordeel dat zij onevenredig wordt beperkt. Daarbij is relevant dat niet is gebleken van concrete plannen van De Smidse voor een uitbreiding of omschakeling naar dergelijke bedrijfsactiviteiten. De afwijkingsbevoegdheid in artikel 4, lid 4.5, aanhef en onder a, van de planregels, biedt verder de mogelijkheid om, onder voorwaarden, bedrijfsactiviteiten in een hogere categorie dan 2 toe te staan, mits deze wat betreft uitstraling kunnen worden aangemerkt als categorie 1 of 2. Deze afwijkingsbevoegdheid is van toepassing op alle gronden met de bestemming "Bedrijventerrein", en derhalve ook op het perceel van De Smidse.

Het betoog faalt.

Bouwvoorschriften

7. De Smidse voert aan dat het maximale bebouwingspercentage van 75 en de maximale bouwhoogte van 15 m voor haar perceel onvoldoende zijn. Op korte termijn heeft zij nadere voorzieningen nodig ten behoeve van haar bedrijfsactiviteiten. Met ruimere bouwmogelijkheden kunnen bovendien meer bedrijfsactiviteiten binnen worden verricht, hetgeen de geluidbelasting bij de voorziene woningen zal beperken. De Smidse twijfelt voorts over de betekenis van "afzonderlijk bouwperceel" als bedoeld in artikel 15, lid 15.2, onder b, van de planregels voor het maximale bebouwingspercentage. Zij vreest dat bebouwing van andere bedrijven de bouwmogelijkheden op haar perceel zullen beperken.

7.2. De raad stelt zich op het standpunt dat de bouwregel over het bebouwingspercentage voor de duidelijkheid is aangepast. Zij wijst op de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2249. Daarin is volgens de raad overwogen dat volgens vaste jurisprudentie voor het bouwperceel de actuele situatie bepalend is, waarbij in beginsel wordt uitgegaan van het kadastrale perceel waarop het bouwplan is voorzien. Gebouwen of bouwwerken van andere bedrijven op naastgelegen kadastrale percelen zullen derhalve volgens de raad de bouwmogelijkheden voor

De Smidse niet beïnvloeden. De bouwhoogte sluit volgens de raad aan bij de bouwhoogte uit het voorheen geldende plan en is voldoende voor de bedrijfsvoering.

7.3. Gelet op de aan het perceel toegekende aanduidingen "maximum bebouwingspercentage (%) = 75" en "maximum bouwhoogte (m) =15" en artikel 4, lid 4.2, onder a, van de planregels geldt ter plaatse voor de bouw van gebouwen een maximale bouwhoogte van 15 m en een maximum bebouwingspercentage van 75.

Artikel 15, lid 15.2, onder b, van de planregels luidt: "Indien binnen een bestemmingsvlak een bouwvlak en een bebouwingspercentage zijn aangegeven is het bebouwingspercentage van toepassing op de gronden binnen het bouwvlak, met dien verstande dat het bebouwingspercentage voor zover dat op de plankaart binnen de bestemming "Bedrijventerrein" wordt aangegeven, geldt voor elk afzonderlijk bouwperceel binnen het bestemmingsvlak."

7.4. Ter zitting heeft De Smidse naar aanleiding van de verklaring van de raad over de toepassing van het begrip "bouwperceel" in artikel 15, lid 15.2, onder b, van de planregels haar beroepsgrond in zoverre ingetrokken.

7.5. Niet is in geschil dat de bouwhoogte en het bebouwingspercentage overeenkomen met het voorheen geldende plan en dat de bestaande gebouwen daarmee in overeenstemming zijn. Door De Smidse is niet aannemelijk gemaakt dat het bebouwingspercentage van 75 en een bouwhoogte van maximaal 15 m onvoldoende zijn voor haar huidige bedrijfsvoering. Evenmin is gebleken dat De Smidse op grond van deze bouwmogelijkheden in het geheel geen uitbreidingsmogelijkheden heeft. Desgevraagd heeft De Smidse te kennen gegeven geen concrete plannen te hebben voor uitbreiding van bebouwing die op grond van het plan niet mogelijk zou zijn. De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de raad wat betreft de toegestane bouwmogelijkheden niet in redelijkheid bij het voorheen geldende plan heeft kunnen aansluiten. Het betoog faalt.

Geluid

8. De Smidse vreest een beperking van haar bedrijfsactiviteiten als gevolg van de toegestane woningen die in het plan zijn voorzien aan de overzijde van de Westervoortsedijk. Volgens De Smidse is de geluidbelasting bij deze woningen onzorgvuldig onderzocht en zal sprake zijn van een onaanvaardbare geluidbelasting ter plaatse. Nu zij het dichtst bij deze woningen is gevestigd, zullen bewoners de hoge geluidbelasting toeschrijven aan haar bedrijf, aldus De Smidse.

8.2. Naar de geluidbelasting ter plaatse van de woningen aan de Westervoortsedijk, binnen het plandeel met de bestemming "Wonen", is onderzoek verricht door het onderzoeksbureau DGMR, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport van 2 juni 2015 (hierna: het milieuaspectenonderzoek). Dit rapport is als bijlage bij het plan gevoegd.

8.3. De Afdeling zal de verschillende beroepsgronden van De Smidse ten aanzien van het aspect geluid hierna bespreken. Daarbij komen eerst de betogen ten aanzien van De Smidse zelf aan de orde, daarna de betogen over andere geluidbronnen en tot slot de betogen over de gecumuleerde geluidbelasting.

Bedrijfsvoering van De Smidse

9. De Smidse voert aan dat het onderzoek naar de akoestische aspecten van haar bedrijf ondeugdelijk is, omdat de raad ten onrechte is uitgegaan van toekomstige maatwerkvoorschriften, als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) voor haar bedrijf. Deze zijn echter niet haalbaar en ze zijn onaanvaardbaar. Daarbij wijst zij onder meer op de beperkingen voor het gescheiden laden en lossen van RVS/aluminium enerzijds en staal anderzijds en de via extra maatwerkvoorschriften op te leggen geluidgrenswaarden. De Smidse heeft op dit punt twee rapporten van het onderzoeksbureau Peutz overgelegd, waaruit de beperkingen voor haar bedrijfsvoering blijken. De raad had bij de vaststelling van het plan uit moeten gaan van haar bedrijfsactiviteiten, zoals die zijn toegestaan op grond van de geldende maatwerkvoorschriften van 3 maart 2014. De raad stelt ten onrechte dat het plan niet leidt tot een beperking van haar bedrijfsactiviteiten.

9.2. De raad stelt dat De Smidse volgens het milieuaspectenonderzoek in de representatieve bedrijfssituatie, ook in de avond- en nachtperiode, werkzaam kan zijn en haar bedrijfsactiviteiten kan uitvoeren. De voorgenomen maatwerkvoorschriften leiden derhalve niet tot een beperking van de representatieve bedrijfssituatie. De raad heeft in redelijkheid van deze maatwerkvoorschriften uit kunnen gaan. Met de maatwerkvoorschriften is voorts een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de nieuwe woningen gewaarborgd, aldus de raad.

9.3. Op het bedrijf van De Smidse is het Activiteitenbesluit van toepassing.

Artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit luidt: "Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAR,LT) en het maximaal geluidsniveau (LAmax), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, geldt dat: a. de niveaus op de in tabel 2.17a genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden.

b. de in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur in tabel 2.17a opgenomen maximale geluidsniveaus LAmax niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten."

Artikel 2.20 luidt: "In afwijking van de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 dan wel 6.12, kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift andere waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau LAmax vaststellen.

Artikel 2.20, tweede lid, luidt: "Het bevoegd gezag kan slechts hogere waarden vaststellen dan de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 dan wel 6.12, indien binnen geluidsgevoelige ruimten dan wel verblijfsruimten van gevoelige gebouwen, die zijn gelegen binnen de akoestische invloedssfeer van de inrichting, een etmaalwaarde van maximaal 35 dB(A) wordt gewaarborgd."

9.4. In het milieuaspectenonderzoek staat dat voor de bedrijfsvoering van De Smidse niet is uitgegaan van de huidige maatwerkvoorschriften die door het college van burgemeester en wethouders op 3 maart 2014 zijn vastgesteld, maar van maatwerkvoorschriften die het bevoegd gezag voornemens is vast te stellen. Niet is in geschil dat deze maatwerkvoorschriften nodig zijn, opdat in het licht van de voorziene woningen het bedrijf van De Smidse niet in strijd met het Activiteitenbesluit wordt geëxploiteerd. Volgens het milieuaspectenonderzoek kan De Smidse met die voorgenomen maatwerkvoorschriften haar representatieve bedrijfsactiviteiten uitvoeren.

9.5. De raad heeft de nadere notitie van het onderzoeksbureau DGMR van 15 december 2015, met de titel "Nadere analyse geluidssituatie De Smidse" overgelegd. De Smidse heeft rapporten overgelegd van Peutz van 1 september 2015 en 7 januari 2016.

9.6. Uit het akoestisch rapport van onderzoeksbureau Peutz van 11 december 2013 ten behoeve van de maatwerkvoorschriften van 3 maart 2014 volgt dat in de representatieve bedrijfssituatie, na het vaststellen van de maatwerkvoorschriften in 2014, sprake is van werktijden van 24 uur per dag. Met betrekking tot de representatieve bedrijfssituatie is onder meer opgenomen dat onder zomerse omstandigheden en ten behoeve van het laden en lossen de overheaddeuren aan de voorste en achterste hal gedurende 4 uur in de dagperiode geopend zijn (niet gewijzigd ten opzichte van de huidige situatie). In de avondperiode kan de overheaddeur van de achterste hal gedurende 0,5 uur geopend zijn. Onregelmatig, echter vaker dan 12 keer per jaar, kan de inrichting aan de voorzijde in de avond- of nachtperiode bezocht worden door een vrachtwagen. In dat geval kan in deze perioden gedurende 10 minuten een LPG-heftruck gebruikt worden op het buitenterrein. Gedurende de activiteiten met de heftruck kan de overheaddeur aan de voorzijde geopend zijn.

9.7. De voorgenomen maatwerkvoorschriften bestaan blijkens het milieuaspectenonderzoek uit het volgende. De (grootschalige) laad- en losactiviteiten van De Smidse met vrachtwagens en heftrucks dienen in de avond- en nachtperiode aan de achterzijde van het pand plaats te vinden, in combinatie met beperkingen aan het openstellen van de linker overheaddeur aan de voorzijde van de bedrijfsbebouwing. Incidenteel, met een maximum van 12 maal per jaar, kan sprake zijn van een situatie waarbij laden en lossen aan de voorzijde wel buiten de dagperiode is toegestaan. Verder dienen de overheaddeuren aan die zijde, behoudens het doorlaten van personen en/of goederen, gesloten te worden gehouden. Ook worden nieuwe geluidgrenswaarden voorgeschreven, zowel voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als de maximale geluidsniveaus. De reparatiewerkzaamheden in de bedrijfshallen veroorzaken volgens het milieuaspectenonderzoek geen maatgevende geluidniveaus in de omgeving en ter plaatse van de voorziene woningbouw. Ook betekent het niet dat laden en lossen met behulp van personenwagens en een bestelbus aan de voorzijde is uitgesloten in de avond- en nachtperiode.

9.8. Voor zover De Smidse heeft betoogd dat de huidige maatwerkvoorschriften ruimte bieden voor uitbreiding binnen de daarin opgenomen geluidgrenswaarden, heeft de raad met die uitbreidingsruimte naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid geen rekening hoeven houden, waarbij relevant is dat niet is gebleken van concrete plannen van De Smidse daartoe. Voor zover De Smidse heeft betoogd dat het plan ten onrechte de mogelijke uitbreidingsruimte van De Smidse beperkt, faalt het betoog derhalve.

9.9. Voor de representatieve bedrijfssituatie is de raad uitgegaan van het akoestisch rapport van onderzoeksbureau Peutz van 11 december 2013 ten behoeve van de huidige maatwerkvoorschriften. Niet is gebleken dat die situatie niet overeenkomt met de huidige bedrijfssituatie. Dat geldt ook voor de bedrijfsactiviteiten op het buitenterrein, waarvoor in het genoemde rapport van Peutz rekening is gehouden met 0,5 uur (de)montage werkzaamheden (voornamelijk los- en aandraaien van bouten, beperkt hameren) en 15 minuten slijpwerkzaamheden. De raad heeft daarbij blijkens de planstukken als uitgangspunt gehanteerd dat de voorgenomen toekomstige maatwerkvoorschriften de bestaande, legale bedrijfssituatie niet beperken. Dit uitgangspunt acht de Afdeling niet onredelijk.

De Afdeling overweegt dat de raad zich op basis van de ten tijde van de vaststelling van het plan beschikbare stukken niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de maatwerkvoorschriften, die naar haar oordeel moeten worden opgesteld ten behoeve van het plan, niet zullen leiden tot een beperking van de representatieve als zodanig ook bestemde, bedrijfsactiviteiten van De Smidse. Ook is naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende onderbouwd dat met die voorgenomen maatwerkvoorschriften ter plaatse van de voorziene woningen aan het Activiteitenbesluit zal kunnen worden voldaan. De Afdeling acht hierbij het volgende van belang. Gelet op de door De Smidse overgelegde situatietekening in haar aanvullend beroepschrift is naar het oordeel van de Afdeling aannemelijk gemaakt dat als gevolg van het voorgenomen maatwerkvoorschrift met betrekking tot het laden en lossen aan de voorzijde - ter plaatse van de Westervoortsedijk - in de avond- en nachtperiode, gedurende die periode staal niet meer direct in en vanuit de daarvoor bestemde bedrijfshal kan worden geladen en gelost, terwijl dit thans wel gebeurt. De Smidse heeft het belang hiervan voor haar bedrijfsactiviteiten aannemelijk gemaakt, gelet op de noodzaak van het voorkomen van zogenoemde besmetting van roestvrijstaal met ander staal. Voor zover de raad heeft gesteld dat de door De Smidse naar voren gebrachte regelgeving alleen ziet op gescheiden behandelen en deze gescheiden laden en lossen niet voorschrijft, overweegt de Afdeling dat - wat daar ook van zij - niet is gebleken dat de raad heeft onderzocht wat in het geval van laden en lossen via dezelfde zijde aan maatregelen moet worden getroffen, om de genoemde besmetting te voorkomen, zoals het verpakken van de producten in plastic. Voorts heeft de raad onvoldoende onderzocht welke gevolgen het voorgenomen maatwerkvoorschrift heeft inhoudende dat de overheaddeuren aan de voorzijde gedurende de dagperiode - in plaats van 4 uur open - in principe gesloten moeten zijn behoudens het direct doorlaten van personen en/of goederen. Dat de deuren volgens het maatwerkvoorschrift niet meer mogen worden gebruikt voor ventilatie is een onvoldoende onderbouwing voor deze beperking, nu onduidelijk is welk deel van de tijd de deuren in de representatieve bedrijfssituatie voor dat doel geopend zijn. Voor zover de raad in zoverre voorts is uitgegaan van het voorzien in een ventilatievoorziening, is niet gebleken dat met de gevolgen hiervan, voor de bedrijfsvoering van De Smidse alsmede voor de geluidbelasting vanwege De Smidse, rekening is gehouden. De voorgenomen geluidgrenswaarden voor de maximale niveaus van 70, 65 en 64 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode, acht de Afdeling voorts onvoldoende onderbouwd. Daarbij is van belang dat de overheaddeuren gedurende de dagperiode, behalve voor laden en lossen, ook geopend kunnen zijn voor het doorlaten van personen en in dat geval onduidelijk is op welke wijze aan het maximale geluidsniveau kan worden voldaan, nu het geopend zijn van deze deur volgens de nadere analyse van DGMR een bijdrage levert van 76 dB(A) in de dag- en avondperiode. Ook betrekt de Afdeling daarbij dat blijkens het milieuaspectenonderzoek in de avondperiode het laden en lossen met kleine bestelbussen mogelijk wordt geacht, zodat hiervoor de overheaddeuren geopend kunnen zijn. Voor zover de raad ter zitting heeft gesteld dat, mocht blijken dat de maximale geluidsniveaus niet kunnen worden gehaald, hiervoor afwijkende grenswaarden kunnen worden opgenomen in vast te stellen maatwerkvoorschriften, leidt dit niet tot een ander oordeel, nu in zoverre onduidelijk is wat daarvan de gevolgen zullen zijn voor de geluidbelasting bij de voorziene woningen.

9.10. De Afdeling heeft eerder overwogen (uitspraak van 3 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3269) dat maatwerkvoorschriften in beginsel niet al vóór de vaststelling van een bestemmingsplan hoeven te zijn vastgesteld, als de raad er op voorhand in redelijkheid van kon uitgaan dat maatwerkvoorschriften stand zullen houden in een beroepsprocedure. In een geval als het onderhavige waarin de op te leggen maatwerkvoorschriften ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor het bedrijf waaraan de maatwerkvoorschriften worden opgelegd ligt het echter niet in de rede van het in stand houden van de voorgenomen maatwerkvoorschriften uit te gaan zonder dat voldoende inzicht bestaat in de gevolgen van de voorgenomen maatwerkvoorschriften voor het desbetreffende bedrijf en het betreffende onderzoek door te schuiven tot na de vaststelling van het plan.

Nu gelet op het overwogene in 9.9. het inzicht ontbreekt in de mate waarin de maatwerkvoorschriften de bedrijfsactiviteiten van De Smidse zouden kunnen beperken en ook onvoldoende is onderbouwd dat met die voorgenomen maatwerkvoorschriften ter plaatse van de voorziene woningen aan het Activiteitenbesluit zal kunnen worden voldaan is het plandeel met de bestemming "Wonen" in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en berust niet op een ingevolge artikel 3:46 van de Awb vereiste deugdelijke motivering. Het betoog slaagt.

Andere geluidbronnen in het kader van cumulatie

10. De Smidse voert aan dat de gecumuleerde geluidbelasting bij de voorziene woningen is onderschat, omdat niet alle geluidbronnen bij het akoestisch onderzoek zijn betrokken. Zij wijst op de aangemeerde binnenvaartschepen aan de Westervoortsedijk, de bedrijven in de zogenoemde oksel van de Westervoortsedijk en de Van Oldebarneveldtstraat en de bedrijven die binnen de bestemming "Wonen" zijn toegestaan.

10.2. De gecumuleerde geluidbelasting ter plaatse van de woningen is onderzocht in het kader van het milieuaspectenonderzoek en in hoofdstuk 8 van dat rapport beschreven.

10.3. In het milieuaspectenonderzoek is geen rekening gehouden met de geluidbelasting van aangemeerde binnenvaartschepen. Volgens de reactie van DGMR van 14 december 2015, overgelegd door de raad, hebben deze binnenvaartschepen geen relevante geluidsinvloed ter plekke van het plangebied, omdat de etmaalwaarde maximaal 42 dB(A) is. Dit volgt volgens DGMR uit het akoestisch onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Akoestisch onderzoek wegverkeer en aangemeerde binnenvaartschepen" van 13 december 2013 naar aanleiding van het stedenbouwkundig plan "Oostelijk centrumgebied". Dit akoestisch onderzoek is als bijlage 3 bij de plantoelichting gevoegd. In dit onderzoek is de geluidbelasting vanwege aangemeerde binnenvaartschepen voor een groter gebied onderzocht. De Afdeling stelt vast dat de voorziene woningen tegenover De Smidse overeenkomen met toetspunt 18 en 19 in het akoestisch onderzoek naar de schepen. Uit bijlage 2 bij het voornoemde akoestisch onderzoek volgt dat de etmaalwaarde als gevolg van de aangemeerde binnenvaartschepen bij die toetspunten maximaal, afgerond, 42 dB(A) bedraagt. Voor zover De Smidse heeft gesteld dat in het rapport staat dat de geluidbelasting vanwege aggregaten van de aangemeerde binnenvaartschepen maximaal 54 dB(A) bedraagt, gaat het niet om toetspunten ter plaatse van de voorziene woningbouw. Gelet op de etmaalwaarde van 42 dB(A) in verhouding tot de geluidbelasting bij de voorziene woningen vanwege wegverkeer, die ter plaatse maximaal 61 dB(A) bedraagt, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aangemeerde binnenvaartschepen geen relevante bijdrage leveren aan de gecumuleerde geluidbelasting bij de voorziene woningen. Nu het betrekken hiervan derhalve geen relevante invloed zal hebben op de gecumuleerde geluidbelasting, heeft de raad dat in redelijkheid achterwege kunnen laten. Het betoog faalt.

10.4. Wat betreft het betoog dat de bedrijven in de oksel van de Westervoortsedijk en Van Oldenbarneveldtstraat ten onrechte niet zijn betrokken bij het akoestisch onderzoek, overweegt de Afdeling dat in paragraaf 5.1 van het milieuaspectenonderzoek de uitgangspunten van het akoestisch onderzoek zijn weergegeven. Daar staat dat voor de bedrijven ten zuiden van de Westervoortsedijk deels gebruik is gemaakt van rekenmodellen, aangeleverd door de Omgevingsdienst Regio Arnhem, en dat voor de resterende bedrijven een inschatting is gemaakt. Voor lege kavels is uitgegaan van een kavelreservering behorende bij categorie 2 bedrijven, voor het bedrijf Dusseldorp is uitgegaan van 50 dB(A) op 50 m en voor het bedrijf MWH van 45 dB(A) op 30 m. De Afdeling stelt vast dat de bedrijven Dusseldorp en MWH zijn gevestigd op de gronden tussen de Westervoortsedijk en de Van Oldebarneveldtstraat en dat daar verder braakliggende gronden liggen. Deze gronden hebben in het plan de bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduiding "bedrijven tot en met categorie 2" gekregen. De Afdeling ziet gelet daarop geen aanleiding om te twijfelen aan de stelling van DGMR in de nadere reactie dat de aldaar gevestigde bedrijven, hoewel niet gelegen ten zuiden van de Westervoortsedijk, zijn betrokken bij het akoestisch onderzoek. DGMR heeft ter ondersteuning van deze stelling een print overgelegd van het rekenmodel voor het akoestisch onderzoek, waarop te zien is dat ter plaatse van de zogenoemde oksel emissiepunten zijn opgenomen. De Smidse heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gehanteerde uitgangspunten voor deze bedrijven onjuist zijn en dat de raad in zoverre niet van de berekende gecumuleerde geluidbelasting uit heeft mogen gaan. Het betoog faalt.

10.5. Wat betreft het betoog dat de binnen de bestemming "Wonen" toegestane bedrijfsactiviteiten ten onrechte niet zijn betrokken, overweegt de Afdeling als volgt.

Gelet op artikel 7, lid 7.1, van de planregels zijn binnen de bestemming "Wonen", naast wonen, maatschappelijke functies in de vorm van kinderdagverblijven en gebouwde en ongebouwde parkeervoorzieningen toegestaan. Daarnaast zijn ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van centrum - 1" de functies gezondheids- en welzijnszorg, dienstverlenende bedrijven en kleinschalige bedrijvigheid op de begane grondverdieping toegestaan. Kleinschalige bedrijvigheid is in het plan gedefinieerd als het verrichten van bedrijfsmatige activiteiten, met maximaal 6 werknemers op een bedrijfsvloeroppervlak van maximaal 250 m², met uitzondering van detailhandel en horeca, met een ruimtelijke uitstraling passend in een woongebied.

De aanduiding "specifieke vorm van centrum - 1" is toegekend aan een strook aan de zuid-, oost- en westkant van het plandeel met de bestemming "Wonen".

De Afdeling overweegt dat de raad zich, gelet op de in het plan opgenomen beperkingen, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de geluidbelasting van de mogelijk gemaakte bedrijven ter plaatse van de bestemming "Wonen" beperkt is. Gelet op de geluidbelasting die ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Wonen" vanwege wegverkeer, het industrieterrein, onderscheidenlijk de bestaande bedrijven in de directe omgeving plaatsvindt, is de raad er terecht van uit gegaan dat deze kleinschalige bedrijvigheid geen relevante bijdrage aan de gecumuleerde geluidbelasting zal leveren. Daarbij is ook van belang dat de raad er terecht vanuit is gegaan dat een eventueel verkeersaantrekkende werking van deze bedrijven, gelet op de hoge verkeersintensiteiten ter plaatse, geen wezenlijk verschil in geluidbelasting vanwege wegverkeer met zich zal brengen.

De Smidse heeft in dit verband meer specifiek gewezen op de mogelijkheid tot de bouw van een parkeergarage. Daarover heeft de raad ter zitting gesteld dat in artikel 7, lid 7.2, onder b, van de planregels is bepaald dat parkeervoorzieningen mogen worden gerealiseerd tot een maximale hoogte van 16,3 m boven N.A.P. en dat het maaiveld ter plaatse op een hoogte ligt van ongeveer 13,5 m boven N.A.P. Gelet daarop is een parkeergarage van slechts één bouwlaag mogelijk. Volgens de raad gaat het daarbij om parkeervoorzieningen ten behoeve van de toekomstige bewoners. Een parkeergarage in de kelder is volgens de raad bezwaarlijk te realiseren, nu er in verband met bodemverontreiniging van de voormalige gasfabriek een afschermingslaag aanwezig is, die ingevolge artikel 16.3 van de planregels in tact moet worden gelaten en waartoe de aanduiding "milieuzone - bodembeschermingsgebied 1" dient. De Afdeling overweegt dat de raad onder die omstandigheden in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat geen parkeergarage mogelijk is met een zodanige verkeersaantrekkende werking en geluidbelasting dat dit relevant is voor de gecumuleerde geluidbelasting ter plaatse van de woningen.

Het betoog faalt.

10.6. De door De Smidse naar voren gebrachte betogen over de geluidbronnen geven gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre niet in redelijkheid van de berekende gecumuleerde geluidbelasting uit heeft kunnen gaan.

Beoordeling gecumuleerde geluidbelasting

11. De Smidse voert aan dat de cumulatieve geluidbelasting ter plaatse van de woningen onaanvaardbaar hoog is en in strijd met een goede ruimtelijke ordening. De gecumuleerde geluidbelasting tegenover haar bedrijf is in strijd met de plafondwaarden, zoals opgenomen in het gemeentelijke beleidsplan Geluid. Onder meer op de toetspunten 110 en 111 is de gecumuleerde geluidbelasting vanwege bedrijven 56 en 59 dB(A), bij een plafondwaarde van 55 dB(A) in het beleidsplan Geluid. Uit paragraaf 4.3 van het beleidsplan Geluid volgt dat voor de plafondwaarde de gecumuleerde geluidbelasting geldt. Hieraan gaat de raad ten onrechte voorbij. Voorts heeft de raad volgens De Smidse onvoldoende gemotiveerd waarom de waarde voor wegverkeer van 63 dB(A), die als uitzondering dient te gelden, is toegepast. In dat geval is volgens paragraaf 4.12 van het beleidsplan Geluid specifiek maatwerk nodig en verdergaande akoestische compensatie vereist. Voorts kan bij de woningen tegenover De Smidse in strijd met het gemeentelijke beleid niet worden voldaan aan de eis dat er minimaal één geluidsluwe zijde is. Ook kan geen geluidsluwe buitenruimte worden gerealiseerd.

De Smidse voert verder aan dat de gecumuleerde geluidbelasting de grenswaarden uit de Wgh overschrijdt. Ook indien de Wgh niet van toepassing is, kunnen voor de beoordeling van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat de waarden uit de Wgh worden gebruikt.

Gelet op de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening dient bij een geluidniveau van meer dan 60 dB(A) rekening te worden gehouden met 25% ernstig gehinderden. Het vaststellen van het plan is gelet daarop onwenselijk en onverantwoord, aldus De Smidse.

De gecumuleerde geluidbelasting is voorts in strijd met de waarden die zijn opgenomen in de VNG-brochure. Volgens De Smidse dient in eerste aanleg te worden uitgegaan van maximaal 45 dB(A) voor te ontwikkelen woningen, met een uitloop naar 50 dB(A) in gemengd gebied. Weliswaar wordt in dat kader gewezen op gemeentelijk beleid, maar pas als de te verwachten geluidbelasting voldoet aan de in dat gemeentelijk geluidbeleid vastgestelde grenswaarden.

11.1. De raad stelt dat ten behoeve van het plan onderzoek is gedaan naar de gecumuleerde geluidbelasting. Hiervoor bestaan in dit geval geen wettelijke kaders. De gecumuleerde geluidbelasting is berekend overeenkomstig hoofdstuk 2 van bijlage 1 van het Reken- en Meetvoorschrift 2012. De gecumuleerde geluidniveaus tussen de 56 en 66 dB(A) heeft de raad aanvaardbaar geacht, omdat sprake is van een sterk verstedelijkt gebied, het gecumuleerde geluidniveau nagenoeg gelijk is aan dat in andere stedelijke gebieden, het met name wordt bepaald door wegverkeersgeluid, de woningen zich bevinden in de geluidszone van een industrieterrein en er sprake is van een aanvaardbare binnenwaarde. Daarbij wijst de raad ook op de hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting die zijn vastgesteld op grond van de Wgh en waaraan voorwaarden zijn verbonden met betrekking tot geluidwering. De gecumuleerde geluidbelasting is voorts niet in strijd met het beleidsplan Geluid, aldus de raad.

11.2. De Afdeling overweegt dat nu gelet op het overwogene in 9.9. het inzicht ontbreekt in de mate waarin de maatwerkvoorschriften de bedrijfsactiviteiten van De Smidse zouden kunnen beperken en ook onvoldoende is onderbouwd dat met die voorgenomen maatwerkvoorschriften ter plaatse van de voorziene woningen aan het Activiteitenbesluit zal kunnen worden, de berekening van de gecumuleerde geluidbelasting - waarbij van die voorgenomen maatwerkvoorschriften is uitgegaan - eveneens onzorgvuldig en niet deugdelijk gemotiveerd tot stand is gekomen. In het kader van het zoveel mogelijk bijdragen aan finale geschilbeslechting ziet de Afdeling evenwel aanleiding de betogen van De Smidse over de gecumuleerde geluidbelasting en het gemeentelijk beleid wel te behandelen, waarbij de Afdeling voor De Smidse uit zal gaan van de in het milieuaspectenonderzoek berekende geluidbelasting en waarbij de Afdeling overigens aantekent dat de cumulatieve geluidsbelasting in het kader van een nieuw plan zonodig opnieuw zal moeten worden bezien.

11.3. Artikel 110f van de Wet geluidhinder voorziet in de verplichting dat degene, die bij of krachtens de Wet geluidhinder verplicht is tot het verrichten van een akoestisch onderzoek, ter plaatse van woningen, tevens onderzoek verricht naar de effecten van de samenloop van de verschillende geluidsbronnen. Aangegeven dient te worden op welke wijze met de samenloop rekening is gehouden bij de te treffen maatregelen.

De Wet geluidhinder bevat evenwel geen normen voor de gecumuleerde geluidbelasting bij woningen.

De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de gecumuleerde geluidbelasting in strijd is met de Wgh.

Voor zover De Smidse heeft gesteld dat een hogere geluidbelasting ter plaatse van de voorziene woningen optreedt dan 55 dB(A) als gevolg van het industrieterrein, is van belang dat uit het milieuaspectenonderzoek volgt dat de betreffende zijden van de woningen zullen worden voorzien van dove gevels of vliesgevels./ Voor locaties waar de geluidbelasting tussen de 50 dB(A) en 55 dB(A) vanwege het gezoneerde industrieterrein is, is voorts een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting op grond van de Wgh vastgesteld. Dat de raad bij de beoordeling van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het kader van een goede ruimtelijke ordening kan aansluiten bij de grenswaarden uit de Wgh, brengt voorts niet met zich dat de raad is gehouden daaraan te toetsen. De raad heeft in dit geval voor de beoordeling aangesloten bij gemeentelijk geluidsbeleid. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Het betoog faalt.

11.4. Voor zover De Smidse wijst op de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening 1998 (hierna: de Handreiking), overweegt de Afdeling dat de Handreiking geen bindende grenswaarden bevat. Voorts heeft deze Handreiking primair tot doel overheden een hulpmiddel te bieden bij het voorkomen en beperken van hinder door industrielawaai in het kader van de vergunningverlening en (in sommige gevallen) het stellen van nadere eisen. De raad heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor wat betreft het aspect van cumulatieve geluidbelasting de Handreiking niet betrokken hoefde te worden bij de voorbereiding van het bestreden besluit. Dat uit de Handreiking volgt dat bij een geluidbelasting van meer dan 60 dB(A) dient te worden uitgegaan van 25% gehinderden, is op zichzelf voorts onvoldoende voor het oordeel dat geen sprake meer kan zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het betoog faalt.

11.5. Met betrekking tot de VNG-brochure, heeft de raad gesteld dat deze geen waarden bevat die van toepassing zijn op gecumuleerde geluidbelasting en dat hij de VNG-brochure in zoverre niet heeft toegepast. De Afdeling acht dit niet onjuist. Daarbij is van belang dat de VNG-brochure gemotiveerd moet worden toegepast. De raad heeft voor de beoordeling van het gecumuleerde geluidniveau aansluiting gezocht bij het gemeentelijk geluidsbeleid. Het betoog faalt.

11.6. De Afdeling overweegt dat de raad in het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te beoordelen of ter plaatse van de voorziene woningen in het plan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig zal zijn. Daarbij dient de raad ook de gecumuleerde geluidbelasting die ter plaatse van de woningen kan optreden, te betrekken. De raad heeft bij die beoordeling in het licht van een goede ruimtelijke ordening beleidsruimte. In het milieuaspectenonderzoek staat dat voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de gecumuleerde geluidbelasting aansluiting is gezocht bij het geluidsbeleid van de gemeente Arnhem. De Afdeling ziet derhalve aanleiding te beoordelen of de raad de berekende gecumuleerde geluidbelasting in redelijkheid in overeenstemming met het beleidsplan Geluid en met een goede ruimtelijke ordening heeft kunnen achten.

11.7. In het milieuaspectenonderzoek is de gecumuleerde geluidbelasting ter plaatse van de voorziene woningen onderzocht en zijn de resultaten daarvan neergelegd in hoofdstuk 8. Per zijde van het voorziene woonblok is de gecumuleerde geluidbelasting bezien. Daarbij zijn de geluidbelasting vanwege het wegverkeer, de geluidbelasting vanwege het industrieterrein en de geluidbelasting van de daarbuiten gelegen bedrijven betrokken. De totale gecumuleerde geluidbelasting ligt tussen de 56 en 66 dB(A) op de desbetreffende gevels.

Uit het milieuaspectenonderzoek volgt dat voor een aantal van de voorziene woningen vanwege wegverkeer en vanwege het industrieterrein op grond van de Wgh hogere waarden dienen te worden vastgesteld. De situering daarvan is weergegeven in bijlage 7 en 8 bij het milieuaspectenonderzoek. Met betrekking tot het industrieterrein is verder volgens het milieuaspectenonderzoek op een aantal locaties sprake van een overschrijding van de maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A). Daar waar daarvan sprake is dienen maatregelen bij de voorziene woningen te worden genomen door het realiseren van dove gevels of vliesgevels. De betreffende geveldelen zijn in paragraaf 5.5 van het milieuaspectenonderzoek weergegeven. Verder staat er dat als op de betreffende locaties geen verblijfsruimten zijn geprojecteerd, deze maatregelen niet noodzakelijk zijn. Wanneer gekozen wordt voor een vliesgevel of dove gevel dienen de betreffende maatregelen volgens het milieuaspectenonderzoek te worden verankerd in het plan.

11.8. Ten aanzien van het betoog van De Smidse dat als gevolg van de vele dove gevels en andere bouwkundige voorzieningen, die nodig zijn voor het terugbrengen van de geluidbelasting op de gevels en in de woningen, geen bewoning mogelijk is die in overeenstemming kan worden geacht met een goede ruimtelijke ordening, overweegt de Afdeling dat uit het milieuaspectenonderzoek volgt dat op een aantal locaties zowel de voor- als achterzijde van de voorziene woningen een bouwkundige voorziening dienen te krijgen. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat voor zover sprake is van meerdere gevels waar voorzieningen nodig zijn, aan de achterzijde kan worden gekozen voor een zogenoemde vliesgevel aan een balustrade of balkon, zodat aan die zijde een geluidsluwe buitenruimte ontstaat. Voorbeelden van dergelijke voorzieningen heeft de raad met zijn verweerschrift overgelegd. De Smidse heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze voorzieningen niet mogelijk zijn. Gelet daarop is niet aannemelijk dat geen invulling van het plandeel met de bestemming "Wonen" mogelijk is waarbij de woningen met een geluidsluwe zijde kunnen worden gerealiseerd. Daarbij betrekt de Afdeling ook dat delen van een woongebouw gebruikt kunnen worden voor ruimten die niet geluidgevoelig zijn, zoals trappenhuizen. Nu derhalve niet aannemelijk is gemaakt dat woningen worden mogelijk gemaakt die geen geluidsluwe zijde meer kunnen hebben, bestaat evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd is met het beleidsplan Geluid, waarin dit als uitgangspunt is opgenomen.

De Afdeling ziet voorts evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad een gecumuleerde geluidbelasting van maximaal 66 dB(A) in dit geval niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening heeft kunnen achten. De raad heeft in dit kader beleidsruimte en heeft derhalve rekening mogen houden met de stedelijke omgeving van het plangebied en de omstandigheid dat sprake is van een gebied in transformatie. Voorts heeft de raad erop gewezen dat bij alle woningen waarvoor een hogere waarde is vastgesteld minimaal 1 geluidsluwe buitenruimte wordt gecreëerd. Tevens heeft de raad van belang kunnen achten dat voor woningen waarvoor een hogere waarde op grond van de Wgh is vastgesteld op grond van artikel 3.3 van het Bouwbesluit 2012 eisen worden gesteld aan de geluidwerendheid van de gevel in verband met de binnenwaarde in de desbetreffende woningen. Voorts heeft de raad onder verwijzing naar de notitie "Cumulatie van Geluid" van DGMR van 14 december 2015, er tevens op gewezen dat het resulterende binnenniveau in de relevante geluidgevoelige ruimten in de woningen in het voorziene woongebouw tegenover De Smidse waar sprake is van de hoogste gecumuleerde gevelbelasting, niet meer zal bedragen dan 33 tot 35 dB(A).

Ook zijn door middel van voorwaardelijke verplichtingen geluidwerende voorzieningen in het plan gewaarborgd. Het betoog faalt.

11.9. De Afdeling overweegt dat in het beleidsplan Geluid een indeling naar gebiedstype is opgenomen. Bij elk gebiedstype horen indicatieve milieukwaliteiten. Deze zijn onderverdeeld in een ambitiewaarde, een incidentele waarde en een plafondwaarde voor onderscheidenlijk weg- en railverkeerslawaai en industrielawaai. De waarden lopen in een stedelijke zone/knooppunt van -1 tot -4 en corresponderen met daarbij behorende geluidwaarden in dB(A).

Niet is in geschil dat het plangebied ter plaatse van de voorziene woningen conform het structuurplan in het gebiedstype "stedelijke zone" valt. Daarvoor is in het beleidsplan Geluid voor wegverkeerslawaai een plafondwaarde van -4, zeer lawaaiig, opgenomen. De bijbehorende geluidsklasse betreft meer dan 63 dB Lden. Vanwege bedrijven geldt een plafondwaarde van -1, onrustig. De bijbehorende geluidsklasse is 50 - 55 dB(A) etmaalwaarde.

11.10. De Afdeling overweegt over het beleidsplan Geluid dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het beleidsplan Geluid geen waarden bevat voor een gecumuleerde geluidbelasting van zowel wegverkeersgeluid als industriegeluid. Daarbij is van belang dat de in het beleidsplan Geluid opgenomen waarden voor onderscheidenlijk weg- en railverkeerslawaai en industrielawaai, nu daarvoor verschillende ambitie-, incidentele en plafondwaarden gelden, niet zonder meer worden toegepast op een gecumuleerde geluidbelasting van deze verschillende geluidbronnen. In het beleidsplan Geluid staat in paragraaf 2.6 dat het beleidsuitgangspunt is dat voor zover door cumulatie een hogere geluidbelasting optreedt, bij het ontwerp van de gevelisolatie daarmee rekening wordt gehouden. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gecumuleerde geluidbelasting vanwege alle relevante bronnen ter plaatse van de voorziene woningen niet in strijd is met het beleidsplan Geluid. Daarbij is van belang dat de raad heeft gesteld dat de totale gecumuleerde geluidbelasting in belangrijke mate wordt veroorzaakt door het wegverkeer, dat in zoverre hogere waarden zijn vastgesteld, en op grond van de Wgh gevelisolatie zal worden toegepast.

11.11. Evenwel volgt naar het oordeel van de Afdeling uit de toelichting op de plafondwaarden in het beleidsplan Geluid dat voor de opgenomen waarden per geluidsbron, onderscheidenlijk weg- en railverkeerslawaai en industrielawaai, dient te worden uitgegaan van het cumulatieve geluidsniveau. De stelling van de raad dat in het beleidsplan Geluid niet van gecumuleerde waarden per soort geluidsbron moet worden uitgegaan en dat het beleidsplan Geluid enkel ziet op het vaststellen van hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting en derhalve op de geluidbelasting vanwege een individuele bron, volgt de Afdeling niet. Daarbij is van belang dat in de inleiding van het beleidsplan Geluid staat dat uit de Wgh, de Wet milieubeheer, de WRO (oud), de Woningwet en de APV gemeentelijke taken volgen die tot doel hebben geluidhinder te voorkomen. Bij de uitvoering van deze taken moet volgens de inleiding vaak een belangenafweging worden gemaakt en de nota biedt het kader voor deze belangenafweging: welk geluidniveau vinden wij waar en wanneer nog acceptabel.

De Afdeling stelt voorts vast dat uit hoofdstuk 8 van het milieuaspectenonderzoek volgt dat op een aantal rekenpunten ter plaatse van de voorziene woningen een geluidbelasting is berekend van meer dan 55 dB(A) als gevolg van het industrieterrein en de individuele bedrijven gecumuleerd. Dit is derhalve hoger dan de plafondwaarde die in het beleidsplan Geluid voor deze geluidsbron is opgenomen voor het toepasselijke gebiedstype.

Voor zover de raad heeft gewezen op de ten behoeve van het plan vastgestelde hogere waarden, dan wel de in het plan gewaarborgde dove gevels of vliesgevels, overweegt de Afdeling dat de raad daarmee in redelijkheid rekening heeft kunnen houden, nu in het beleidsplan Geluid als beleidsuitgangspunt is opgenomen dat bij geluidniveaus boven de plafondwaarde dove gevels kunnen worden toegepast.

Uit figuur 10 in het milieuaspectenonderzoek volgt in zoverre dat op toetspunt 110 op een hoogte van 16,5 m, gelijk aan de zesde bouwlaag, een dove gevel, dan wel vliesgevel zal worden gerealiseerd, omdat ter plaatse een geluidbelasting is berekend van meer dan 55 dB(A) vanwege het industrieterrein. Voor zover ter plaatse een geluidbelasting van meer dan 55 dB(A) is berekend als gevolg van het gecumuleerde industrie- en bedrijvenlawaai, is dit derhalve niet in strijd met het beleidsplan Geluid.

Evenwel heeft de raad in het milieuaspectenonderzoek, noch in andere overgelegde rapporten en stukken inzichtelijk gemaakt dat op alle locaties voor de voorziene woningen waar een hogere geluidbelasting dan de plafondwaarde is berekend door middel van het treffen van een bouwkundige voorziening alsnog sprake kan zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Voorts is niet op alle punten waar de geluidbelasting vanwege industrie en bedrijven meer dan 55 dB(A) bedraagt, de geluidbelasting vanwege wegverkeer meer dan 10 dB(A) hoger en derhalve volgens de raad bepalend.

Gelet op het voorgaande heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende gemotiveerd waarom ter plaatse, ondanks de hoge geluidbelasting vanwege het industrieterrein en bedrijven en in afwijking van het gemeentelijk beleid, nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, zoals de raad dat voor ogen heeft.

Het betoog slaagt.

Voorwaardelijke verplichting

12. De Smidse voert aan dat de voorwaardelijke verplichtingen ten aanzien van geluid onduidelijk zijn. Volgens De Smids is onduidelijk wat artikel 7, lid 7.2, onder d, van de planregels beoogt te regelen. De gecumuleerde geluidbelasting is ter plaatse van de woningen voorts zodanig dat de voorwaardelijke verplichting onuitvoerbaar is. Een normale gevel houdt maximaal 20 dB(A) tegen. Gelet daarop dienen aan de hele zijde dove gevels te worden opgericht, hetgeen niet meer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Voorts suggereert de aanduiding "geluidszone - individuele bedrijven" ten onrechte dat de binnenwaarde van 35 dB(A) uitsluitend geldt voor wat betreft de nabijgelegen individuele bedrijven en niet voor de gecumuleerde geluidbelasting.

12.1. Artikel 7, lid 7.2, onder d, van de planregels luidt: "Ter plaatse van de aanduiding "geluidzone - individuele bedrijven" mag, in afwijking van het bepaalde onder a. van dit lid, uitsluitend worden gebouwd, indien in de geluidgevoelige ruimtes dan wel verblijfsruimtes van de te bouwen woningen, kinderdagverblijven en/of gebouwen voor gezondheids- en welzijnszorgvoorzieningen een etmaalwaarde van maximaal 35 dB(A) wordt gewaarborgd."

12.2. De aanduiding "geluidzone - individuele bedrijven" is toegekend aan een strook grond ter plaatse van de bestemming "Wonen" aan de zijde van de Westervoortsedijk. De raad heeft ter zitting toegelicht dat deze bepaling geldt voor de gecumuleerde geluidbelasting. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat dit onjuist is, nu uit de bepaling in de planregels niet volgt dat deze waarde slechts geldt voor wat betreft enkele bedrijven of elk bedrijf individueel. De raad heeft voorts gesteld dat gevelmaatregelen mogelijk zijn die ertoe leiden dat aan deze binnenwaarde wordt voldaan. Het gaat daarbij niet enkel om dove gevels, maar ook om zogenoemde vliesgevels, waarbij een, vaak doorzichtige wand, voor een gevel wordt geplaatst. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat met dergelijke voorzieningen deze binnenwaarde niet gehaald kan worden. De raad heeft in redelijkheid in het bestemmingsplan nog niet de exacte maatregelen hoeven opnemen, nu niet de keuze voor de soort gevelwering op zichzelf relevant is, maar de voorwaarde dat dit zal leiden tot een maximale binnenwaarde van 35 dB(A). Het betoog faalt.

[appellante sub 2]

13. [ appellante sub 2] is gevestigd op gronden in het plangebied aan de [locatie 1] en exploiteert een recyclingbedrijf.

Gebiedsontwikkelingsplan

14. [ appellante sub 2] voert aan dat de raad ten onrechte geen gebiedsontwikkelingsplan op grond van de Chw heeft opgesteld, aangezien het plangebied is aangewezen als ontwikkelingsgebied, als bedoeld in die wet. Met een gebiedsontwikkelingsplan hadden aan [appellante sub 2] tijdelijk meer mogelijkheden kunnen worden geboden. De raad had dienen te motiveren hoe in de toekomst concreet een oplossing zou worden geboden voor de milieubelemmeringen in het gebied. De raad heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij deze mogelijkheid niet heeft benut.

14.1. De raad stelt dat na de aanwijzing van dit gebied als ontwikkelingsgebied op 25 oktober 2012 verschillende maatregelen zijn onderzocht om de milieubelemmeringen in het gebied op te lossen. Uiteindelijk is gebleken dat met toepassing van maatregelen aan de voorziene woningen de mogelijke hinder is terug te brengen tot de wettelijke toegestane hoogte en binnen de grenzen van de ruimtelijke aanvaardbaarheid. Gelet daarop is de toepassing van de mogelijkheden voor ontwikkelingsgebieden uit de Chw niet nodig volgens de raad.

14.2. Het plangebied is ingevolge artikel 2, eerste lid, onder q, van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet voor de duur van tien jaar aangewezen als ontwikkelingsgebied, als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de Chw.

Artikel 2.3, eerste lid, van de Chw luidt: "Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden die gelegen zijn binnen een aangewezen ontwikkelingsgebied als bedoeld in artikel 2.2, is gericht op de optimalisering van de milieugebruiksruimte met het oog op het versterken van een duurzame ruimtelijke en economische ontwikkeling van dat gebied in samenhang met het tot stand brengen van een goede milieukwaliteit."

Voorts bepaalt het tweede lid: "Tenzij bij algemene maatregel van bestuur anders is bepaald, bevat een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid:

a. de voorgenomen maatregelen, projecten en werken ten behoeve van de optimalisering van de milieugebruiksruimte binnen het ontwikkelingsgebied;

b. de noodzakelijke maatregelen, projecten en werken ter compensatie van het beslag op de milieugebruiksruimte door de in het bestemmingsplan voorziene ruimtelijke ontwikkelingen;

c. zo nodig een fasering en koppeling bij de tenuitvoerlegging van de in de onderdelen a en b bedoelde maatregelen, projecten en werken;

d. een raming van de kosten van uitvoering van het bestemmingsplan, een beschrijving van de wijze waarop daarin zal worden voorzien, alsmede een beschrijving van de wijze waarop het bereiken van de met het bestemmingsplan beoogde resultaten zal worden nagestreefd;

e. een overzicht van de tijdstippen waarop burgemeester en wethouders aan de gemeenteraad een rapportage uitbrengen over de voortgang en de uitvoering van de in de onderdelen a en b bedoelde maatregelen, projecten en werken, die op verzoek tevens wordt verstrekt aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu."

14.3. De Chw biedt in afdeling 1 van hoofdstuk 2 voor ontwikkelingsgebieden een aantal verruimde mogelijkheden in verband met de milieukwaliteit. Onder meer kunnen verdergaande milieueisen aan bedrijven worden gesteld, nieuwe vormen van compensatie worden ontwikkeld of tijdelijk afwijking van de geldende milieunormen worden toegestaan. Bij de wijziging van de Chw in verband met het permanent maken daarvan (Stb 2014, 333) is de figuur van het gebiedsontwikkelingsplan geschrapt en is deze ingebed in het bestemmingsplan.

14.4. De Afdeling overweegt dat uit het systeem van de Chw volgt dat de verplichtingen uit het tweede lid, van artikel 2.3 van de Chw zien op een bestemmingsplan, waarin gebruik wordt gemaakt van de verruimde mogelijkheden uit die afdeling van de Chw. In de memorie van toelichting bij de Wijziging van de Crisis- en herstelwet en diverse andere wetten in verband met het permanent maken van de Crisis- en herstelwet en het aanbrengen van enkele verbeteringen op het terrein van het omgevingsrecht (Kamerstukken II, 2011-2012, 33 135, nr. 3, p. 22-23) staat verder dat als blijkt dat voor de optimalisatie van de milieugebruiksruimte afwijking van milieukwaliteitsnormen nodig is of anderszins regels moeten worden gesteld en maatregelen of werken nodig zijn, in een nieuw bestemmingsplan […] daarvoor de onderbouwing moet worden gegeven (tweede lid).

Hieruit volgt dat de raad beleidsruimte heeft om al dan niet gebruik te maken van de verruimde mogelijkheden uit afdeling 1 van hoofdstuk 2 van de Chw. Nu de raad geen gebruik heeft gemaakt van de verruimde mogelijkheden die de Chw voor ontwikkelingsgebieden biedt, heeft hij zich terecht op het standpunt gesteld dat artikel 2.3, tweede lid, van de Chw niet op het plan van toepassing is.

Voor zover [appellante sub 2] aanvoert dat het niet toepassen van deze mogelijkheden door de raad onvoldoende is gemotiveerd, overweegt de Afdeling dat in paragraaf 4.2 van de plantoelichting is opgenomen waarom de raad hiervan geen gebruik heeft gemaakt. Volgens de raad kan in het plangebied met inachtneming van de milieuwet- en regelgeving de voorziene woningbouw worden gerealiseerd en is aldus geen verruiming van normen nodig.

Het betoog faalt.

Bedrijfsbestemming

Terugbrengen maximale categorie

15. [ appellante sub 2] voert aan dat door de maatbestemming met het terugbrengen van de maximale categorie bedrijfsactiviteiten op het perceel haar toekomstige bedrijfsactiviteiten en flexibiliteit onevenredig worden beperkt. De raad heeft dit onvoldoende gemotiveerd en onvoldoende rekening gehouden met de belangen van [appellante sub 2]. Daarbij wijst zij er op dat het perceel nog altijd deel uitmaakt van een gezoneerd industrieterrein, als bedoeld in de Wgh, bedoeld voor zware bedrijvigheid. Anders dan de raad stelt, vormen de voorziene woningen in het plan geen belemmering voor het toestaan van bedrijfsactiviteiten in categorie 4.1. Daarbij wijst zij op de richtafstanden uit de VNG-brochure, waaraan ruim kan worden voldaan. [appellante sub 2] voert verder aan dat de raad ten onrechte geen flexibiliteitsbepaling voor haar perceel heeft opgenomen ten behoeve van andere soorten bedrijvigheid, zolang dat niet leidt tot nadeliger gevolgen voor het milieu. De raad heeft volgens [appellante sub 2] niet gemotiveerd waarom dit verzoek uit haar zienswijze niet is overgenomen.

15.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het terugbrengen van de bedrijfscategorie nodig is voor de beoogde transformatie van het gebied naar een woon-werkgebied. Met het terugbrengen van de bedrijfsactiviteiten wordt eventuele milieuhinder beperkt en kan woningbouw worden gerealiseerd. Deze transformatie is in overeenstemming met reeds opgesteld beleid, onder meer in de Structuurvisie. Aan het bedrijf van [appellante sub 2] is een maatbestemming toegekend.

15.2. Het perceel van [appellante sub 2] heeft de bestemming "Bedrijventerrein" en onder meer de aanduidingen "bedrijf tot en met categorie 2" en "specifieke vorm van bedrijf - 1".

Ter plaatse van deze bestemming en aanduidingen zijn op grond van artikel 4, lid 4.1, onder a, sub 1, en onder b, van de planregels, bedrijven toegestaan die zijn genoemd in categorie 1 en 2 van de bij de planregels behorende bedrijvenlijst, alsmede een recyclingbedrijf.

In lid 4.5 is een afwijkingsbevoegdheid onder voorwaarden opgenomen ten behoeve van bedrijfsactiviteiten in een hogere categorie, zoals opgenomen in rechtsoverweging 6.2..

15.3. In het voorheen geldende plan waren op het perceel van [appellante sub 2] bedrijfsactiviteiten in categorie 3 toegestaan. Deze maximale categorie is in het voorliggende plan teruggebracht naar categorie 2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen kunnen in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

De Afdeling overweegt verder, onder verwijzing naar hetgeen is overwogen onder 6.5., dat de raad in redelijkheid heeft kunnen besluiten om met het oog op de transformatie van het voormalige gasfabrieksterrein van een braakliggend en verpauperd gebied naar een woon-werkgebied de categorieën van toegestane bedrijven in de omgeving te verlagen en voor de bestaande bedrijven een maatbestemming op te nemen. Dat gelet op de indicatieve richtafstanden uit de VNG-brochure een hogere categorie van bedrijfsactiviteiten mogelijk zou zijn, brengt niet reeds met zich dat de raad ook is gehouden deze als zodanig toe te staan. Daarbij is van belang dat bij de voorziene woningen niet alleen de milieubelasting vanwege het industrieterrein, maar ook vanwege de overige bedrijven in de omgeving optreedt. Het perceel van [appellante sub 2] ligt op het industrieterrein, als bedoeld in de Wgh. Die omstandigheid maakt echter niet dat de raad is gehouden een hogere categorie van bedrijfsactiviteiten toe te staan. De raad heeft een zonering van het industrieterrein gekozen, waarbij richting de buitenranden van het industrieterrein een lagere categorie van bedrijven is toegestaan. Dit acht de Afdeling niet onredelijk.

Ten aanzien van de afwijkingsbevoegdheid in artikel 4, lid 4.5, van de planregels overweegt de Afdeling dat de raad hiermee heeft beoogd flexibiliteit te bieden ten behoeve van een nieuw bedrijf of een uitbreiding van een bestaand bedrijf met een bedrijfsactiviteit in een hogere milieucategorie, indien dit niet leidt tot een hogere milieubelasting dan de milieubelasting uitgaande van de maximaal toegestane categorie. Voor zover [appellante sub 2] betoogt dat deze mogelijkheid zou dienen te bestaan ten behoeve van een nieuwe bedrijfsactiviteit met een milieubelasting die niet hoger is dan het als zodanig bestemde bedrijf, heeft de raad in redelijkheid die mogelijkheid niet hoeven opnemen. Daarbij is van belang dat een dergelijke regeling niet overeenstemt met de bedoeling van de raad om de milieubelasting te beperken door het terugbrengen van de milieucategorie, uitsluitend met uitzondering van het bestaande bedrijf. Het betoog faalt.

Definitiebepaling

16. [ appellante sub 2] voert aan dat de definitie van recyclingbedrijf in artikel 1, lid 1.53, van de planregels onnodig beperkend is, doordat de te verwerken producten limitatief zijn opgesomd. De opsomming sluit bovendien niet aan bij de op 21 september 2009 vergunde bedrijfsactiviteiten van [appellante sub 2]. Daarin zijn ook de overslag en bewerking van kunststoffen, glas, puin/steen(achtigen), gemengd bouwafval (bouw- en sloopafval), bedrijfsafval en groenafval toegestaan, alsmede de op- en overslag van asbest, bitumineuze dakbedekking, gipshoudend bouwafval, isolatiemateriaal en grond/zand. Daardoor is volgens [appellante sub 2] een deel van haar bedrijfsactiviteiten ten onrechte onder het overgangsrecht gebracht.

16.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de bestaande legale bedrijfsactiviteiten onder de definitiebepaling vallen en als zodanig zijn bestemd. De raad wijst er op dat blijkens de definitiebepaling een recyclingbedrijf een bedrijf is dat als belangrijkste activiteit het terugwinnen van grondstoffen uit afval heeft. Ook andere activiteiten, die op 21 september 2009 zijn vergund, zijn derhalve op grond van het plan toegestaan. De materialen sluiten aan bij de revisievergunning van 24 mei 2007. Op- en overslag van andere materialen, niet zijnde bewerken en verwerking, is eveneens toegestaan, aldus de raad.

16.2. Artikel 1, lid 1.53, van de planregels luidt: "Recyclingbedrijf: bedrijf dat als belangrijkste activiteit heeft het terugwinnen en opnieuw voor gebruik geschikt maken van grondstoffen uit afval. Onder afval wordt voor de werking van dit bestemmingsplan ferro en nonferrometalen, papier en karton, kabelrestanten en transformatoren, incourante accu's en hout."

16.3. De vergunde bedrijfsactiviteiten van [appellante sub 2] waren ten tijde van de vaststelling van het plan neergelegd in de revisievergunning van 24 mei 2007, een veranderingsvergunning van 12 november 2008, een melding verandering inrichting van 3 maart 2008 en een veranderingsvergunning van 21 september 2009. De betreffende besluiten zijn met toestemming van partijen na de eerste zitting door de raad overgelegd.

16.4. De revisievergunning van 24 mei 2007 is blijkens het besluit verleend voor:

- het inzamelen, transport, opslaan, overslaan, bewerken, knippen, sorteren en persen van ferro- en non-ferrometalen;

- het inzamelen, transport, opslaan, overslaan, versnipperen en persen van papier en karton, inclusief papieren archiefvernietiging;

- het opslaan, overslaan en bewerken van kabelrestanten en transformatoren;

- het inzamelen, transport, opslaan en overslaan van incourante accu's en hout;

- beperkte reparaties in de werkplaats;

- wasplaats en transportactiviteiten.

Bij brief van 3 maart 2008 heeft het college van gedeputeerde staten, naar aanleiding van een melding van [appellante sub 2], medegedeeld dat de voorgenomen verandering voldoet aan artikel 8.19, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet milieubeheer (oud), en niet leidt tot andere of grotere nadelige milieugevolgen. Deze verandering ziet blijkens de brief op het inzamelen, opslaan en bewerken van kunststof folie. Het betreft schoon kunststof folie (krimp- en stretchfolie) afkomstig van omverpakkingen van kartonnen dozen en pallets van dozen van bedrijven. De folie wordt tijdelijk in de papierloods opgeslagen en wordt na samenpersen tot kunststofbalen afgevoerd naar een tussenhandelaar en vandaar naar de kunststofverwerkende industrie. Het betreft een maximum opslag hoeveelheid van 10 ton met een jaardoorzet van 50 ton.

Bij besluit van 21 september 2009 heeft het college van gedeputeerde staten vergunning verleend voor het veranderen van de inrichting. Op grond van dit besluit heeft de vergunning uitsluitend betrekking op de volgende afvalstoffen: asbest; autowrakken; bitumineuze dakbedekking; bouw- en sloopafval (gemengd); ferro metalen; gipshoudend bouwafval; houtafval (A- en B-hout); C-hout; isolatiemateriaal; kabelrestanten inclusief garnituren en productafval; kunststoffen; loodaccu's (incourant); non ferrometalen; papier en karton; PCB-vrije transformatoren en condensatoren; stenen, beton, tegels en keramisch materiaal; vlakglas.

16.5. De Afdeling stelt vast dat de afvalstoffen die worden genoemd in de definitiebepaling in het plan overeenkomen met de afvalstoffen die zijn genoemd bij de in de revisievergunning van 24 mei 2007 vergunde bedrijfsactiviteiten. Evenwel zijn de bedrijfsactiviteiten blijkens de melding van 3 maart 2008 en de vergunning van 21 september 2009 nadien uitgebreid. Niet is in geschil dat die uitbreiding op grond van het vorige plan was toegestaan. De definitiebepaling in het plan is naar het oordeel van de Afdeling zo geformuleerd dat het terugwinnen en opnieuw voor gebruik geschikt maken van andere materialen dan de genoemde materialen niet is toegestaan in het plan als onderdeel van een recyclingbedrijf. Door de woorden "belangrijkste activiteit" in de definitiebepaling is niet uitgesloten dat andere, ondergeschikte, bedrijfsactiviteiten die niet zijn aan te merken als het terugwinnen en opnieuw voor gebruik geschikt maken van grondstoffen uit afval, zijn toegestaan. Hoewel gelet hierop ook de opslag van materialen, grondstoffen of afval kan zijn toegestaan, acht de Afdeling het in dit geval rechtsonzeker dat die bedrijfsactiviteit niet is genoemd in de definitiebepaling. Daarbij is van belang dat gelet op de vergunningen een relatief groot deel van de bedrijfsactiviteiten enkel op- en overslag betreft, zodat dit niet zonder meer als ondergeschikte bedrijfsactiviteit kan worden aangemerkt. Zo is in de voorschriften van de veranderingsvergunning voor bouw- en sloopafval een maximale opslagcapaciteit van 750 ton vergund en een maximale overslag van 66.500 ton/jaar. Kunststoffen en bouw- en sloopafval, welke materialen niet zijn genoemd in de definitiebepaling, worden gelet op de melding onderscheidenlijk de veranderingsvergunning voorts in enige mate verwerkt. Uit de melding volgt dat de kunststoffolie wordt geperst en in de veranderingsvergunning staat dat het gemengd bouw- en sloopafval wordt uitgesorteerd naar verschillende deelstromen. In zoverre vindt een handeling aan het materiaal plaats, waarmee het geschikter wordt voor verdere verwerking. De raad heeft onvoldoende gemotiveerd waarom deze bedrijfsactiviteiten niet dienen te worden aangemerkt als het terugwinnen en opnieuw geschikt maken voor hergebruik van grondstoffen uit afval.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat alle bestaande, vergunde en gemelde bedrijfsactiviteiten, waarvan de raad heeft beoogd deze als zodanig te bestemmen, onder de definitiebepaling vallen. Nu niet in geschil is dat deze bedrijfsactiviteiten onder het voorheen geldende plan waren toegestaan, is niet uit te sluiten dat het gebruik in zoverre onder het overgangsrecht is komen te vallen. Gelet daarop heeft de raad niet bestemd wat hij heeft beoogd en heeft hij het plan in zoverre niet met de te betrachten zorgvuldigheid voorbereid. Het betoog slaagt.

Puinbreker

17. [ appellante sub 2] betoogt dat de raad ten onrechte, ondanks de bij [appellante sub 2] bestaande concrete plannen daartoe, het plaatsen van een puinbreker niet in het plan heeft mogelijk gemaakt. Ten tijde van de vaststelling van het plan was voor de puinbreker een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan aangevraagd bij het college van gedeputeerde staten - in dit geval het bevoegd gezag ten aanzien van het bedrijf van [appellante sub 2] - en de raad heeft ten onrechte gesteld dat deze niet zal worden verleend. Een dag na het vaststellen van het plan is de omgevingsvergunning voor afwijken van het plan ten behoeve van het plaatsen van de puinbreker verleend. Dat de puinbreker niet past in de voornemens voor transformatie in het plan, doet niet af aan de aangevraagde en inmiddels ook verleende omgevingsvergunning. De raad heeft, door het plan niet vast te stellen binnen de wettelijke termijn na het ter inzage leggen van het ontwerpplan, geaccepteerd dat de voorbereidingsbescherming vervalt. De raad had de puinbreker derhalve als zodanig dienen te bestemmen.

17.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de puinbreker bewust niet als zodanig is bestemd. De raad acht de mobiele puinbreker geen gewenste ontwikkeling in verband met de transformatie van het plangebied en de directe omgeving ervan. Dit komt overeen met het negatieve advies dat het college van burgemeester en wethouders heeft gegeven aan het college van gedeputeerde staten over de aangevraagde omgevingsvergunning voor afwijken van het vorige plan. Tegen de omgevingsvergunning is door het college van burgemeester en wethouders dan ook beroep ingesteld. De mobiele puinbreker is voorts niet onder het overgangsrecht komen te vallen, nu het gebruik nog niet was aangevangen ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan.

17.2. Niet is in geschil dat het voorheen geldende plan een puinbreker niet bij recht toestond, omdat een puinbreker in milieucategorie 4.1 dient te worden ingedeeld en bedrijven tot en met milieucategorie 3 waren toegestaan. Wel bevatte het plan de mogelijkheid om onder voorwaarden bij omgevingsvergunning af te wijken van het plan ten behoeve van bedrijfsactiviteiten in een hogere categorie.

[appellante sub 2] heeft op 4 november 2014 een omgevingsvergunning aangevraagd voor afwijken van dat bestemmingsplan voor een mobiele puinbreker. Deze aanvraag is doorgestuurd naar het college van gedeputeerde staten. Op 14 juli 2015, een dag na het vaststellen van het bestemmingsplan, is deze omgevingsvergunning verleend.

17.3. Op het perceel van [appellante sub 2] zijn op grond van de planregels bedrijven in milieucategorie 1 en 2 toegestaan, alsmede een recyclingbedrijf. In lid 1, lid 1.53, van de planregels is gedefinieerd in het plan wat onder recyclingbedrijf wordt verstaan. Daaronder valt niet het verwerken van puin- en sloopafval met een puinbreker. Gelet op hetgeen is overwogen in 16.5. heeft de raad met deze definitie ten onrechte niet de bestaande, vergunde bedrijfsactiviteiten als zodanig bestemd. De raad zal derhalve een nieuwe definitie dienen vast te stellen.

Met het oog op finale geschilbeslechting ziet de Afdeling echter aanleiding om, nu de raad zich expliciet op het standpunt heeft gesteld dat niet is beoogd de puinbreker mogelijk te maken, te onderzoeken of de raad het besluit in zoverre in redelijkheid heeft kunnen nemen.

17.4. Artikel 20, lid 20.2.1, van de planregels luidt: "Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet."

Lid 20.2.4 luidt: "Het bepaalde in lid 20.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan".

17.5. Omdat de mobiele puinbreker op grond van het vorige plan niet bij recht mogelijk was en ten tijde van de vaststelling van het plan de omgevingsvergunning voor afwijken nog niet was verleend, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat wat betreft het gebruik van de gronden voor een mobiele puinbreker geen sprake was van bestaande planologische rechten die als zodanig dienden te worden bestemd. Voorts is in zoverre geen gebruik onder het overgangsrecht gebracht, nu niet in geschil is dat dit gebruik ten tijde van de inwerkingtreding van het plan nog niet was aangevangen, omdat de puinbreker destijds nog niet aanwezig was.

In het stelsel van de Wet ruimtelijke ordening is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld.

Gelet op de aanvraag om de omgevingsvergunning van 4 november 2014 was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit sprake van een concreet plan. Dit plan was voorts voldoende onderbouwd om te kunnen worden beoordeeld. Voor zover de raad heeft gesteld dat hij ten tijde van de vaststelling van het plan er vanuit is gegaan dat de omgevingsvergunning voor afwijken niet zou worden verleend, acht de Afdeling dit uitgangspunt, gelet op het één dag later verleend worden van de omgevingsvergunning, onjuist. Evenwel heeft de raad zich blijkens de stukken, in overeenstemming met het standpunt van het college van burgemeester en wethouders in haar advies van 2 juli 2015 aan het college van gedeputeerde staten, op het standpunt gesteld dat zij een puinbreker ter plaatse onwenselijk acht, gelet op de beoogde transformatie van het plangebied en het aangrenzende gebied. De Afdeling overweegt dat de raad zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Daarbij is van belang dat niet in geschil is dat een puinbreker een aanzienlijke invloed heeft op de omgeving, vanwege geluid en trillingen. Nu de raad de milieubelasting ter plaatse juist wil beperken ten behoeve van het nieuwe woon-werkgebied, is de puinbreker niet met de beleidsuitgangspunten van de raad te verenigen. De raad heeft daarbij in redelijkheid aan de beoogde transformatie een groter gewicht kunnen toekennen dan aan het belang van [appellante sub 2] bij een mobiele puinbreker. Daarbij is ook relevant dat het plaatsen van een puinbreker een uitbreiding betreft ten opzichte van de bestaande bedrijfsactiviteiten. Voorts was ten tijde van de aanvraag van [appellante sub 2] reeds een ontwerpbestemmingsplan in procedure dat zag op de voorziene woningbouw en is niet in geschil dat een puinbreker mogelijk nadelige gevolgen kan hebben voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van die voorziene woningbouw vanwege geluid en trillingen.

Voorwaardelijke verplichtingen

18. [ appellante sub 2] voert aan dat de voorwaardelijke verplichtingen in artikel 7, lid 7.2, onder c, en lid 7.3, onder c, van de planregels onvoldoende waarborg bieden voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de woningen. Ten onrechte heeft de raad in deze artikelen een onderscheid gemaakt tussen woningen ter plaatse van de aanduiding "wetgevingszone - geluidhinder" en "geluidzone - individuele bedrijven". Voorts is geheel niet omschreven wat de aard en kwaliteit van de te realiseren bouwkundige voorziening is. In lid 7.3, onder c, is verder de instandhouding van de voorziening ook niet zeker gesteld.

18.1. Artikel 7, lid 7.2, onder a, van de planregels luidt: "Op de in lid 1 van dit artikel bedoelde gronden mogen, met inachtneming van de aangegeven maximumbouwhoogten en het maximum aantal woningen, uitsluitend de in de gegeven bestemming passende hoofdbebouwing en bijbehorende bouwwerken worden gebouwd."

Sub c luidt: "In afwijking van het bepaalde onder a. geldt dat ter plaatse van de aanduiding ‘wetgevingszone wet geluidhinder' uitsluitend mag worden gebouwd indien de hoofdbebouwing is voorzien van een dove gevel, vliesgevel of vergelijkbare bouwkundige voorzieningen aan de zijde van de van Oldenbarneveldtstraat, waarbij de geluidbelasting op de gevel ter plaatse als gevolg van geluidsemissies van het gezoneerde industrieterrein, lager is dan 55 dB(A). Het bepaalde in artikel 16.1 is onverminderd van toepassing."

Artikel 7.2, onder d, luidt: "Ter plaatse van de aanduiding "geluidzone - individuele bedrijven" mag, in afwijking van het bepaalde onder a. van dit lid, uitsluitend worden gebouwd, indien in de geluidgevoelige ruimtes dan wel verblijfsruimtes van de te bouwen woningen, kinderdagverblijven en/of gebouwen voor gezondheids- en welzijnszorgvoorzieningen een etmaalwaarde van maximaal 35 dB(A) wordt gewaarborgd."

Artikel 7.3, onder c, luidt: "Tot een gebruik strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wordt in ieder geval gerekend het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de voor 'Wonen' aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingszone wet geluidhinder' conform het bepaalde in lid 1 van artikel 7 zonder dat is voorzien in de onder d. (lees: c) van lid 2 dit artikel genoemde aangebrachte bouwkundige voorziening, tenzij uit akoestisch onderzoek is gebleken dat ook zonder deze voorziening kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde of een verkregen hogere waarde op grond van de Wet geluidhinder."

Artikel 7.3, onder d, luidt: "Tot een gebruik strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend het gebruiken en/of het (doen) laten gebruiken van de voor 'Wonen' aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - individuele bedrijven' zonder dat wordt voldaan aan een etmaalwaarde van maximaal 35 dB(A) in de geluidgevoelige ruimtes dan wel verblijfsruimtes van de woningen, kinderdagverblijven en/of gebouwen voor gezondheids- en welzijnszorgvoorzieningen."

18.2. De aanduiding "wetgevingszone - wet geluidhinder" is toegekend aan een deel van de gronden met de bestemming "Wonen" in de zuidelijke hoek. De Afdeling stelt vast dat op de gronden met die aanduiding ook de aanduiding "geluidzone - individuele bedrijven" rust. Deze aanduiding is aan een strook evenwijdig aan de Westervoortsedijk toegekend. Voor zover [appellante sub 2] vreest dat ter plaatse van woningen op gronden met de aanduiding "wetgevingszone - wet geluidhinder" de voorwaardelijke verplichting uit artikel 7, lid 7.2, onder d, en lid 7.3, onder d, van de planregels niet geldt, mist het betoog feitelijke grondslag.

De raad heeft verder toegelicht dat artikel 7, lid 7.2, onder c, een extra waarborg biedt voor het realiseren van gevelmaatregelen met betrekking tot de geluidbelasting vanwege het industrieterrein. Deze verplichting vloeit ook reeds voort uit de Wgh en de op grond daarvan vastgestelde hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege het industrieterrein. Zoals de Afdeling heeft overwogen in 12.2. hoeft de raad bij het vaststellen van het plan nog niet voor te schrijven welke maatregelen moeten worden getroffen, nu niet de voorzieningen, maar het resultaat ervan van belang is in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Niet is gebleken dat de planregel niet uitvoerbaar is, omdat geen voorzieningen mogelijk zijn die het vereiste resultaat kunnen bewerkstelligen. Nu bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen aan deze voorwaarde zal worden getoetst, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de realisering van de betreffende voorzieningen onvoldoende is gewaarborgd. Het betoog faalt.

Trilling

19. [ appellante sub 2] voert aan dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar mogelijke trillingshinder bij de voorziene woningen als gevolg van de bedrijfsactiviteiten van [appellante sub 2]. De raad heeft in de procedure met betrekking tot de omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan voor de puinbreker aan het college van gedeputeerde staten geadviseerd om de activiteit niet toe te staan, vanwege de te verwachten trillingshinder.

19.1. De raad stelt zich op het standpunt dat bij een eerder verleende milieuvergunning voor onder andere een schrootschaar op 19 april 2006 een trillingsonderzoek is overgelegd. Hieruit volgt dat op 40 m afstand de afname ten opzichte van de meetwaarde van de schrootschaar 90% is. Gelet hierop en nu de afstand tussen het perceel van [appellante sub 2] en de woningen minimaal 75 m is, zal de trillingshinder volgens de raad minimaal zijn.

19.2. [appellante sub 2] heeft niet gesteld dat het onderzoek uit 2006 geen juist beeld geeft van de verwachte trillingen van de bestaande bedrijfsactiviteiten. De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de raad daarvan niet in redelijkheid uit heeft kunnen gaan. In een notitie van DGMR van 15 december 2015, bijgevoegd bij het verweerschrift, is voorts nader ingegaan op trillingen vanwege het bedrijf van [appellante sub 2]. In die notitie is aansluiting gezocht bij de SBR-richtlijn "Trillingen, deel B - hinder voor personen in gebouwen", alsmede de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening 1998. Uit de analyse volgt volgens het rapport dat de te verwachten trillingen vanwege de vergunde bedrijfsactiviteiten van [appellante sub 2] geen conflicten hoeven op te leveren met het nieuwbouwplan als het trillingsaspect wordt beheerst door het voorgestelde toetsingskader. [appellante sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de analyse van DGMR ondeugdelijk is en dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen onaanvaardbare trillingshinder zal plaatsvinden bij de voorziene woningen en in zoverre een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig zal zijn.

Voor zover [appellante sub 2] heeft gewezen op de puinbreker, overweegt de Afdeling dat de raad deze, gelet op hetgeen is overwogen in 17.5 in redelijkheid niet als zodanig heeft hoeven bestemmen. De raad heeft derhalve ook geen onderzoek hoeven doen naar mogelijke trillingshinder bij de woningen als gevolg van de puinbreker.

Het betoog faalt.

[appellant sub 3]

Ontvankelijkheid

20. De raad stelt dat het beroep van [appellant sub 3] niet-ontvankelijk is, voor zover het is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Wonen". De zienswijze van de vorige eigenaar van het perceel, Tata Steel Nederland Tubes B.V. (hierna: Tata Steel), is alleen gericht tegen de mogelijkheden op het eigen perceel met de bestemming "Bedrijventerrein".

20.1. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, door een belanghebbende die over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Ook kan een belanghebbende, die wel een zienswijze heeft ingediend, geen beroep instellen tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij geen zienswijzen naar voren heeft gebracht, tenzij hem dat redelijkerwijs niet kan worden verweten.

20.2. Het ontwerpbestemmingsplan heeft ter inzage gelegen van 23 januari 2014 tot en met 5 maart 2014. [appellant sub 3] heeft binnen deze termijn geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht, omdat zij toen nog geen eigenaar was van het perceel in het plangebied. Tata Steel, de toenmalige eigenaar, heeft bij brief van 18 februari 2014 een zienswijze naar voren gebracht. Bij brief van 12 september 2014 heeft [appellant sub 3] aan het college van burgemeester en wethouders medegedeeld geïnteresseerd te zijn in de aankoop van het perceel van Tata Steel. Zij heeft het perceel in september 2014 gekocht.

Nu [appellant sub 3] ten tijde van de zienswijzentermijn nog geen eigenaar was van het perceel en evenmin is gebleken dat zij de gronden ingevolge een toen tot stand gekomen koopovereenkomst had gekocht, kan [appellant sub 3] in redelijkheid niet worden verweten geen zienswijze te hebben ingediend tegen het ontwerpplan. Het beroep van [appellant sub 3] is derhalve ontvankelijk. Dat Tata Steel een zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerpplan, die niet was gericht tegen het plandeel met de bestemming "Wonen", is geen omstandigheid die afdoet aan de verschoonbaarheid van het niet ingediend hebben van een zienswijze tegen het ontwerpplan door [appellant sub 3]. De Afdeling stelt verder vast dat het beroepschrift is ingediend door [appellant sub 3], die ten tijde van de beroepstermijn belanghebbende was en dat geen sprake is van rechtsopvolging van Tata Steel in deze procedure. Het beroep van [appellant sub 3] is dan ook niet gebonden aan de door Tata Steel in de zienswijzefase bestreden besluitonderdelen.

De conclusie is dat het beroep van [appellant sub 3], voor zover gericht tegen het plandeel met de bestemming "Wonen", ontvankelijk is.

Procedureel

21. [ appellant sub 3] voert aan dat in de publicatie van het vastgestelde plan en in het vaststellingsbesluit ten onrechte niet is vermeld dat het plan gewijzigd is vastgesteld. Hierdoor kunnen derden volgens haar op het verkeerde been zijn gezet en zijn benadeeld.

21.1. Deze beroepsgrond heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan reeds daarom geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit. Het betoog faalt.

Bestemming bedrijfsperceel

22. [ appellant sub 3] betoogt dat de raad het plandeel voor haar gronden met de bestemming "Bedrijventerrein" met de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.2" aan de Westervoortsedijk 65 ten onrechte heeft vastgesteld. Doordat de toegestane milieucategorie is verlaagd, zijn ten onrechte de bestaande bedrijfsactiviteiten niet toegestaan. Het bedrijf Mach4Metal B.V. is ter plaatse gevestigd. Dit bedrijf vervaardigt, assembleert en verhandelt zeer grote fabrieksmachines en heeft vanwege het bedrijfsmatig testen van machines een bestemming nodig die categorie 4 bedrijfsactiviteiten toestaat, aldus [appellant sub 3]. De raad heeft hier onvoldoende rekening mee gehouden.

[appellant sub 3] voert verder aan dat de bestemming onvoldoende mogelijkheden biedt voor de door haar gewenste transformatie ter plaatse. Dat is in strijd met het gemeentelijke transformatiebeleid, waarin de locatie met de zich daarop bevindende bebouwing specifiek is benoemd als met prioriteit te transformeren. De raad was voorts op de hoogte van haar plannen voor transformatie naar onder meer grootschalige detailhandel en had de ruimtelijke aanvaardbaarheid van dit initiatief dienen te onderzoeken. Zij heeft per brief van 21 mei 2015 aan het college van burgemeester en wethouders gevraagd om planologische medewerking te verlenen voor de herontwikkeling van het bestaande gebouw met een oppervlakte van 15.500 m² naar een foodmarkt, sportschool/fitnessruimte, restaurant en health.

22.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de categorie van toegestane bedrijven is verlaagd met het oog op de beoogde transformatie van het gebied. Hoewel het perceel op termijn een andere invulling zal krijgen, verliest het niet de functie als bedrijfsperceel. De raad is niet bekend met bedrijfsactiviteiten in categorie 4, nadat de vergunning voor Tata Steel is ingetrokken. Voor zover [appellant sub 3] andere functies, zoals horeca, detailhandel en kantoren, wenst, bestaan daarvoor geen concrete initiatieven. Bovendien is de behoefte aan deze functies ter plaatse niet aangetoond, aldus de raad. Een eventuele wijziging van de bestemming zal derhalve pas bij een concreet plan aan de orde zijn. Het beleid waarop [appellant sub 3] wijst, was ten tijde van de vaststelling van het plan nog niet vastgesteld door de raad.

22.2. Het perceel van [appellant sub 3] heeft de bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.2".

Artikel 4.1 aanhef en onder a, sub 2 luidt: "De voor Bedrijventerrein aangewezen gronden zijn, met inachtneming van het bepaalde in Artikel 16, bestemd:

a. voor bedrijven of gedeelten van bedrijven die:

(…)

zijn genoemd in de categorieën 1, 2 en 3 van de bij deze regels behorende bedrijvenlijst (Bijlage 1) ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3";

(…)."

22.3. Op grond van het voorheen geldende plan waren op het perceel deels bedrijfsactiviteiten in maximaal categorie 3 en deels in maximaal categorie 4 toegestaan. In het plan is dit voor het hele perceel teruggebracht naar categorie 3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen kunnen in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

Onder verwijzing naar hetgeen is overwogen in 6.5., overweegt de Afdeling dat de raad in redelijkheid heeft kunnen besluiten de maximaal toegestane categorie bedrijfsactiviteiten voor een deel van het perceel terug te brengen met één stap met het oog op de gewenste transformatie van het gebied ten westen van het industrieterrein naar een woon-werkgebied. Dat het perceel op het industrieterrein ligt en dat een hogere categorie bedrijfsactiviteiten gelet op de richtafstanden uit de VNG-brochure mogelijk is, maakt niet reeds dat de raad ter plaatse ook een hogere categorie voor bedrijfsactiviteiten moet mogelijk maken. Nu het perceel van [appellant sub 3] richting de rand van het nieuw begrensde industrieterrein ligt, heeft de raad een lagere categorie dan de hoogste toegestane categorie op het industrieterrein passend geacht. De Afdeling acht een dergelijke zonering niet onredelijk.

De Afdeling overweegt dat voorts niet aannemelijk is gemaakt door [appellant sub 3] dat deze bestemming met zich brengt dat bestaande legale bedrijfsactiviteiten onder het overgangsrecht zijn komen te vallen of daarmee een concreet plan voor bedrijfsactiviteiten in een hogere milieucategorie onmogelijk is gemaakt. Niet is in geschil dat de bedrijfsactiviteiten van Tata Steel ten tijde van de vaststelling van het plan waren gestaakt en de vergunning voor de exploitatie van een inrichting ter plaatse in zoverre was ingetrokken, zodat de raad daarmee geen rekening hoefde te houden. Het bedrijf Mach4Metal, zo volgt ook uit de website van dit bedrijf, verhandelt tweedehands metaalbewerkingsmachines. [appellant sub 3] heeft gesteld dat Mach4Metal het perceel wenst te gebruiken voor het testen en proefdraaien van sommige machines. Ter zitting heeft zij verklaard dat ten tijde van de vaststelling van het plan alleen sprake was van opslag van machines. Derhalve was op dat moment geen sprake van bedrijfsactiviteiten in categorie 4, die onder het overgangsrecht zijn komen te vallen. Gelet op de lijst van bedrijfsactiviteiten behorend bij de planregels, is een groothandel in machines toegestaan in categorie 3. De raad heeft ter zitting verder onweersproken gesteld dat geen aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieuactiviteit of melding op grond van het Activiteitenbesluit is ingediend voor bedrijfsactiviteiten in categorie 4 op het perceel. Desgevraagd heeft [appellant sub 3] ook ter zitting niet duidelijk kunnen maken welke bedrijfsactiviteiten Mach4Metal ter plaatse wil gaan uitvoeren, die het toestaan van bedrijfsactiviteiten in categorie 4 noodzakelijk maken. De omstandigheid dat een ander perceel van Mach4Metal in een andere gemeente een bestemming heeft voor bedrijfsactiviteiten in categorie 4, toont op zichzelf niet aan dat deze categorie noodzakelijk is voor de bedrijfsactiviteiten die het bedrijf ter plaatse uitvoert. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid op het hele perceel bedrijfsactiviteiten in maximaal categorie 3 kunnen toestaan. Het betoog faalt.

22.4. Met betrekking tot de door [appellant sub 3] gewenste andere functies, overweegt de Afdeling dat een bestemmingsplan in het stelsel van de Wet ruimtelijke ordening het ruimtelijke instrument is waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld.

De Afdeling overweegt dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellant sub 3] niet tijdig een concreet initiatief naar voren heeft gebracht dat bij de vaststelling van het plan kon worden betrokken. Haar brief van mei 2015 is naar het oordeel van de Afdeling, gelet op de aard en omvang van de gevraagde bestemmingswijziging, te laat kenbaar gemaakt en wel in die zin dat de raad de inhoud ervan niet meer kon betrekken in de besluitvorming met betrekking tot het plan. Niet is gebleken dat vóór deze brief de door [appellant sub 3] genoemde grootschalige detailhandel al was uitgewerkt, concreet gemaakt en in die zin ook onderbouwd, dat de raad zich op grond daarvan een oordeel zou hebben kunnen vormen omtrent de planologische aanvaardbaarheid ervan. De brief van 12 september 2014, waarin een algemene interesse voor een herontwikkeling staat vermeld, en de omstandigheid dat ambtelijke gesprekken zijn gevoerd, zijn daarvoor onvoldoende. Daarbij is ook van belang dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een dergelijke wijziging van de bestemming niet zonder nader onderzoek kan worden toegekend. Onder meer zullen de gevolgen voor de in de omgeving nog gevestigde bedrijven en eventuele bedrijfswoningen inzichtelijk moeten worden gemaakt, zoals die op het gebied van geluid en verkeer. Naar het oordeel van de Afdeling had dit [appellant sub 3] duidelijk kunnen zijn.

De door [appellant sub 3] genoemde "Visie op transformatie" is in maart 2015 door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld en op 2 november 2015 door de raad. Daargelaten in hoeverre de raad ten tijde van het nemen van het bestreden besluit aan het beleid van het college was gebonden ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet in overeenstemming is met dit beleid. Uit het beleidsuitgangspunt dat ter plaatse een transformatie kan plaatsvinden, volgt niet dat het beleidsuitgangspunt tevens is om zonder meer een zodanig ruime bestemming op te nemen dat transformatie daarbinnen mogelijk is. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de maximale planologische gevolgen van de potentiële functiewijzigingen dienen te worden onderzocht. Relevant daarbij is dat het in het onderhavige geval onduidelijk was of en welk initiatief ter plaatse werd beoogd. Zoals hiervoor overwogen, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake was van een tijdig kenbaar, voldoende onderbouwd en concreet initiatief waarvan zonder nader onderzoek de planologische aanvaardbaarheid van grootschalige detailhandel, sportvoorzieningen en horeca kan worden beoordeeld.

Het betoog faalt.

De aanduiding "karakteristiek"

23. [ appellant sub 3] betoogt dat de raad bij de vaststelling van het plan ten onrechte de aanduiding "karakteristiek" heeft toegekend aan meerdere panden op haar perceel. Zij voert aan dat dit haar beperkt in de mogelijkheden tot transformatie, terwijl onduidelijk is wat de cultuurhistorische waarde is van de panden, die thans worden gebruikt voor bedrijfsactiviteiten. Voorts bevat het artikel een nader afwegingsmoment en zijn de voorwaarden onduidelijk.

23.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het op grond van het Bro zijn taak is om de cultuurhistorische waarden van een plangebied in kaart te brengen. Ten behoeve van het plan is cultuurhistorisch onderzoek verricht, dat als bijlage 5 bij de plantoelichting is gevoegd. De conclusie van dit onderzoek is dat de eierveiling aan de Leeghwaterstraat 12 een hoge cultuurhistorische waarde heeft en de loodsen van Rijnstaal aan de Westervoortsedijk 65 een attentiewaarde hebben. Voor bebouwing met een hoge cultuurhistorische waarde is in het plan een aanduiding opgenomen en een sloopvergunningstelsel in artikel 16 van de planregels.

23.2. In het noorden van de gronden van [appellant sub 3] is een drietal aanduidingen "karakteristiek" toegekend.

Artikel 16, lid 16.7.1, van de planregels luidt: "Ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' wordt de instandhouding van de karakteristieke hoofdvorm van gebouw(en) nagestreefd".

Lid 16.7.2 luidt:

"a. Voor het slopen van bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'karakteristieke bebouwing' is een omgevingsvergunning vereist.

b. Het is ter plaatse van de aanduiding 'karakteristieke bebouwing' verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het slopen bouwwerken geheel of gedeeltelijk te slopen."

Lid 16.7.4 luidt: "De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien:

a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de karakteristieke hoofdvorm van de bebouwing;

b. de karakteristieke hoofdvorm niet langer aanwezig is en niet zonder ingrijpende wijzigingen aan het gebouw kan worden hersteld;

c. de karakteristieke hoofdvorm in redelijkheid niet te handhaven is;

d. het delen van een gebouw of bijgebouwen betreft, die op zichzelf niet als karakteristiek vallen aan te merken, en door sloop daarvan geen onevenredige aantasting van de karakteristieke hoofdvorm plaatsvindt."

23.3. Ingevolge artikel 3.1.6, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Bro wordt in de toelichting neergelegd een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

23.4. Ten behoeve van het plan heeft het bureau Monumenten Advies Bureau een quickscan uitgevoerd naar de cultuurhistorische waarden in het plangebied. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport "Cultuurhistorische Quickscan" van 2013, dat als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd. Over het voormalige kantoor van de Koninklijke Nederlandse Zuivelbond meldt het rapport dat het binnen de gemeente Arnhem een tamelijk uniek voorbeeld is van midden-twintigste-eeuwse bakstenen kantoorgebouw in zakelijk-traditionele trant, in een ontwerpstijl die kenmerkend is voor het oeuvre van Feenstra in de jaren '30. Over het complex van de Gelderse Eierveiling is opgenomen dat dit een belangrijke schakel was in de eierhandel rond het midden van de vorige eeuw. In de Quickscan wordt aanbevolen om te overwegen objecten en complexen met een zeer hoge cultuurhistorische waarde te beschermen en bebouwing met een hoge cultuurhistorische waarde zoveel mogelijk te behouden en herstellen.

[appellant sub 3] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voornoemde onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat de raad zich daar niet in redelijkheid op heeft kunnen baseren bij het toekennen van de aanduiding "karakteristiek" in het plan. De stelling dat voorheen geen aandacht is besteed aan de cultuurhistorische waarde van deze gebouwen, leidt niet tot het oordeel dat deze waarden niet aanwezig zijn, gelet op de onderbouwing in deze rapporten. De raad stelt terecht dat hij op grond van het Bro verplicht is rekening te houden met cultuurhistorische waarden.

De raad heeft de gebouwen met een zeer hoge en hoge cultuurhistorische waarde in het plan aangeduid en hiervoor een sloopomgevingsvergunningstelsel opgenomen. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat in zoverre geen nader afwegingsmoment mag worden opgenomen. Wel dienen de voorwaarden met het oog op de rechtszekerheid voldoende duidelijk te zijn. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat onduidelijk is onder welke voorwaarden een omgevingsvergunning voor slopen kan worden verkregen. Dat daarbij dan een afweging dient te worden gemaakt over de mogelijke aantasting van de karakteristieke hoofdvorm van het cultuurhistorisch waardevolle gebouw en van de staat van het gebouw, is daarvoor onvoldoende. De beoordelingsruimte die dienaangaande aan het college van burgemeester en wethouders in de planregels is gegeven, is naar het oordeel van de Afdeling niet zodanig dat sprake is van rechtsonzekerheid. De raad heeft in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan de bescherming van de cultuurhistorische waarden ter plaatse dan aan het belang van [appellant sub 3] bij een ongehinderde sloop van de gebouwen. Daarbij betrekt de Afdeling ook dat sloop niet is uitgesloten, indien instandhouding niet reëel is. Overigens heeft [appellant sub 3] te kennen gegeven niet voornemens te zijn de gebouwen te slopen.

Het betoog faalt.

Geluidszone industrie

24. [ appellant sub 3] voert aan dat het plan rechtsonzeker is, omdat onduidelijk is of de in het bestemmingsplan "Geluidszone industrieterrein Arnhem Noord" opgenomen aanduiding "geluidszone - industrie" ter plaatse van haar gronden geldt. In artikel 3.1 en 3.3 van de planregels van dat plan is die aanduiding namelijk alleen van toepassing verklaard op het ontwerp van het voorliggende plan. Onduidelijk is waarom de aanduiding niet rechtstreeks in het voorliggende plan is opgenomen. Door deze rechtsonzekerheid staat onvoldoende vast of voor haar perceel, dat op het gezoneerde industrieterrein ligt, wordt voldaan aan de ingevolge de Wgh geldende verplichtingen. Ter zitting heeft [appellant sub 3] toegelicht dat zij uit de lijst van wijzigingen bij de vaststelling van het plan heeft afgeleid dat de betreffende aanduiding is verwijderd. Zij wijst op het verwijderen van de milieuzone.

24.1. De Afdeling overweegt dat voor zover deze beroepsgrond is gericht tegen het bestemmingsplan "Geluidszone Industrieterrein Arnhem", hiertegen door [appellant sub 3] geen beroep is ingesteld.

24.2. Voorts stelt de Afdeling vast dat in het voorliggende plan aan een deel van het plangebied de aanduiding "geluidzone - industrie" is toegekend en dat in artikel 16 een daarbij behorende planregeling is opgenomen. Deze aanduiding en planregel komen overeen met de in het bestemmingsplan "Geluidszone industrieterrein Arnhem Noord" opgenomen aanduiding en artikel 5 van de planregels behorend bij dat plan. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het perceel van [appellant sub 3] deze aanduiding ten onrechte niet heeft, omdat haar perceel niet tot de geluidzone, maar tot het industrieterrein zelf behoort.

Uit het wijzigingenoverzicht, behorend bij de vaststelling van het plan, volgt dat de aanduiding "milieuzone - zonebeheer geluidruimte", die bij de vaststelling van het plan is verwijderd, betrekking had op regels over het beheer van de geluidruimte van het industrieterrein. Dit ziet derhalve op een planregeling voor beheer van geluidruimte in het kader van een goede ruimtelijke ordening en niet op een weergave van de geluidszone van het industrieterrein, als bedoeld in de Wgh. Daarvoor is de hiervoor genoemde aanduiding "geluidszone - industrie". De vrees van [appellant sub 3] dat als gevolg van het verwijderen van de aanduiding "milieuzone - zonebeheer geluidruimte" niet meer aan de Wgh wordt voldaan, is ongegrond. Het betoog faalt.

Parkeren

25. [ appellant sub 3] voert aan dat in de planregels ten onrechte niet is gewaarborgd dat voldoende parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd ten behoeve van de voorziene woningen. Artikel 19, lid 19.1, van de planregels, over de in acht te nemen parkeernormen, betreft een zogenoemde dynamische verwijzing naar beleidsregels, die in het kader van de rechtszekerheid niet aanvaardbaar is. De verwijzing is bovendien leeg, omdat in de genoemde beleidsregels staat dat nadere afspraken zijn gemaakt voor het project Fluvium en die niet zijn bijgevoegd. Gelet daarop is onduidelijk welke normen voor het plangebied gelden. [appellant sub 3] vreest dat de woningen kunnen worden opgericht zonder dat aan afdoende parkeernormen wordt voldaan.

25.1. De raad stelt zich ten eerste op het standpunt dat artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan het behandelen van deze beroepsgrond. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

25.2. De Afdeling overweegt dat parkeernormen in het bijzonder beogen de omgeving van een voorziene ontwikkeling te beschermen tegen overlast als gevolg van onvoldoende parkeervoorzieningen. Het perceel van [appellant sub 3] ligt op een afstand van ongeveer 165 m tot het plandeel met de bestemming "Wonen". De Afdeling overweegt dat op een dergelijke afstand niet is uitgesloten dat ter plaatse van het perceel overlast kan worden ondervonden als gevolg van een tekort aan parkeerplaatsen. Gelet daarop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat deze parkeernormen kennelijk niet strekken tot bescherming van haar belangen.

25.3. De raad stelt verder dat gelet op artikel 3.1.2 van het Bro de bevoegdheid bestaat om in een bestemmingsplan een zogenoemde dynamische verwijzing op te nemen naar door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen beleidsregels.

25.4. Artikel 19, lid 19.1, van de planregels luidt:

"a. indien de omvang of bestemming van een gebouw of terrein daartoe aanleiding geeft, dient, onverminderd het bepaalde elders in de regels van dit plan, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

b. de onder a. bedoelde ruimte voor het parkeren van personenauto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's.

c. aan het bepaalde onder a. wordt geacht te zijn voldaan indien de ruimte voor parkeren of stallen voldoet aan de in de Arnhemse beleidsregels voor parkeren daartoe opgenomen normen."

Artikel 3.1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro luidt: "Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening kan een bestemmingsplan regels bevatten:

a. waarvan de uitleg bij de uitoefening van een daarbij aangegeven bevoegdheid, afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels;

[…]."

25.5. Met de inwerkingtreding van de Reparatiewet Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2014 per 29 november 2014 hebben de stedenbouwkundige bepalingen uit de bouwverordening hun gelding verloren in het geval van een bestemmingsplanwijziging. Deze bepalingen hadden onder meer betrekking op parkeren. De raad heeft dit onderkend en heeft met het oog hierop artikel 19 in de planregels opgenomen. Voor de invulling van de parkeernormen wordt verwezen naar de Arnhemse beleidsregels voor parkeren. Gelet op artikel 3.1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro, bestaat, anders dan [appellant sub 3] betoogt, geen aanleiding voor het oordeel dat een dynamische verwijzing naar niet bij de planregels gevoegd parkeerbeleid zonder meer rechtsonzeker is. Wat betreft de verwijzing naar de gemeentelijke beleidsnotitie "beleidsregels voor toepassing van artikel 2.5.30 van de Bouwverordening gemeente Arnhem 2003" overweegt de Afdeling dat daarin staat dat voor het bepalen van de parkeernorm gebruik wordt gemaakt van de parkeernormen zoals opgenomen in bijlage 1 van de beleidsregels. In bijlage 1 zijn parkeernormen opgenomen voor verschillende functies, waaronder wonen. Daarnaast bevat deze beleidsregel een bijlage met projecten waarbij afspraken zijn gemaakt over de toe te passen parkeernormen. Het project "Fluvium en Groot Rijnwijk" is in die lijst opgenomen. Dit brengt naar het oordeel van de Afdeling evenwel niet met zich mee dat bij dergelijke projecten geen parkeernorm meer geldt. Die omstandigheid brengt derhalve niet met zich dat de verwijzing naar het beleid rechtsonzeker is.

Evenwel overweegt de Afdeling dat, anders dan artikel 3.1.2, tweede lid, onder a, van het Bro voorschrijft, in de planregel niet is aangegeven op de uitoefening van welke bevoegdheid artikel 19 van de planregels betrekking heeft. Gelet hierop biedt dit artikel onvoldoende waarborg om te worden gehanteerd als toetsingsnorm bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwen en staat niet vast dat in het kader van een procedure over de omgevingsvergunning eventuele bezwaren over de toegepaste parkeernorm naar voren kunnen worden gebracht.

Voorts heeft de raad weliswaar beoogd met de verwijzing in artikel 19.1 onder c, van de planregels te verwijzen naar de "Beleidsregels voor toepassing van artikel 2.5.30 van de Bouwverordening gemeente Arnhem 2003" alsmede te regelen dat indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd ook rekening dient te worden gehouden met die wijziging. Naar het oordeel van de Afdeling blijkt dit echter onvoldoende uit de daartoe opgenomen planregel.

Het betoog slaagt.

25.6. De parkeerkwestie kan in zoverre met gebruikmaking van artikel 3.1.2, tweede lid, onder a, van het Bro, in het bestemmingsplan worden geregeld door in een bestemmingsplanregel neer te leggen dat bij de uitoefening van de bevoegdheid voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen, de regel geldt dat voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd, dat voldoende betekent dat wordt voldaan aan de normen in de beleidsregels die zijn neergelegd in de "Beleidsregels voor toepassing van artikel 2.5.30 van de Bouwverordening gemeente Arnhem 2003" en dat indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met de wijziging.

25.7. Gelet op 25.5. is het plan in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3.1.2, tweede lid, onder a, van het Bro en artikel 3:2 van de Awb.

Omgevingsverordening Gelderland

26. [ appellant sub 3] voert aan dat het plandeel met de bestemming "Wonen" in strijd is met artikel 2.2.1.1. van de provinciale Omgevingsverordening. Het plan regelt niet in welke segmenten, omvang of prijsklasse woningen mogen worden gerealiseerd. Gelet daarop is niet duidelijk of wordt voldaan aan het in dit artikel genoemde Kwalitatief Woonprogramma.

26.1. Artikel 2.2.1.1. van de Omgevingsverordening Gelderland 2014 luidt: "In een bestemmingsplan worden nieuwe woonlocaties en de daar te bouwen woningen slechts toegestaan wanneer dit past in het vigerende door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma successievelijk de door Gedeputeerde Staten vastgestelde kwantitatieve opgave wonen voor de betreffende regio."

26.2. Artikel 8.2.2, eerste lid, van de Omgevingsverordening Gelderland 2014 bepaalt dat Hoofdstuk 2 Ruimte niet van toepassing is op ten tijde van de inwerkingtreding van de verordening reeds bestaande rechten. Onder bestaande rechten wordt ingevolge het tweede lid, onder a, van dit artikel onder meer verstaan een bestemmingsplan als bedoeld in deze verordening, voor zover een ontwerp ter inzage is gelegd voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening en daarop door het college van gedeputeerde staten geen zienswijze is ingediend. Gelet op deze bepalingen is de Omgevingsverordening Gelderland 2014 niet van toepassing op het voorliggende plan, omdat het ontwerpplan ter inzage is gelegd voor de inwerkingtreding van de verordening op 17 oktober 2014 en het college van gedeputeerde staten geen zienswijze heeft ingediend.

Nu op grond van artikel 8.1.1, onder a, van de Omgevingsverordening Gelderland 2014 de Ruimtelijke Verordening Gelderland, de voorloper, is ingetrokken, gold deze verordening ten tijde van de vaststelling van het plan op 13 juli 2015 evenmin. Daardoor is de bepaling uit artikel 3 van die verordening, vergelijkbaar met artikel 2.2.1.1 van de Omgevingsverordening Gelderland 2014, ook niet op het plan van toepassing.

Het betoog faalt.

Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro

27. De Smidse, [appellante sub 2] en [appellant sub 3] voeren aan dat het plandeel met de bestemming "Wonen" in strijd is met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, omdat de actuele regionale behoefte niet is aangetoond. De verwijzing van de raad naar het onderzoek van Atrivé uit 2014 geeft onvoldoende onderbouwing.

De Smidse en [appellant sub 3] voeren daartoe aan dat uit dit onderzoek volgt dat sprake is van een kwalitatieve "mismatch". Niet is gebleken dat de raad met deze kwalitatieve aspecten rekening heeft gehouden en dat het woningbouwplan daarop is afgestemd. Het plan regelt niet in welke segmenten gebouwd mag worden. [appellante sub 2] voert aan dat dit onderzoek niet specifiek gericht is op het plan. De raad heeft zich volgens De Smidse in zoverre ten onrechte op verouderde gegevens gebaseerd, nu het onderzoek uit 2014 is. Sindsdien zijn vele bestemmingsplannen in de gemeente Arnhem en omgeving vastgesteld. [appellante sub 2] wijst er op dat de provincie Gelderland zeer onlangs aan de Stadsregio heeft gemeld dat op korte termijn 8.500 woningen teveel zijn geprojecteerd. Voor zover de raad stelt dat het plan op de regionale afstemmingslijst staat opgenomen als een "groen plan", volgt uit die lijst dat een voorwaarde is dat de woningen worden omgezet van koop naar huur. Dit is evenwel niet in het plan vastgelegd, aldus [appellante sub 2].

De Smidse en [appellant sub 3] voeren verder aan dat onduidelijk is of de nieuwe stedelijke ontwikkeling regionaal is afgestemd. Ook is onduidelijk wat de raad als relevante regio hanteert.

[appellant sub 3] voert aan dat de behoefte in de plantoelichting is onderbouwd voor 180 woningen, terwijl het plan 200 woningen mogelijk maakt.

27.1. Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro, voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan de voorwaarde dat er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte.

27.2. Met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is beoogd vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. De ladder voor duurzame verstedelijking is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro nadrukkelijk in de plantoelichting wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.

27.3. Vaststaat dat het plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt en dat de plantoelichting op grond daarvan moet voldoen aan de voorwaarden uit artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.

27.4. In paragraaf 5.3 van de plantoelichting is op de ladder voor duurzame verstedelijking uit artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro ingegaan. Volgens deze toelichting bedraagt het programma ongeveer 180 woningen, waarvan ongeveer 140 grondgebonden woningen en 40 appartementen. Het plangebied moet plaats bieden aan uiteenlopende woningtypes in diverse prijsklassen en zowel huur- als koopwoningen. In het te ontwikkelen gebied van het Nieuwe Kadekwartier, van in totaal ongeveer 800 woningen, zal minimaal 27% sociale woningbouw zijn en daarvan wordt een deel in het plangebied gerealiseerd. De regionale behoefte is volgens de plantoelichting onderzocht middels een analyse van Atrivé van de regionale woningmarkt van de Stadsregio Arnhem Nijmegen in 2014. Uit die analyse blijkt dat er in de Subregio Arnhem nog steeds sprake is van een doorgaande huishoudensgroei tot 2030. Er is behoorlijke vraag naar woningen en ruimte om nieuwe plannen, zoals in het Centrumgebied Oost, oftewel Fluvium, te ontwikkelen. De geprognosticeerde behoefte is volgens de plantoelichting ongeveer 10.800 woningen, waarvan er nog 8400 na 2012 moeten worden gerealiseerd. De harde planvoorraad is op 1 januari 2013 ongeveer 5350 woningen en de zachte planvoorraad ongeveer 3200 tot het jaar 2020. De woningbouwplannen voor Fluvium zijn volgens de plantoelichting al meegerekend bij de vergelijking tussen de behoefte prognoses en de plancapaciteit, als onderdeel van de zachte planvoorraad. Kwalitatief is Fluvium volgens de plantoelichting gevarieerd centrumstedelijk wonen met een daarbij behorende woonkwaliteit en identiteit. Daaraan bestaat, volgens de genoemde analyse, behoefte.

27.5. Het rapport van Atrivé betreft een woningmarktonderzoek voor de Stadsregio Arnhem Nijmegen van 7 januari 2014. In dit onderzoek staat voor de Stadsregio dat uit de vergelijking van de huishoudensprognose en het woningbouwprogramma volgt dat geen sprake is van kwantitatieve overschotten in de harde planning. De voorraad harde plannen is kleiner dan de resterende behoefte. Er is ruimte om zachte plannen verder te ontwikkelen. In de Subregio Arnhem en omgeving is volgens het rapport geen sprake van een kwantitatieve overcapaciteit. Per 1 januari 2013 is de harde en zachte plancapaciteit samen kleiner dan de maximaal gewenste planvoorraad. Er is een resterende behoefte van meer dan 30%. Kwalitatief, uitgesplitst naar segmenten, blijkt uit de analyse wel een aanzienlijke mismatch, aldus het rapport. Uit het rapport volgt dat door de Stadsregio voor het prioriteren van woningbouwplannen een "stoplichtmodel" wordt voorgesteld. De 20 gemeenten uit de Stadsregio komen na 1 juli 2014 tweemaal per jaar bijeen om met het "stoplichtmodel" in te kunnen spelen op actuele ontwikkelingen.

27.6. De Afdeling overweegt dat de raad in de plantoelichting, gelet op de in het rapport geprognosticeerde behoefte aan woningbouw in de Stadsregio en in het bijzonder de Subregio Arnhem en Omgeving, heeft onderbouwd dat het plan voorziet in een kwantitatieve behoefte aan woningen. De enkele omstandigheid dat in de plantoelichting staat dat het woningbouwprogramma ongeveer 180 woningen bedraagt, maakt niet dat de onderbouwing ondeugdelijk is, nu het in zoverre een indicatie betreft. Het aantal van 20 extra woningen doet in dit geval, gelet op de prognoses, niet af aan de onderbouwing van de behoefte. De Smidse heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat het onderzoek van Atrivé niet meer in redelijkheid door de raad kon worden gebruikt, omdat het verouderd was. Het onderzoek heeft betrekking op de woningbehoefte tot 2020 met een doorkijk naar de jaren daarna. Uit het rapport volgt verder dat de harde en zachte planvoorraad in de Subregio Arnhem lager is dan de behoefte. Derhalve leiden eventueel nadien vastgestelde bestemmingsplannen waarin woningbouw mogelijk is gemaakt niet zonder meer tot het oordeel dat geen sprake meer is van een in kwantitatief opzicht actuele regionale behoefte aan dit plan. De raad heeft er verder op gewezen dat het woningbouwprogramma Fluvium in het onderzoek van Atrivé reeds is betrokken bij de zachte planvoorraad. De stelling van [appellante sub 2] dat het provinciebestuur onlangs heeft aangekondigd dat 8.500 woningen teveel zijn geprojecteerd heeft zij niet nader onderbouwd en geeft gelet daarop geen aanleiding voor het oordeel dat de kwantitatieve behoefte niet langer is aangetoond.

Wat betreft de kwalitatieve behoefte overweegt de Afdeling dat uit het Atrivé onderzoek volgt dat in de subregio Arnhem een licht overschot bestaat in het koopsegment van middeldure en dure koopwoningen. Uitgesplitst naar woonmilieu staat in het rapport dat er behoorlijke behoefte is aan wonen in de stad (centrum-stedelijk en groen-stedelijk). In de plantoelichting staat dat het plan voorziet in gevarieerd centrum-stedelijk wonen, met een combinatie van koop- en huurwoningen. Gelet op de locatie van de voorziene ontwikkeling en de omvang van de toegestane bebouwing, zowel qua oppervlakte als qua bouwhoogte, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan voorziet in centrum-stedelijk wonen. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat gelet op deze ligging niet gevreesd hoeft te worden voor leegstand. Dat het segment waarin de verschillende woningen worden gebouwd niet in de planregels is vastgelegd leidt niet tot een ander oordeel, nu door De Smidse en [appellante sub 2] niet aannemelijk is gemaakt dat het woningbouwprogramma waarvan in de plantoelichting is uitgegaan zodanig afwijkt van hetgeen redelijkerwijs is te verwachten. Dat de woningbouwlocatie enkel zou voorzien in een actuele regionale behoefte indien alle woningen in het huursegment worden gerealiseerd, heeft [appellante sub 2] voorts niet aannemelijk gemaakt. De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling gelet op het voorgaande voldoende aangetoond dat het plan ook in kwalitatief opzicht voorziet in een actuele regionale behoefte.

Over de regionale afstemming volgt uit het Atrivé onderzoek en de door de raad overgelegde brief van de Stadsregio dat de 20 gemeenten uit de Stadsregio overleg voeren over de woningplanvoorraad door middel van het zogenoemde "stoplichtmodel". Uit de door de raad overgelegde brief van het college van gedeputeerde staten volgt dat het provinciebestuur bij het tot stand komen van de lijsten met groene plannen betrokken is. Nu het woningbouwprogramma dat in het plan is voorzien is opgenomen op die lijst, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan niet regionaal is afgestemd. Het betoog faalt.

Financiële uitvoerbaarheid

28. De Smidse en [appellante sub 2] voeren aan dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet vaststaat, omdat geen rekening is gehouden met de te verwachten aanzienlijke planschadevergoedingen.

28.1. In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de financiële uitvoerbaarheid is begrepen, slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar.

De Smidse en [appellante sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het plan niet binnen tien jaar uitgevoerd kan worden vanwege het moeten betalen van tegemoetkomingen in planschade. Daarbij is van belang dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat een eventuele planschade zodanig zal zijn, dat hiermee de uitvoerbaarheid in het geding komt. Niet is aannemelijk gemaakt dat voor de vergoeding van eventuele planschade onvoldoende middelen bij de gemeente aanwezig zijn. De uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ5886, waarnaar De Smidse wijst, heeft betrekking op een uitwerkingsplan, waarbij het college van burgemeester en wethouders ter onderbouwing van de financiële uitvoerbaarheid had volstaan met een verwijzing naar het bestemmingsplan, hetgeen de Afdeling onvoldoende achtte. Hieruit volgt echter niet dat de raad zich in dit geval in redelijkheid op voorhand op het standpunt had moeten stellen dat het plan vanwege te vergoeden planschade binnen de planperiode van in beginsel tien jaar niet uitvoerbaar is. In dit geval hebben De Smidse en [appellante sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat deze tegemoetkomingen zodanig kunnen zijn, dat onvoldoende middelen aanwezig zijn om deze te kunnen betalen. Het betoog faalt.

Conclusie

29. In hetgeen De Smidse heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen", is vastgesteld in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb (rechtsoverwegingen 9.9. en 9.10. en 11.11). Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit, voor zover het betreft de vaststelling van artikel 1, lid 1.53, van de planregels, is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb (rechtsoverweging 16.5.). Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" alsmede artikel 19 van de planregels is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.2, tweede lid, onder a, van het Bro en artikel 3:2 van de Awb (rechtsoverweging 25.5.). Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit ook in zoverre dient te worden vernietigd.

29.1. Als gevolg van de vernietiging van artikel 1, lid 1.53, van de planregels geldt geen definitiebepaling meer van recyclingbedrijf. De Afdeling ziet derhalve aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor dit vernietigde planonderdeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

Voorts ziet de Afdeling in zoverre aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, waardoor de bestaande, vergunde bedrijfsactiviteiten van [appellante sub 2] ten tijde van de vaststelling van het plan, welke de raad heeft beoogd te bestemmen, zijn toegestaan. De Afdeling zal daartoe bepalen dat tot de inwerkingtreding van een nieuw vast te stellen plan voor dit onderdeel onder recyclingbedrijf in het plan wordt verstaan, het aan de [locatie 1] te Arnhem gevestigde recyclingbedrijf, voor zover het betreft de uitoefening van de bedrijfsactiviteiten zoals neergelegd in de revisievergunning van 24 mei 2007, inclusief de veranderingsvergunning van 10 november 2008, de melding verandering inrichting van 3 maart 2008 en de veranderingsvergunning van 21 september 2009.

29.2. De Afdeling zal de raad uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro voor het overige opdragen het hierop betrekking hebbende onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

30. De raad dient op hierna te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

30.1. Voor zover De Smidse vergoeding heeft gevraagd van de kosten voor door het onderzoeksbureau Peutz opgestelde rapporten, komen alleen de kosten van rapporten die zijn opgesteld ten behoeve van deze procedure voor vergoeding in aanmerking. Uit de urenspecificatie volgt dat 42 uur is besteed aan twee rapporten die in deze procedure zijn overgelegd. De overige uren zijn besteed aan een rapport dat is overgelegd met de zienswijze van De Smidse en komen derhalve niet voor vergoeding in aanmerking. Voor de kosten wordt verder een forfaitair bedrag van € 75,00 per uur gehanteerd. Voor zover De Smidse een urenspecificatie heeft overgelegd van de deskundige van de stichting PKM, overweegt de Afdeling dat het onderzoek van deze deskundige niet in een rapport is neergelegd, zodat deze uren ook niet voor vergoeding in aanmerking komen. De Smidse heeft een reiskostenvergoeding gevraagd in verband met het bijwonen van de zitting van drie vertegenwoordigers van De Smidse. De Afdeling acht, mede nu De Smidse zich ter zitting heeft laten vertegenwoordigen door een advocaat, de vergoeding van de reiskosten van één van hen redelijk.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellante sub 2A] en W.S.L. Groep B.V, De Smidse B.V. en [appellant sub 3] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Arnhem van 13 juli 2015, documentnummer 2015.0.053.032, voor zover het betreft de vaststelling van:

a. het plandeel met de bestemming "Wonen";

b. artikel 1, lid 1.53, van de planregels;

c. artikel 19 van de planregels;

III. draagt de raad van de gemeente Arnhem op om binnen 20 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen, voor zover het betreft het vernietigde planonderdeel genoemd in II.b en dit besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. treft de voorlopige voorziening dat onder recyclingbedrijf in het plan wordt verstaan: het aan de [locatie 1] te Arnhem gevestigde recyclingbedrijf, voor zover het betreft de uitoefening van de bedrijfsactiviteiten zoals neergelegd in de revisievergunning van 24 mei 2007, inclusief de veranderingsvergunning van 10 november 2008, de melding verandering inrichting van 3 maart 2008 en de veranderingsvergunning van 21 september 2009;

V. bepaalt dat de onder IV. getroffen voorlopige voorziening vervalt op het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit zoals bedoeld onder III;

VI. draagt de raad van de gemeente Arnhem op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat onderdeel II.a en II.c worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VII. veroordeelt de raad van de gemeente Arnhem tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van:

a. € 1485,00 (zegge: veertienhonderdvijfentachtig euro) voor [appellante sub 2A] en W.S.L. Groep B.V., geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

b. € 4721,60 (zegge: vierduizend zevenhonderdeenentwintig euro en zestig cent) voor De Smidse B.V., waarvan € 1485,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c. € 495,00 (zegge: vierhonderdvijfennegentig euro) voor [appellant sub 3], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat de raad van de gemeente Arnhem aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

a. € 331,00 (zegge: driehonderdeenendertig euro) voor [appellante sub 2A] en W.S.L. Groep B.V., met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

b. € 331,00 (zegge: driehonderdeenendertig euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Smidse B.V;

c. € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro), voor [appellant sub 3].

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Tuit

Voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2017

715.