Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1515

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
07-06-2017
Zaaknummer
201603728/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:3118, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 april 2015, neergelegd in brieven van dezelfde datum met kenmerken Z.08376 UIT.10575 en Z.09105 UIT.11558, heeft het college de verzoeken van onder andere [wederpartij] om handhavend op te treden tegen de door [appellante sub 2] voorgenomen uitbreiding van de veehouderij op het perceel [locatie 1] te Schimmert (hierna: het perceel) afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
Wet geurhinder en veehouderij
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/2861
AR 2017/6641
JOM 2017/608
JM 2017/145 met annotatie van P.B. Bokelaar
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201603728/1/A1.

Datum uitspraak: 7 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    het college van burgemeester en wethouders van Nuth,

2.    [appellante sub 2] en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 2]), gevestigd te Schimmert, gemeente Nuth,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 13 april 2016 in zaak nr. 15/2371 in het geding tussen:

[wederpartij A], [wederpartij B] en [wederpartij C] (hierna tezamen en in enkelvoud: [wederpartij]), wonend te Schimmert, gemeente Nuth,

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2015, neergelegd in brieven van dezelfde datum met kenmerken Z.08376 UIT.10575 en Z.09105 UIT.11558, heeft het college de verzoeken van onder andere [wederpartij] om handhavend op te treden tegen de door [appellante sub 2] voorgenomen uitbreiding van de veehouderij op het perceel [locatie 1] te Schimmert (hierna: het perceel) afgewezen.

[wederpartij] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en het college verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de rechtbank als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het college heeft met dat verzoek ingestemd en het bezwaarschrift met toepassing van artikel 7:1a, vijfde lid, van de Awb doorgezonden aan de rechtbank.

Bij uitspraak van 13 april 2016 heeft de rechtbank het door [wederpartij] tegen het besluit van 14 april 2015 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het verzoek om handhaving van [wederpartij] met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college en [appellante sub 2] hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

Het college en [wederpartij] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 april 2017, waar [appellante sub 2], vertegenwoordigd door mr. P.R. Botman, advocaat te Tilburg, [maat A] en [maat B] en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. E.J.M.M. Peeters en A.H.F. Laeven, zijn verschenen. Voorts zijn [wederpartij A] en [wederpartij C], bijgestaan door mr. R.H.G.M. Kerckhoffs, advocaat te Maastricht, verschenen.

Overwegingen

1.1.    [appellante sub 2] drijft een veehouderijbedrijf op het perceel [locatie 1]. Vaststaat dat het veehouderijbedrijf onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit milieubeheer valt en een zogenoemde type B-inrichting is, waarop bepalingen van het Activiteitenbesluit rechtstreeks van toepassing zijn.

    Op 14 mei 2014 heeft de [appellante sub 2] bij het college een melding ingevolge het Activiteitenbesluit gedaan van de uitbreiding van de bestaande melkveestal met 74 ligboxen. In totaal zullen na de realisering van de uitbreiding 156 melkveekoeien en 103 stuks jongvee worden gehouden. Bij besluit van 26 augustus 2014 heeft het college aan [appellante sub 2] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een uitbreiding van een melkveestal op het perceel. Dit besluit is inmiddels in rechte onaantastbaar.

    De dichtstbij de inrichting gelegen woning is die op het perceel [locatie 2]. [wederpartij A] en [wederpartij B] bewonen de woning aan [locatie 3]. [wederpartij C] bewoont de woning [locatie 4]. Deze woningen liggen ten zuiden van de weg Groot-Haasdal.

    [wederpartij] heeft bij brieven van 5 november 2014 en 22 januari 2015 verzocht om handhaving. Volgens hem wordt bij de bouw van de uitbreiding van de melkveestal, hetgeen naar zijn opvatting is te beschouwen als de oprichting van een dierenverblijf, gehandeld in strijd met onder meer artikel 3.119, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, waarin is bepaald dat de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de dichtstbijzijnde buitenzijde van een geurgevoelig object ten minste 50 m bedraagt indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen. Het college heeft dit verzoek aangemerkt als een verzoek om preventieve handhaving ter zake van de niet-naleving van de in het Activiteitenbesluit en de gemeentelijke geurverordening opgenomen afstandseisen.

    Bij besluit van 14 april 2015 heeft het college geweigerd bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen ter zake van het vermeende niet-naleven van de afstandseisen indien de uitbreiding van de melkveestal in gebruik wordt genomen. Volgens het college liggen de nabij de inrichting gelegen woningen buiten de bebouwde kom en wordt de in dat geval voorgeschreven afstand van 25 m van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de dichtstbijzijnde buitenzijde van een geurgevoelig object niet overschreden indien in de op te richten veestal dieren worden geplaatst. De rechtbank heeft het besluit vernietigd omdat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de nabijgelegen woningen zijn gelegen buiten de bebouwde kom en dat van een overtreding geen sprake is.

2.    Het college en [appellante sub 2] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat zich wat betreft de afstandseisen een overtreding zal voordoen en wijzen erop dat de nabij de inrichting gelegen woningen aan [locatie 2], 9 en 9A zijn gelegen buiten de bebouwde kom. Het college en [appellante sub 2] achten het onjuist dat de rechtbank betekenis heeft toegekend aan de omstandigheid dat er qua dichtheid en bebouwing en aantallen woningen geen relevant verschil bestaat tussen de woningen ten noorden van de weg Groot-Haasdal en woningen ten zuiden daarvan. Zij wijzen erop dat de bebouwing ten zuiden van de weg Groot-Haasdal een sterkere verwevenheid heeft met agrarische activiteiten en de functies van het buitengebied. Volgens het college kenmerkt het gebied aan de zuidzijde van de weg Groot-Haasdal zich als een landschappelijke omgeving met ruim opgezette kavels en tuinen, open ruimtes en onderbrekingen van de bebouwing in de vorm van akkers, weilanden, tuinen en (veld)wegen.

2.1.    Artikel 3.111 van het Activiteitenbesluit luidt:

"1. De artikelen 3.112 tot en met 3.129 zijn van toepassing op het houden van landbouwhuisdieren."

    Artikel 3.119 luidt:

"1. Onverminderd de artikelen 3.115 tot en met 3.117 is het oprichten, uitbreiden of wijzigen van een dierenverblijf verboden, indien na de oprichting, uitbreiding of wijziging de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de dichtstbijzijnde buitenzijde van een geurgevoelig object:

a. minder dan 50 meter bedraagt, indien het geurgevoelig object binnen de bebouwde kom is gelegen, of

b. minder dan 25 meter bedraagt, indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen.

[…]."

2.2.    Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de woningen [locatie 2], 9 en 9A binnen de bebouwde kom zijn gelegen. Voor de uitleg van het begrip ‘bebouwde kom’ heeft de rechtbank terecht aansluiting gezocht bij de uitleg die wordt gegeven aan het begrip ‘bebouwde kom’ in de Wet geurhinder en veehouderij (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1368).     

    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 3 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR3990), kan het begrip bebouwde kom volgens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet geurhinder en veehouderij worden omschreven als het gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft en waarin veel mensen per oppervlakte-eenheid ook daadwerkelijk wonen of verblijven. De grens van de bebouwde kom wordt bepaald door de aard van de omgeving. Binnen een bebouwde kom is de op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing geconcentreerd tot een samenhangende structuur (Kamerstukken II 2005-2006, 30 453, nr. 3, blz. 17 en 18).

    Aldus moet de vraag of een perceel in de bebouwde kom is gelegen, worden beantwoord aan de hand van de feiten en de omstandigheden van het concrete geval. Dat in de op 23 april 2013 door de gemeenteraad vastgestelde Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Nuth 2013 (hierna: de geurverordening) het gebied ten zuiden van de weg Groot-Haasdal is aangemerkt als gelegen buiten de bebouwde kom en het gebied ten noorden daarvan als gelegen binnen de bebouwde kom, heeft dan ook geen betekenis. Aan de gemeentelijke Gebiedsvisie, die op dezelfde datum is vastgesteld, en het Provinciaal Omgevingsplan Limburg komt daarom evenmin betekenis toe.     

    De Afdeling ziet geen aanleiding om, zoals ter zitting door het college is betoogd, voor de beantwoording van de vraag of de woningen op de percelen [locatie 2], 9 en 9A binnen dan wel buiten de bebouwde kom liggen, het gehele grondgebied van Groot-Haasdal en Klein Haasdal te betrekken alsmede de samenhang tussen alle bebouwing, de wegenstructuur en de agrarische gronden. Voor de beantwoording van genoemde vraag is immers slechts bepalend de aard van de bebouwing aan de weg Groot-Haasdal ter hoogte van genoemde woningen en de omgeving daarvan.

    De woningen op de percelen [locatie 2], [locatie 4] en [locatie 3] liggen ten westen van het perceel van de [appellante sub 2]. De bebouwing kenmerkt zich als lintbebouwing met achterliggende agrarische gronden. De bebouwing en tuinen grenzen aan elkaar en tussen de bebouwing liggen geen stukken weiland en landbouwgrond. De bebouwing aan de weg Groot-Haasdal is nabij het veehouderijbedrijf derhalve aaneengesloten. De omstandigheid dat ter hoogte van onder meer de Platzenputterweg en de Veltjesweg enige openheid bestaat, doet hieraan niet af. Gezien het voorgaande moet worden geconcludeerd dat de bebouwing geconcentreerd is en een samenhangende structuur heeft.

    Verder moet worden geconcludeerd dat de bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft. Het college en [appellante sub 2] hebben er weliswaar op gewezen dat op de percelen Groot-Haasdal 13, 15, 15A en 25 en Veltjensweg 1 enkele dieren als schapen, kippen, geiten of paarden dan wel pony’s, worden gehouden, maar zij hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze dieren anders dan hobbymatig worden gehouden. Wat betreft het perceel Platzputterweg 7 heeft [wederpartij] ter zitting betwist dat daarop 15 koeien worden gehouden. Het zou volgens hem gaan om 15 paarden. Nog daargelaten dat het perceel Platzputterweg 7 op honderden meters ten zuiden van het veehouderijbedrijf ligt, overweegt de Afdeling dat welke soort dieren op het perceel Platzputterweg 7 ook worden gehouden, het college en [appellante sub 2] niet aannemelijk hebben gemaakt dat de bebouwing aan de weg Groot-Haasdal niet overwegend een woon- en verblijffunctie heeft.    

    Gelet op het vorenoverwogene is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat de woningen [locatie 2], 9 en 9A in de bebouwde kom liggen. De stelling van het college dat de afstand van de veestal van [appellante sub 2] tot de dichtstbijzijnde dorpskern niet meer dan ongeveer 1,5 km bedraagt, waarvan [wederpartij] de juistheid heeft betwist, doet hieraan niet af.

     De betogen falen.

3.    De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.    Het college dient ten aanzien van [wederpartij] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Nuth een griffierecht van € 503,00 (zegge: vijfhonderddrie euro) wordt geheven;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Nuth tot vergoeding van bij [wederpartij A], [wederpartij B] en [wederpartij C] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Borman    w.g. Van Heusden

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2017

163.