Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1511

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
07-06-2017
Zaaknummer
201605393/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2016:2907, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 januari 2015 heeft het college het verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/2887
Module Ruimtelijke ordening 2017/7834 met annotatie van M.G.O. De lange
JOM 2017/595
JGROND 2017/56 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
OGR-Updates.nl 2017-0118 met annotatie van Berthy van den Broek
Jurisprudentie Grondzaken 2017/56 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201605393/1/A2.

Datum uitspraak: 7 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 31 mei 2016 in zaak nr. 15/3054 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Woudenberg.

Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2015 heeft het college het verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 30 april 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 mei 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 april 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. T. van der Weijde, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door B. Bouwman, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] heeft op 4 april 2005 de woning met perceel aan de [locatie 1] te Woudenberg aangekocht. De woning lag op dat moment aan de noordelijke rand van Woudenberg en vanuit de woning had [appellant] vrij uitzicht.

    Op 29 oktober 2009 is het bestemmingsplan "Het Groene Woud" in werking getreden. Dit bestemmingsplan maakt de bouw van een nieuwe woonwijk mogelijk op gronden ten noorden en ten noordoosten van de Laan 1940-1945.

    Bij brief van 4 december 2013 heeft [appellant] verzocht om een vergoeding van planschade ten gevolge van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Volgens hem heeft dit geleid tot verlies van zijn vrije uitzicht, ontneming van zon- en daglicht en een aantasting van zijn privacy.

    Op 10 september 2013 heeft hij de woning verkocht.

Advies en besluitvorming

2.    Het college heeft advies gevraagd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ). De SAOZ heeft in een advies van december 2004 vermeld dat Provinciale Staten van Utrecht bij een besluit van 13 december 2004 het Streekplan 2005-2015 (hierna: het Streekplan) hebben vastgesteld. Daarin is aangegeven dat de kern Woudenberg, nabij de Laan 1940-1945, kan worden uitgebreid met in totaal 280 woningen. Gelet hierop kon [appellant] per 13 december 2004 ermee bekend zijn dat ter plaatse de situatie in ongunstige zin zou veranderen. Aangezien [appellant] de woning heeft aangekocht ná die datum, had hij de planologische nadelen ten tijde van de aankoop kunnen voorzien en heeft hij het risico aanvaard dat zijn woning hierdoor in waarde zou verminderen. Daarom dient de aanvraag om een tegemoetkoming in planschade te worden afgewezen, aldus het advies.

    Het college heeft dit advies ten grondslag gelegd aan het besluit van 14 januari 2015. Bij besluit van 30 april 2015 heeft het college het besluit van 14 januari 2015 gehandhaafd, onder verbetering van de motivering.

Hoger beroep

- Voorzienbaarheid

3.    [appellant] betoogt allereerst dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich terecht, onder verwijzing naar het advies van de SAOZ, op het standpunt heeft gesteld dat de woningbouw nabij de Laan 1940-1945 voor hem voorzienbaar was ten tijde van de aankoop van zijn woning. Hij voert daartoe aan dat op grond van de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Wet Stankemissie), van kracht geworden voor zover hier van belang door de inwerkingtreding van het Reconstructieplan Gelderse Vallei/Utrecht-Oost op 17 maart 2005, binnen een contour van 100 m van maneges geen woningen mochten worden gebouwd. Aangezien in het plangebied op een afstand van tussen de 50 en 100 m van de uitbreidingslocatie een manege is gevestigd, die ook als zodanig was bestemd in het oude bestemmingsplan, was uitbreiding op grond van die wet onmogelijk geworden. Daarom hoefde hij op het moment van aankoop van de woning op 4 april 2005 geen rekening te houden met woningbouw nabij zijn woning, aldus [appellant].

3.1.     De relevante bepalingen van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro, luiden als volgt.

Artikel 6.1

1. Burgemeester en wethouders kennen degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

2. Een oorzaak als bedoeld in het eerste lid is:

a. een bepaling van een bestemmingsplan, […].

Artikel 6.3.

Met betrekking tot de voor tegemoetkoming in aanmerking komende schade betrekken burgemeester en wethouders bij hun beslissing op de aanvraag in ieder geval:

a. de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak;

b. […].

3.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld (uitspraken van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582 en van 23 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:757) dient de voorzienbaarheid van een planologische wijziging beoordeeld te worden aan de hand van het antwoord op de vraag of ten tijde van de investeringsbeslissing, bijvoorbeeld ten tijde van de aankoop van de onroerende zaak, voor een redelijk denkend en handelend koper, aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft.

3.3.    Op pagina 154 van het Streekplan is het volgende vermeld:

    "[…] Naast het benutten van restcapaciteiten en de beperkte transformatie/herstructureringsmogelijkheden kan de kern aan de noordoostkant van Woudenberg nabij de Laan 1940-1945 worden uitgebreid. Het gaat daarbij om een locatie van in totaal 280 woningen, waarvan 200 woningen binnen de looptijd van het streekplan tot 2015 kunnen worden gebouwd […]".

    Op de plankaart is deze locatie aangegeven. Deze locatie komt overeen met de locatie van de woningbouw, die door het bestemmingsplan "Het Groene Woud" mogelijk is gemaakt.

3.4.    Nu in het Streekplan het duidelijke en concrete beleidsvoornemen is opgenomen om de kern Woudenberg nabij Laan 1940-1945 uit te breiden met woningbouw en dit plan is vastgesteld en openbaar gemaakt vóórdat [appellant] zijn woning heeft aangekocht, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [appellant] op het moment van de aankoop van zijn woning kon voorzien dat ter plaatse woningbouw zou worden gerealiseerd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de omstandigheid dat vanaf 17 maart 2005 op grond van de Wet Stankemissie een afstand van 100 m ten opzichte van de manege in acht moest worden genomen, niet betekent dat [appellant] er niet langer rekening mee moest houden dat woningbouw zou worden gerealiseerd op de locatie nabij de Laan 1940-1945. Niet is gebleken dat provinciale staten van Utrecht definitief hadden afgezien van dit voornemen. De mogelijkheid bestond dat in de toekomst, door feitelijke veranderde omstandigheden of door juridische ontwikkelingen, zoals ingeval van intrekking van beperkende milieuregelgeving, alsnog de nieuwe woningen zouden worden gebouwd, zoals hier ook is gebeurd.

    Het betoog faalt.

- Gelijkheidsbeginsel

4.    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft verworpen. [appellant] verwijst naar een brief van juridisch adviesbureau Maat & Ruijgrok van 18 mei 2012, waaruit blijkt dat het college tegemoetkomingen in planschade heeft toegekend van gemiddeld € 9.000,00 aan bewoners van de Laan 1940-1945 die vanaf 2007 eigenaar zijn geworden. Volgens hem valt niet uit te sluiten dat ook bewoners die vóór 2007 eigenaar zijn geworden, tegemoetkomingen hebben ontvangen.

4.1.    Anders dan [appellant] heeft aangevoerd kan uit de brief van 18 mei 2012 niet worden afgeleid dat het college tegemoetkomingen in planschade heeft toegekend aan bewoners die in een vergelijkbare situatie hebben verkeerd als [appellant]. In die brief wordt slechts door Maat & Ruijgrok in algemene bewoordingen gesteld dat eigenaren van woningen die zijn gelegen in de nabijheid van de woning van [appellant] wel zijn ingegaan op het aanbod van Maat & Ruijgrok om een planschadeprocedure te starten en dat zij planschadevergoedingen toegekend hebben gekregen. Daarin wordt een laatste aanbod gedaan aan [appellant] om namens hem een planschadeprocedure te starten, op de voorwaarde dat hij eigenaar is geworden ná 2007. In die brief is niet nader geconcretiseerd om welke bewoners het gaat, welke bedragen zijn uitgekeerd en in welke omstandigheden deze bewoners hebben verkeerd. Daarnaast heeft het college ook ter zitting bij de Afdeling verklaard dat de verzoeken om planschadevergoeding van de toenmalige eigenaren van de woningen [locatie 2] en [locatie 3], zijnde de voormalige buren van [appellant], die in een vergelijkbare situatie hebben verkeerd als [appellant], zijn afgewezen, omdat ook voor hen de ontwikkeling voorzienbaar is geweest, nu zij op 25 augustus 2005 en 3 mei 2005 de woningen hadden aangekocht.

    Gelet hierop heeft de rechtbank terecht het beroep op het gelijkheidsbeginsel verworpen.

    Het betoog faalt.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. F. Nales, griffier.

w.g. Michiels    w.g. Nales

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2017

680.