Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1489

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
07-06-2017
Zaaknummer
201603934/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2016:3288, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 september 2014 heeft het college een verzoek van [appellant] om zijn auto in de directe nabijheid van zijn schip te kunnen parkeren afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201603934/1/A3.

Datum uitspraak: 7 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Lelystad,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 26 april 2016 in zaak nr. 15/2397 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Lelystad.

Procesverloop

Bij besluit van 10 september 2014 heeft het college een verzoek van [appellant] om zijn auto in de directe nabijheid van zijn schip te kunnen parkeren afgewezen.

Bij besluit van 16 april 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 april 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 mei 2017, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] heeft een charterbedrijf. Hij woont op zijn schip in de Bataviahaven. [appellant] wenst zijn auto in de directe nabijheid van zijn schip te parkeren aan de onderdam van de boulevard. Ter plaatse geldt een parkeerverbod. [appellant] beschikt over een ontheffing om zijn auto daar gedurende de wintermaanden, de periode van 1 oktober tot 1 april, te kunnen parkeren. Hij wenst ook in de zomermaanden, in de periode van 1 april tot 1 oktober, aan de onderdam te kunnen parkeren.

    In hoger beroep is aan de orde de vraag of het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren ontheffing te verlenen van het parkeerverbod voor de zomermaanden.

Wettelijk kader

2.    Artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) luidt: "Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een (…) verbod inhouden."

    Artikel 87 luidt: "Door het bevoegd gezag kan ontheffing worden verleend van (…) artikel 62, voor zover het betreft de verkeerstekens (…) E1 (…)."

    Verkeersteken E1 houdt een parkeerverbod in.

Hogerberoepsgronden [appellant]

3.    [appellant] voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren ontheffing te verlenen. Hij voert daartoe onder andere aan dat de onderdam geen voetgangersgebied is, dat één geparkeerde auto het aanzicht niet aantast, dat de veiligheidsdiensten nooit via de onderdam rijden en dat voor precedentwerking niet behoeft te worden gevreesd.

Oordeel Afdeling

4.    Het college heeft bij een beslissing omtrent het verlenen van ontheffing beleidsruimte en dient de betrokken belangen af te wegen. De rechter toetst of het college bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot die beslissing heeft kunnen komen

4.1.    Het college heeft geen beleid vastgesteld over de wijze waarop het gebruik maakt van zijn bevoegdheid tot het verlenen van de ontheffing als bedoeld in artikel 87 van het RVV 1990. Het ontbreken van beleid betekent, anders dan [appellant] betoogt, niet dat het college reeds daarom in strijd met het verbod van willekeur heeft gehandeld. Nu het college niet kan verwijzen naar beleid, dient het toereikend te motiveren welke afwegingen aan zijn beslissing ten grondslag liggen.

4.2.    Aan de weigering de ontheffing te verlenen ligt een belangenafweging ten grondslag. Het college heeft de volgende omstandigheden daarbij doorslaggevend geacht.

    Allereerst heeft het college aan de belangenafweging ten grondslag gelegd dat de locatie waar [appellant] zijn auto wil parkeren een gebied is dat stedenbouwkundig is ingericht als voetgangersgebied met een beperkte rol voor gemotoriseerd verkeer. Het college wenst het open ruimtelijk aanzicht te behouden en weert daarom parkeerplaatsen aan de onderdam.

    Verder acht het college uit het oogpunt van verkeersveiligheid van belang dat de onderdam goed bereikbaar moet zijn voor hulpdiensten. Een geparkeerde auto is een mogelijk obstakel voor de hulpdiensten. Het verschil tussen de zeecontainer die op de onderdam aanwezig was en een auto is volgens het college dat de zeecontainer statisch is. Daarmee vormde de zeecontainer, die inmiddels is verwijderd, geen obstakel voor de hulpdiensten, terwijl een auto, indien slecht geparkeerd, wel een hindernis kan vormen, aldus het college.

    Ook heeft het college aan de belangenafweging ten grondslag gelegd dat van inwilliging van het verzoek ongewenste precedentwerking zou uitgaan.

    Ten slotte heeft het college te kennen gegeven dat voor de wintermaanden wel ontheffing kan worden verleend, omdat er in die periode veel minder bezoekers zijn in de Bataviahaven in vergelijking tot de zomermaanden.

4.3.     In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan de met de weigering van de ontheffing gediende belangen van verkeersveiligheid en ruimtelijk aanzicht dan aan het belang van [appellant] bij toekenning van een eigen parkeerplaats nabij zijn schip. Daarbij is van belang dat het college, anders dan [appellant] heeft aangevoerd, zich niet op het standpunt heeft gesteld dat de onderdam louter is bestemd voor voetgangers, aangezien het te kennen heeft gegeven dat  gemotoriseerd verkeer gebruik maakt van de onderdam. Dat, zoals [appellant] stelt, de hulpdiensten nooit gebruikmaken van de onderdam betekent naar het oordeel van de Afdeling niet dat zij daar ook in de toekomst niet zullen hoeven komen. Ter zitting bij de Afdeling heeft het college verklaard dat de hulpdiensten de situatie ter plaatse uitgebreid hebben bestudeerd en zij parkeren aan de onderdam in de zomermaanden ongewenst achten. Het college heeft ontheffingen verleend aan de havenmeester en de voorzitter van de Stichting Bataviahaven, die assistent havenmeester is, omdat deze personen voor hun werkzaamheden hun auto in het gebied moeten kunnen parkeren. Het college heeft zich op het standpunt mogen stellen dat van deze ontheffingen, die nadrukkelijk verbonden zijn aan de speciale functie van deze personen, geen precedentwerking uitgaat.

    De rechtbank heeft terecht in aanmerking genomen dat het belang van [appellant] is dat hij dichtbij zijn schip wenst te kunnen parkeren, zodat hij niet heen en weer behoeft te lopen tussen zijn schip en zijn auto. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college aan de hiervoor onder 4.2. genoemde andere belangen in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen. Daarbij is van belang dat [appellant] mag laden en lossen bij zijn schip en dat er in de buurt op een afstand van 450 meter voldoende mogelijkheden zijn voor [appellant] om (lang) te parkeren. Zoals ter zitting bij de Afdeling is gebleken betreft dit parkeerplaats P6, waarvoor [appellant] een parkeervergunning heeft, en de nieuwe parkeerplaatsen ter plaatse van "de boogjes", die op nog kortere afstand tot het schip van [appellant] zijn verwezenlijkt.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, griffier.

w.g. Pans    w.g. Neuwahl

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2017

280.