Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1509

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
07-06-2017
Zaaknummer
201604222/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:3024, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 november 2014 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het kappen en de herplant van één boom in de Stephensonstraat en drie bomen in de Wattstraat te Schiedam.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/2891
AB 2017/400 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Milieurecht Totaal 2017/6636
Omgevingsvergunning in de praktijk 2017/7689
JOM 2017/606
JGROND 2017/68 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Jurisprudentie Grondzaken 2017/68 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201604222/1/A1.

Datum uitspraak: 7 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], [appellant B] en [appellant C], allen wonend te Schiedam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 april 2016 in zaak nr. 15/4053 in het geding tussen:

[appellant A]

en

het college van burgemeester en wethouders van Schiedam.

Procesverloop

Bij besluit van 20 november 2014 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het kappen en de herplant van één boom in de Stephensonstraat en drie bomen in de Wattstraat te Schiedam.

Bij besluit van 20 mei 2015 heeft het college opnieuw besloten op het daartegen gemaakte bezwaar en, voor zover thans van belang, het bezwaar, voor zover gemaakt door [appellant A] niet-ontvankelijk verklaard en, voor zover gemaakt door [appellant B] en [appellant C], niet-ontvankelijk verklaard voor zover het bezwaar betrekking heeft op de boom in de Stephensonstraat en ongegrond verklaard voor zover het bezwaar betrekking heeft op de drie bomen in de Wattstraat.

Bij uitspraak van 25 april 2016 heeft de rechtbank het door [appellant A] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A], [appellant B] en [appellant C] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 maart 2017, waar [appellant A] en het college, vertegenwoordigd door mr. D.L. van Popering en ing. J.C. de Kruijf, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Bij het besluit van 20 mei 2015 heeft het college het tegen het besluit van 20 november 2014 gemaakte bezwaar, voor zover gemaakt door [appellant A], niet-ontvankelijk verklaard, omdat [appellant A] volgens het college geen belanghebbende is bij dat besluit. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat [appellant A] op ruim 100 m afstand van de dichtstbijzijnde boom en op grotere afstand van de andere drie bomen woont. Volgens het college bestaat er vanaf zijn woonadres geen zicht op de te kappen bomen. De omstandigheid dat [appellant A] hobbymatig bijen houdt, die een afstand van 3 tot 5 km vanaf de bijenkast afleggen, maakt hem volgens het college geen belanghebbende.

    Bij de uitspraak van 25 april 2016 heeft de rechtbank beslist op het beroep van [appellant A] en geoordeeld dat het college het bezwaar van [appellant A] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat hij geen belanghebbende is bij het besluit van 20 november 2014.

2.    Ingevolge artikel 8:104, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan een belanghebbende hoger beroep instellen tegen de aangevallen uitspraak. De Afdeling overweegt ambtshalve dat Boom en [appellant C] geen belanghebbenden als bedoeld in die bepaling zijn bij de aangevallen uitspraak, omdat in die uitspraak niet is beslist op het door hen ingestelde beroep. Het hoger beroep, voor zover ingesteld door hen, is niet-ontvankelijk.

3.    [appellant A] betoogt dat hij, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, wel belanghebbende is bij het besluit van 20 november 2014. Daartoe voert hij aan dat zijn bijen wel 3 km ver vliegen.

3.1.    Artikel 1:2, eerste lid van de Awb luidt: "Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."

    Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het besluit.

4.    De rechtbank heeft terecht, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 11 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV0559, overwogen dat in de regel bij een besluit tot verlening van een kapvergunning slechts degene die op geringe afstand van de bomen woont, of vanuit zijn woning daarop zicht heeft, als belanghebbende wordt aangemerkt, hetgeen bij [appellant A] niet het geval is.

    Vervolgens heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de omstandigheid dat [appellant A] hobbymatig bijen houdt, niet maakt dat hij toch als belanghebbende moet worden aangemerkt bij de kap en de herplant van de vier bomen in de Stephensonstraat en de Wattstraat. De gevolgen van de kap en de herplant van vier bomen binnen een straal van 3 km rondom de bijenkasten van [appellant A] zijn verwaarloosbaar klein in verhouding tot de totale hoeveelheid bomen die binnen die straal aanwezig is. [appellant A] wordt dan ook niet in zijn belangen geraakt door het besluit van 20 november 2014. Het college heeft terecht zijn bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij geen belanghebbende is bij dat besluit. De rechtbank is terecht tot dit oordeel gekomen.

    Het betoog faalt.

5.    Aangezien het bezwaar van [appellant A], gelet op het voorgaande, terecht niet-ontvankelijk is verklaard, behoeven de inhoudelijke hogerberoepsgronden over de kap en de herplant van de bomen geen bespreking.

6.    Zoals onder 2 overwogen, is het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant B] en [appellant C], niet-ontvankelijk. Het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant A], is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk, voor zover ingesteld door [appellant B] en [appellant C];

II.    bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier.

w.g. Lubberdink    w.g. Kors

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2017

687.