Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:152

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-01-2017
Datum publicatie
25-01-2017
Zaaknummer
201601925/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:599, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2014 heeft het college besloten tot het afsluiten van de Zuidhavenpoort te Zierikzee voor alle motorvoertuigen op twee of meer wielen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601925/1/A1.

Datum uitspraak: 25 januari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B], beiden wonend te Zierikzee, gemeente Schouwen-Duiveland, appellanten (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 januari 2016 in zaak nr. 15/4466 in het geding tussen onder meer:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland.

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2014 heeft het college besloten tot het afsluiten van de Zuidhavenpoort te Zierikzee voor alle motorvoertuigen op twee of meer wielen.

Bij besluit van 24 april 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 januari 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nog nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 december 2016, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door P. de Winter en R.J. Wesel, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Het college heeft bij besluit van 16 december 2014, zoals dat is gehandhaafd bij besluit van 24 april 2015, besloten om de Zuidhavenpoort vanaf de toegang Nieuwe Haven tot en met de witte brug in beide richtingen af te sluiten voor gemotoriseerd verkeer op twee of meer wielen. Daarvoor zullen aan weerszijden van de Zuidhavenpoort borden C12 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 worden geplaatst en zal aan de Nieuwe Havenzijde van de poort een door hulpdiensten te bedienen verzinkbare paal worden geplaatst. In de bestaande situatie is de Zuidhavenpoort stadinwaarts in de richting van de Nieuwe Haven reeds gesloten verklaard voor motorvoertuigen op meer dan twee wielen.

[appellant] woont aan de [locatie] en verzet zich tegen de afsluiting van de Zuidhavenpoort, omdat deze naar zijn mening niet nodig is en nadelige gevolgen voor de verkeerssituatie in de binnenstad van Zierikzee zal hebben, hetgeen zijn woon- en leefklimaat zal aantasten.

De gronden van het hoger beroep

2. Het betoog van [appellant] dat het besluit van 16 december 2014 niet door het college is overgelegd en dat derhalve niet vast staat of het verkeersbesluit daadwerkelijk is genomen, mist feitelijke grondslag. Uit het rechtbankdossier blijkt dat het college de op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder een afschrift van het besluit van 16 december 2014, aan de rechtbank heeft gezonden. Het betoog faalt.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid tot het verkeersbesluit heeft kunnen komen en dat het college bij de voorbereiding van het besluit onvoldoende onderzoek naar de relevante feiten heeft verricht, waardoor in het in bezwaar gehandhaafde verkeersbesluit evenmin deugdelijk is gemotiveerd dat met het besluit de verkeersbelangen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a en b, en het tweede lid, onder a, van de Wvw 1994 worden gediend. Hiertoe voert hij aan dat niet vast staat dat het verkeer door de binnenstad in de richting van de Julianastraat sluipverkeer betreft en dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de negatieve gevolgen voor de verkeerssituatie in de binnenstad als gevolg van de afsluiting van de Zuidhavenpoort. In dit verband stelt [appellant] dat de Zuidhavenpoort een ontsluitingsroute voor verkeer uit de binnenstad is, en dat door de afsluiting hiervan verkeersstromen in andere delen van de binnenstad, zoals op de Nieuwe Haven, zullen intensiveren. Voorts voert [appellant] aan dat de binnenstad door eerder getroffen verkeersmaatregelen al autoluw is en dat niet is onderzocht of afsluiting van de Zuidhavenpoort zal bijdragen aan een nog meer autoluwe binnenstad. Verder voert [appellant] aan dat het college in de aan het verkeersbesluit ten grondslag liggende belangenafweging onvoldoende rekening heeft gehouden met het belang van bewoners van de binnenstad en hulpdiensten om in geval van een calamiteit de binnenstad snel te bereiken dan wel te verlaten en met het feit dat gemotoriseerd verkeer vanuit de binnenstad richting de Engelse Kade geconfronteerd zal worden met een langere reistijd. [appellant] betwist voorts de noodzaak om de afsluiting van de Zuidhavenpoort gepaard te doen gaan met plaatsing van een verzinkbare paal en voert hiertoe aan dat er geschiktere alternatieven zijn, zoals een systeem van toegang op basis van kentekenherkenning. Ten slotte heeft het college onvoldoende onderzocht of in aanvulling op het verkeersbesluit bewegwijzering dient te worden geplaatst aan de rand van de stad om te voorkomen dat verkeer zich via de Nieuwe Haven richting de Zuidhavenpoort beweegt, aldus [appellant].

3.1. Artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994) luidt: "De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer."

Het tweede lid luidt: "De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen voorts strekken tot:

a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden."

Artikel 15, eerste lid luidt: "De plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, geschiedt krachtens een verkeersbesluit."

Het tweede lid luidt: "Maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken."

Artikel 21 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer luidt: "De motivering van het verkeersbesluit vermeldt in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

3.2. Het college heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat in het door de raad van de gemeente Schouwen-Duiveland vastgestelde Verkeersplan Binnenstad Zierikzee is vermeld dat - onder meer ter verbetering van het verblijfsklimaat in de binnenstad - wordt gestreefd naar een autoluwe binnenstad. Omdat afsluiting van de Zuidhavenpoort voor gemotoriseerd verkeer sluipverkeer door de binnenstad zal tegengaan en daarmee een autoluwe binnenstad zal bevorderen, heeft het college het verkeersbesluit genomen. Volgens het besluit zijn de belangen die daarmee worden gediend het verzekeren van de veiligheid op de weg, het beschermen van de weggebruikers en passagiers en het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast of hinder. De afsluiting van de Zuidhavenpoort zal volgens het college leiden tot een fors geringere verkeersbelasting van de Hoofdpoortstraat, Nieuwe Haven en Julianastraat waarbij de bevoorradingsroute via Nieuwe Haven, Oude Haven, Kraanplein, Havenpark en Havenplein in stand zal blijven. Voorts verwacht het college dat geen nieuwe sluiproute door de binnenstad zal ontstaan, en dat de verkeerveiligheid voor voetgangers en (brom)fietsers zal verbeteren.

3.3. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 13 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1526, komt een college van burgemeester en wethouders bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsruimte toe bij de uitleg van de begrippen als bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994. Voorts is het aan dat college om de verschillende belangen die betrokken moeten worden bij het nemen van een dergelijk besluit tegen elkaar af te wegen en om te beoordelen wanneer de in artikel 2 van de Wvw 1994 vermelde belangen het nemen van een verkeersmaatregel vergen. De rechter dient te toetsen of de uitleg die het college aan voormelde begrippen heeft gegeven, de grenzen van redelijke wetsuitleg te buiten gaat, of het besluit niet anderszins in strijd is met wettelijke voorschriften en of de afweging van de betrokken belangen zodanig onevenwichtig is dat dat het college niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.

3.4. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college onvoldoende heeft onderzocht en gemotiveerd dat met de afsluiting van de Zuidhavenpoort verkeersbelangen als genoemd in artikel 2 van de Wvw 1994 zullen worden gediend. Het college heeft in zijn besluit uiteengezet dat deze verkeersmaatregel een onderdeel is van een meeromvattend pakket aan maatregelen ter uitvoering van het door de gemeenteraad vastgestelde beleid in het Verkeersplan om te komen tot een autoluwe binnenstad. Niet in geschil is dat met het weren van autoverkeer uit de binnenstad de verkeersveiligheid in de binnenstad zal verbeteren en de verkeersoverlast aldaar zal verminderen.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd heeft de rechtbank terecht geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het college zich zonder onderzoek niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat een deel van het autoverkeer dat via de Zuidhavenpoort rijdt sluipverkeer is dat geen bestemming in de binnenstad heeft. Het college heeft uiteengezet dat het verkeer dat door de Zuidhavenpoort rijdt slechts enkele bestemmingen kan hebben, te weten de woningen in de Julianastraat en omgeving, het industrieterrein en de N256. Geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de stelling van het college dat naast bestemmingsverkeer ook uit Poortambacht afkomstig autoverkeer gebruik maakt van de route via de Nieuwe Haven en Zuidhavenpoort om richting het industrieterrein en verder te rijden. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat het college aannemelijk heeft mogen achten dat met het afsluiten van de Zuidhavenpoort een deel van het autoverkeer uit de historische binnenstad zal worden geweerd. Dat de binnenstad van Zierikzee ten gevolge van andere verkeersmaatregelen reeds autoluw is, wat daarvan ook zij, doet niet af aan het verwachte effect van de afsluiting van de Zuidhavenpoort, te weten afname van de verkeersintensiteit ter plaatse.

3.5. Het college heeft de met het besluit te dienen voormelde verkeersbelangen afgewogen tegen de overige bij het besluit betrokken belangen. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college na afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot afsluiting van de Zuidhavenpoort heeft kunnen besluiten. Het college heeft in aanmerking genomen dat voor het autoverkeer richting het industrieterrein en de N256 een alternatieve route aanwezig is via de Laan van Saint Hilaire en de N59/N256 die bij de inwoners van Schouwen-Duiveland genoegzaam bekend is. Voorts zal op die route aanvullende bebording worden aangebracht om te voorkomen dat ter plaatse onbekend verkeer zich toch richting de Zuidhavenpoort begeeft. Aan het belang van bewoners van de binnenstad of ander bestemmingsverkeer om de binnenstad via de Zuidhavenpoort te kunnen verlaten heeft het college geen doorslaggevend gewicht toegekend. Hierbij heeft het in aanmerking genomen dat de Zuidhavenpoort in de bestaande situatie reeds is afgesloten voor autoverkeer in de richting van de Nieuwe Haven en dat het gebruik maken van alternatieve routes om de stad te verlaten niet onevenredig bezwarend is. Voorts heeft het college in aanmerking genomen dat bevoorradend verkeer in de regel geen nadeel zal ondervinden van de afsluiting omdat de poort vanwege de doorgangshoogte voor het meeste vrachtverkeer ongeschikt is en vrachtverkeer ook in de bestaande situatie via een alternatieve route de binnenstad verlaat. Het college heeft voorts in de afweging betrokken dat de bestaande alternatieve routes tezamen de door de afsluiting gestopte verkeersstroom zullen verdelen en dat deze verkeersstroom uitsluitend nog uit bestemmingsverkeer zal bestaan, zodat geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat de verkeersintensiteit elders in de binnenstad substantieel zal toenemen dan wel dat zich andere negatieve effecten zullen voordoen door de afsluiting van de Zuidhavenpoort. Voorts heeft het college er op gewezen dat nood- en hulpdiensten in geval van een calamiteit door de Zuidhavenpoort kunnen rijden. De verzinkbare paal is aan beide zijden voorzien van een paslezer die door alle hulpdiensten kan worden bediend. Aangezien in de bestaande situatie de geslotenverklaring van de Zuidhavenpoort in de richting van de Nieuwe Haven bij gebreke van een fysiek obstakel veelvuldig wordt genegeerd en dit tot verkeersonveilige situaties leidt, zoals het college onweersproken heeft gesteld, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om ter ondersteuning van de geslotenverklaring een verzinkbare paal te plaatsen. Wat betreft het door [appellant] geopperde alternatief voor een verzinkbare paal, heeft het college ter zitting van de Afdeling toegelicht dat aan een systeem op basis van kentekenherkenning beduidend hogere kosten zijn verbonden.

Het betoog faalt.

Conclusie

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Deen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2017

604.