Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1507

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
07-06-2017
Zaaknummer
201606557/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:5439, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 januari 2015 heeft de minister het verzoek van [appellante] om herziening van het besluit van 11 mei 2010, kenmerk 071020907/04, (hierna: het verzoek) afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Wet arbeid vreemdelingen
Wet arbeid vreemdelingen 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2017/323 met annotatie van R. Ortlep
JV 2017/192 met annotatie van dr. R.H. van Ooik
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201606557/1/V6.

Datum uitspraak: 7 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 juli 2016 in zaak nr. 15/4945 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2015 heeft de minister het verzoek van [appellante] om herziening van het besluit van 11 mei 2010, kenmerk 071020907/04, (hierna: het verzoek) afgewezen.

Bij besluit van 30 juni 2015 heeft de minister het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 juli 2016 heeft de rechtbank het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 maart 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. H.J. Breeman en mr. B. Megens, beiden advocaat te Rotterdam, en mr. C.W.J. Abrahamse, en de minister, vertegenwoordigd door mr. G.A.A.M. Zwagemakers, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2.    Bij besluit van 11 mei 2010 heeft de minister aan [appellante] een boete opgelegd van € 264.000,00, wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav). Daaraan lag ten grondslag dat uit door inspecteurs van de Arbeidsinspectie (thans: de Inspectie SZW) gehouden onderzoeken is gebleken dat 29 vreemdelingen van Turkse nationaliteit, twee vreemdelingen van ex-Joegoslavische nationaliteit, een vreemdeling van Marokkaanse nationaliteit en een vreemdeling van Macedonische nationaliteit (hierna tezamen: de vreemdelingen) tussen 1 januari 2008 en 20 mei 2008 bij een nevenvestiging van [bedrijf A] arbeid hebben verricht, bestaande uit het opbouwen van steigers. [appellante] had de opdracht voor deze werkzaamheden aangenomen van [bedrijf A]. [appellante] heeft ter uitvoering van deze opdracht de vreemdelingen ingeleend van [bedrijf B], gevestigd te Keulen, de Duitse onderneming waarbij de vreemdelingen in dienst waren. Voor de door de vreemdelingen bij [bedrijf A] verrichte arbeid waren noch aan [appellante] en [bedrijf A], noch aan [bedrijf B] Nederlandse tewerkstellingsvergunningen afgegeven.

    De minister heeft voorts bij afzonderlijk besluit van 11 mei 2010 een boete van € 264.000,00 aan [bedrijf A] opgelegd.

    De minister heeft de door [appellante] en [bedrijf A] gemaakte bezwaren tegen de besluiten van 11 mei 2010, bij afzonderlijke besluiten van 17 en 22 december 2010 ongegrond verklaard. Aan deze beslissingen op bezwaar is ten grondslag gelegd dat de dienstverrichting door [bedrijf B] louter heeft bestaan uit het ter beschikking stellen van arbeidskrachten, zodat [appellante] en [bedrijf A] als werkgevers van de vreemdelingen over tewerkstellingsvergunningen dienden te beschikken. [appellante] heeft geen beroep ingesteld tegen het besluit van 17 december 2010, zodat dit in rechte onaantastbaar is.

    [bedrijf A] heeft daarentegen wel rechtsmiddelen tegen het besluit van 22 december 2010 ingesteld. [bedrijf A] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 27 september 2011, waarbij haar beroep tegen dat besluit ongegrond is verklaard. Bij verwijzingsuitspraak van 20 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ1632, heeft de Afdeling aan het Hof van Justitie (hierna: het Hof) prejudiciële vragen gesteld. Bij arrest van 11 september 2014 (hierna: het arrest [bedrijf A]), ECLI:EU:C:2014:2206, heeft het Hof voor recht verklaard dat de artikelen 56 en 57 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat zoals die in het hoofdgeding, op grond waarvan een tewerkstellingsvergunning is vereist voor de terbeschikkingstelling van werknemers die onderdaan zijn van een derde land door een in een andere lidstaat gevestigde onderneming aan een in die eerste lidstaat gevestigde inlenende onderneming, die deze werknemers inzet om werkzaamheden te verrichten voor rekening van een andere onderneming, die ook in die lidstaat is gevestigd. Bij einduitspraak van 12 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4028, heeft de Afdeling overwogen dat gelet op het arrest, het betoog van [bedrijf A] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de haar opgelegde boete in strijd is met de artikelen 56 en 57 van het VWEU, slaagt. De Afdeling heeft daarom het besluit van 22 december 2010 vernietigd en het besluit van 11 mei 2010, waarbij de boete aan [bedrijf A] is opgelegd, herroepen.

    [appellante] heeft het verzoek op 15 oktober 2014 ingediend, waarbij zij heeft verwezen naar het arrest [bedrijf A].

3.    De minister heeft in het besluit van 30 juni 2015, het besluit om het verzoek niet in te willigen gehandhaafd. Daarbij heeft de minister toepassing gegeven aan artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en heeft hij beoordeeld of [appellante] ter onderbouwing van het verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht die voor hem aanleiding hadden moeten zijn om terug te komen van zijn besluit van 11 mei 2010. Volgens de minister doen die feiten of omstandigheden zich niet voor.

    De minister heeft uiteengezet dat het Unierecht, overeenkomstig het rechtszekerheidsbeginsel, niet eist dat een bestuursorgaan in beginsel moet terugkomen van een besluit dat definitief is geworden na het verstrijken van redelijke beroepstermijnen of na uitputting van alle rechtsmiddelen. De inachtneming van dit beginsel voorkomt dat bestuurshandelingen die rechtsgevolgen teweegbrengen, onbeperkt in het geding kunnen worden gebracht. Op grond van het arrest van het Hof van 13 januari 2004, Kühne & Heitz N.V, ECLI:EU:C:2004:17, is een bestuursorgaan verplicht een definitief geworden beslissing te heroverwegen indien aan vier vereisten wordt voldaan. Reeds omdat [appellante] niet heeft voldaan aan het vereiste dat zij heeft doorgeprocedeerd tot aan de hoogste nationale rechter, bestaat geen aanleiding om tot heroverweging over te gaan.

    Het arrest van het Hof van 19 september 2006, Arcor, ECLI:EU:C:2006:586, geeft volgens de minister evenmin aanleiding tot heroverweging, omdat de opgelegde boete niet een maatregel is die naar nationaal recht onrechtmatig was en voorts ten tijde van de oplegging van de boete niet overduidelijk was dat de eis van een tewerkstellingsvergunning zoals Nederland die stelt voor ter beschikking gestelde arbeidskrachten uit derde landen in strijd zou worden geacht met het vrij verkeer van diensten, als bedoeld in artikel 56 en 57 van het VWEU. Bovendien volgt uit punt 65 van dat arrest dat het beginsel van gelijke behandeling niet wordt geschonden wanneer geen gebruik is gemaakt van het recht tegen een besluit op te komen.

    Verder slaagt het beroep van [appellante] op het arrest van het Hof van 4 oktober 2012, Byankov, ECLI:EU:C:2012:608, niet, omdat volgens de minister niet kan worden volgehouden dat het besluit om de boete niet terug te betalen voor onbeperkte duur geldt en onbeperkt rechtsgevolgen blijft sorteren.

In het hoger beroep van [appellante]

4.    [appellante] betoogt dat met het arrest [bedrijf A], de rechtsgrond aan de boeteoplegging is komen te ontvallen. Dat het besluit van 11 mei 2010 in rechte onaantastbaar is, doet daar volgens [appellante] niet aan af. De vereisten zoals deze in het arrest Kühne en Heitz zijn geformuleerd zijn niet van toepassing in situaties zoals die zich voordoen in de arresten Arcor en Byankov. Gelet op die arresten is de minister gehouden om tot intrekking van de boete van 11 mei 2010 over te gaan en de rechtbank heeft dat niet onderkend, aldus [appellante].

5.    Tussen partijen staat vast dat het arrest Kühne en Heitz niet tot heroverweging van het boetebesluit noopt. De Afdeling onderschrijft dat oordeel, waartoe ook de rechtbank is gekomen. Daartoe is het volgende redengevend.

5.1.    In het arrest Kühne en Heitz staat:

    (24)    'Er zij aan herinnerd, dat de rechtszekerheid tot de in het gemeenschapsrecht erkende algemene beginselen behoort. Dat een besluit van een bestuursorgaan definitief wordt na het verstrijken van een redelijke beroepstermijn of na uitputting van alle rechtsmiddelen, draagt bij aan die zekerheid. Bijgevolg vereist het gemeenschapsrecht niet dat een bestuursorgaan in beginsel moet terugkomen op een besluit dat aldus definitief is geworden.'

    (28)    'Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vraag worden geantwoord, dat een bestuursorgaan ingevolge het in artikel 10 EG vervatte samenwerkingsbeginsel een definitief geworden besluit desgevraagd opnieuw moet onderzoeken teneinde rekening te houden met de uitlegging die het Hof inmiddels aan de relevante bepaling van het gemeenschapsrecht heeft gegeven, wanneer:

    - hij naar nationaal recht bevoegd is om op dat besluit terug te komen;

    - het in geding zijnde besluit definitief is geworden ten gevolge van een uitspraak van een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep;

    - voormelde uitspraak, gelet op latere rechtspraak van het Hof, berust op een onjuiste uitlegging van het gemeenschapsrecht, gegeven zonder dat het Hof overeenkomstig artikel 234, derde alinea, EG is verzocht om een prejudiciële beslissing, en

    - de betrokkene zicht tot het bestuursorgaan heeft gewend onmiddellijk na van die rechtspraak kennis te hebben genomen.'

5.2.    Aangezien [appellante] geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het besluit van 17 december 2010, is niet aan de vier in het arrest Kühne en Heitz vermelde voorwaarden voldaan. De rechtbank heeft derhalve terecht vastgesteld dat het arrest in deze zaak niet noopt tot heroverweging van het boetebesluit.

    Hoewel de rechtbank is ingegaan op de betekenis van het arrest Kühne en Heitz, heeft zij deze niet als uitgangspunt voor haar uitspraak genomen. Het betoog van [appellante] dat de rechtbank dat wel heeft gedaan, berust op een onjuiste lezing van de aangevallen uitspraak.

6.    [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat uit het arrest Arcor voortvloeit dat een arrest van het Hof dat wordt gewezen nadat een besluit is genomen en waaruit voortvloeit dat dat besluit is genomen in strijd met Europees recht, zoals in dit geval het arrest [bedrijf A], een novum is dat op de voet van artikel 4:6 van de Awb noopt tot heroverweging van dat besluit.

6.1.    In het arrest Arcor is het volgende overwogen:

    (63)    'Hieruit volgt dat indien de nationale regels inzake beroepen een verplichting opleggen om een bestuurshandeling die naar nationaal recht onrechtmatig is, in te trekken, ook al is zij definitief geworden, wanneer de handhaving van deze handeling absoluut onaanvaardbaar zou zijn, dezelfde verplichting tot intrekking in gelijkwaardige omstandigheden moet bestaan wanneer een bestuurshandeling niet in overeenstemming is met het gemeenschapsrecht.'

6.2.    In het arrest Arcor was Duitse wetgeving aan de orde. Die wetgeving verplicht een Duits bestuursorgaan tot intrekking van een onrechtmatige bestuurshandeling, ook al is zij definitief geworden, wanneer de handhaving van deze handeling absoluut onaanvaardbaar zou zijn. De overwegingen van het Hof in het arrest zijn niet zonder meer op deze zaak van toepassing, reeds omdat het Nederlandse bestuursrecht, in het bijzonder de Awb, een dergelijke bepaling niet kent.

6.3.    In het Nederlandse recht is het volgende van toepassing. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3131.

    Uitgangspunt is dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan zo'n aanvraag inwilligen of afwijzen. Hetzelfde geldt, als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit. Een bestuursorgaan mag dit ook als de rechtzoekende aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Het bestuursorgaan kan er ingevolge artikel 4:6, tweede lid, van de Awb ook nog steeds voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, de herhaalde aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Hetzelfde geldt, als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit.

    Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat afwijzing van de aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is. Als het bestuursorgaan beleid voert, toetst de bestuursrechter in de eerste plaats of het bestuursorgaan een juiste toepassing heeft gegeven aan zijn beleid. Als het bestuursorgaan zulk beleid niet voert en het hierover in het besluit ook geen standpunt heeft ingenomen, dan zal de bestuursrechter het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen zodanig standpunt alsnog in te nemen.

6.4.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat op grond van artikel 4:6 van de Awb, het bestuursorgaan een definitief geworden besluit dient te heroverwegen indien sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en voorts dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 17 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4551, volgt dat een rechterlijke uitspraak niet kan worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit, een veranderde omstandigheid of een wijziging van het recht. Dat betekent dat de rechtbank het arrest [bedrijf A] terecht niet als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid heeft aangemerkt. Dit betekent evenzeer dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het arrest [bedrijf A] de minister niet verplicht tot intrekking van het boetebesluit.

    De stelling van [appellante], dat het boetebesluit naar huidig recht niet kan worden genomen en daarom naar huidig recht niet in stand kan blijven, is op zichzelf genomen onvoldoende zwaarwegend voor het oordeel dat de beslissing van de minister om niet van zijn boetebesluit terug te komen, evident onredelijk is. In dit verband is van belang dat, zoals ook de rechtbank terecht heeft overwogen, [appellante] de mogelijkheid heeft gehad om tegen het boetebesluit rechtsmiddelen aan te wenden en zij dat niet heeft gedaan. [appellante] heeft geen bijzondere feiten of omstandigheden gesteld die nopen tot het oordeel dat de minister in dit geval minder belang moet toekennen aan de rechtszekerheid dan aan het belang van [appellante] bij heroverweging van het boetebesluit.

7.    [appellante] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat de minister, gegeven het arrest Byankov, verplicht is om op grond van het arrest [bedrijf A] en op grond van de Unierechtelijke beginselen van loyale samenwerking, gelijkheid en doeltreffendheid, het boetebesluit te herzien. Immers, indien een onverenigbaarverklaring van de boetebepaling van de Wav wegens strijd met Unierecht niet kan leiden tot herziening van het boetebesluit, wordt uitoefening van haar rechten die aan dat Unierecht zijn ontleend, onmogelijk of uiterst moeilijk gemaakt, aldus [appellante]. Het wordt haar, volgens [appellante], dan onmogelijk gemaakt om naar nationaal recht een redressering van een inbreuk op de Verdragsvrijheden te bewerkstelligen.

7.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat het arrest Byankov, gelet op de bijzondere aspecten van die zaak, geen gelding voor [appellante] heeft. Anders dan in de zaak Byankov levert de opgelegde boete voor [appellante] geen voortdurende belemmering op, die nooit kan worden opgeheven, van de vrijheden die het Unierecht waarborgt.

    De belemmering die tot het arrest [bedrijf A] heeft geleid, is met dat arrest opgeheven. Dat, zoals [appellante] ter zitting bij de Afdeling heeft gesteld, zij de gevolgen van de boeteoplegging nog immer voelt en dan met name in financiële zin, staat niet gelijk aan de rechtsgevolgen van het verbod dat in het arrest Byankov aan de orde was en waarbij, zolang dat niet was opgeheven, deze zich voortdurend vernieuwen en zij onbeperkt blijven voortduren. Zie punt 44 van dat arrest.

8.    Gezien het voorgaande heeft de rechtbank evenzeer terecht overwogen dat, gelet op het arrest van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, geen aanleiding bestaat tot het stellen van prejudiciële vragen. De opgeworpen vraag kan immers worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. De Afdeling ziet om dezelfde reden geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen.

9.    Het voorgaande betekent dat het betoog van [appellante], dat de rechtbank heeft miskend dat het arrest Kühne en Heitz in haar geval niet van toepassing is en dat de rechtbank de reikwijdte van de arresten Arcor en Byankov heeft miskend, faalt.

10.    [appellante] heeft in hoger beroep voorts betoogd dat de rechtbank ten onrechte het ne [appellante]-beoordelingskader heeft toegepast, omdat de minister het verzoek in zijn besluiten inhoudelijk heeft afgewezen. Bovendien was ook de minister, gelet op voormelde uitspraak van 23 november 2016 gehouden om het verzoek inhoudelijk te beoordelen, aldus [appellante].

10.1.    Uit voormelde uitspraak van 23 november 2016 volgt dat de Afdeling haar rechtspraak over herhaalde aanvragen en verzoeken om terug te komen van een in rechte onaantastbaar besluit, zoals in deze zaak aan de orde, met onmiddellijke ingang heeft aangepast. Deze aanpassing houdt onder meer in dat in zaken waarin het bestuursorgaan de herhaalde aanvraag, of een verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbaar besluit, op inhoudelijke gronden heeft afgewezen, de bestuursrechter het besluit op die aanvraag toetst aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden als ware dit het eerste besluit over die aanvraag. Anders dan voorheen beoordeelt de bestuursrechter dus niet meer ambtshalve of wat een rechtzoekende aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

10.2.    Met de uitspraak van 23 november 2016 is slechts het kader voor de rechterlijke beoordeling dan wel de rechterlijke toetsing neergelegd. De wijze waarop een bestuursorgaan een aanvraag of een verzoek om heroverweging beoordeelt is ongemoeid gelaten. De discretionaire bevoegdheid om artikel 4:6 van de Awb toe te passen blijft daarmee aan het bestuursorgaan voorbehouden. De vraag of het bestuursorgaan terecht artikel 4:6 van de Awb heeft toegepast, omdat het bestuursorgaan zich op het standpunt stelt dat de aanvrager geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd, kan vervolgens worden onderworpen aan rechterlijke toetsing. De bestuursrechter kan voorts aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.

    Het betoog van [appellante] ter zitting bij de Afdeling dat de minister, gelet op voormelde uitspraak van 23 november 2016, gehouden is om het verzoek alsnog te beoordelen aan de hand van de door [appellante] aangedragen beroeps- en hogerberoepsgronden, faalt reeds hierom.

    De minister heeft in zijn besluiten steeds beoordeeld of het arrest [bedrijf A] een novum vormt dat noopt tot heroverweging van zijn eerdere boetebesluit en of de door [appellante] aangedragen arresten tot heroverweging daarvan nopen. Anders dan [appellante] stelt, heeft de minister daarmee het verzoek niet inhoudelijk beoordeeld en heeft hij zich beperkt tot een oordeel of hetgeen [appellante] heeft aangedragen een novum vormt.

    De rechtbank heeft derhalve terecht getoetst of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd. Nu, zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, het arrest [bedrijf A] geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid, als hiervoor bedoeld, is, de arresten Arcor en Byankov geen ander licht daarop werpen en hetgeen [appellante] heeft aangevoerd niet tot het oordeel noopt dat het besluit van 30 juni 2015 evident onredelijk is, heeft de rechtbank het inleidend beroep terecht ongegrond verklaard.

11.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Woestenburg-Bertels, griffier.

w.g. Parkins-de Vin    w.g. Woestenburg-Bertels

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2017

501. BIJLAGE

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 56

In het kader van de volgende bepalingen zijn de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Unie verboden ten aanzien van de onderdanen der lidstaten die in een andere lidstaat zijn gevestigd dan die, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht.

Het Europees Parlement en de Raad kunnen, volgens de gewone wetgevingsprocedure, de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing verklaren ten gunste van de onderdanen van een derde staat die diensten verrichten en binnen de Unie zijn gevestigd.

Artikel 57

In de zin van de Verdragen worden als diensten beschouwd de dienstverrichtingen welke gewoonlijk tegen vergoeding geschieden, voorzover de bepalingen, betreffende het vrije verkeer van goederen, kapitaal en personen op deze dienstverrichtingen niet van toepassing zijn.

De diensten omvatten met name werkzaamheden:

a. van industriële aard,

b. van commerciële aard,

c. van het ambacht,

d. van de vrije beroepen.

Onverminderd de bepalingen van het hoofdstuk betreffende het recht van vestiging, kan degene die de diensten verricht, daartoe zijn werkzaamheden tijdelijk uitoefenen in de lidstaat waar de dienst wordt verricht, onder dezelfde voorwaarden als die welke die lidstaat aan zijn eigen onderdanen oplegt.

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 4:6

1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.