Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1485

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
07-06-2017
Zaaknummer
201606624/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2016:3895, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 december 2015 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom van € 10.000,00 opnieuw gelast het illegale gebruik van de woning aan de [locatie] te Utrecht te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201606624/1/A3.

Datum uitspraak: 7 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Utrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 juli 2016 in zaak nr. 16/1687 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2015 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom van € 10.000,00 opnieuw gelast het illegale gebruik van de woning aan de [locatie] te Utrecht te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden.

Bij besluit van 16 februari 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 juli 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 mei 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. H.K. Jap-A-Joe, advocaat te Utrecht, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] is eigenaar van de woning aan de [locatie] te Utrecht. Op 3 december 2015 hebben toezichthouders de woning gecontroleerd. Hun bevindingen zijn vastgelegd in een proces-verbaal van bevindingen van 4 december 2015.

    In het proces-verbaal staat dat op het adres [locatie] op 3 december 2015 drie personen stonden ingeschreven in de Basisregistratie personen (hierna: brp): [persoon A], [persoon B] en [persoon C]. Verder staat in het proces-verbaal: "Op 3 december 2015, omstreeks 18:30 uur, heb ik verbalisant, het adres [locatie] in Utrecht bezocht teneinde te kunnen vaststellen wat de feitelijke situatie met betrekking tot de bewoning van bovengenoemd pand is. Hierbij werd ik vergezeld door collega inspecteur Smeets. Na aangebeld te hebben werd de voordeur geopend door een man. (…). De man gaf mij op te zijn [persoon D] (…). De man verklaarde  (…): "Ik woon op dit adres. Ik huur hier de woning samen met [persoon A] voor € 1300 per maand inclusief gas, water en licht. Er wonen op dit adres 4 personen verdeeld over 4 kamers. De namen die u mij laat zien kloppen niet. Zelf sta ik hier ook nog niet ingeschreven, dit ga ik binnenkort regelen.

[persoon C] woont hier niet meer. Wel [persoon B], [persoon A] en ik. Binnenkort komt er nog iemand bij. Wij betalen de huur middels een bankopdracht. U vraagt mij of ik een relatie heb met [persoon A], dit is niet het geval. We staan gewoon samen op het huurcontract en dat is dan ook het enige. De verhuurmakelaar, EU-bemiddeling, wilde het op deze manier. Ik heb geen relatie met 1 van de overige bewoners. De voorzieningen zoals de keuken en het sanitair worden gedeeld. Wij hebben geen gezamenlijke woonkamer". Tevens sprak ik met [persoon A]. Deze mevrouw had hetzelfde verhaal. Ook zij verklaarde geen relatie te hebben met 1 van de overige bewoners. De huur werd onderling verdeeld."

    Het college heeft zich op grond van de bevindingen van de inspecteurs, zoals weergegeven in het proces-verbaal, op het standpunt gesteld dat de woning is omgezet van zelfstandige naar onzelfstandige woonruimte zonder de daarvoor vereiste omzettingsvergunningen. Daarom heeft het aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd.

Hogerberoepsgronden

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de woning onzelfstandig werd bewoond. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen waarde heeft gehecht aan de latere verklaring van [persoon D] dat hij en [persoon A] de enige bewoners waren en dat zij een relatie hadden. Verder heeft [appellant] aangevoerd dat hij na de eerder opgelegde last onder dwangsom de situatie heeft hersteld en een bemiddelingsbureau heeft ingeschakeld. Hij heeft aan anderen dan [persoon D] en [persoon A] geen toestemming gegeven zich in te schrijven op het adres, aldus [appellant].

Oordeel Afdeling

3.     Een bestuursorgaan is bevoegd handhavend op te treden met het opleggen van een last onder dwangsom bij een overtreding; een gedraging die in strijd is met het bij of krachtens enig wettelijk voorschrift bepaalde.

4.    Artikel 3.1.2, aanhef en onder c, van de Regionale Huisvestingsverordening Bestuur Regio Utrecht luidt: "Het is verboden om zonder vergunning een woonruimte (…) van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten."

    Niet in geschil is dat de woning zelfstandig moet worden bewoond, omdat [appellant] niet beschikt over een omzettingsvergunning.

5.    De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1570, terecht overwogen dat een bestuursorgaan, evenals de rechter, in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsgelofte opgemaakt proces-verbaal, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. De rechtbank heeft in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd terecht geen aanleiding gevonden om niet uit te gaan van de juistheid van het proces-verbaal en de daarin weergegeven verklaringen van [persoon D] en [persoon A]. Aan de latere verklaring van [persoon D] behoefde het college niet de waarde te hechten die [appellant] daaraan gehecht wenst te zien. De rechtbank heeft daarbij terecht van belang geacht dat deze latere verklaring is opgesteld nadat [appellant] door middel van het opleggen van de last onder dwangsom met de gevolgen van de eerdere verklaring van [persoon D] was geconfronteerd.

6.    Gelet op hetgeen onder 5. is overwogen heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college terecht heeft geconcludeerd dat minimaal drie personen onzelfstandig woonden in de woning, terwijl [appellant] niet beschikte over de daarvoor vereiste omzettingsvergunning. De conclusie is dat is gehandeld in strijd met artikel 3.1.2, aanhef en onder c, van de Huisvestingsverordening, zodat het college terzake handhavend kon optreden. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in haar uitspraak van 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1912), mag van de eigenaar van een woning die hij verhuurt worden gevergd dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik dat van de verhuurde woning wordt gemaakt. Om niet verantwoordelijk te kunnen worden gehouden voor onrechtmatig gebruik van de door hem verhuurde woning dient de eigenaar aannemelijk te maken dat hij niet wist en niet kon weten dat het pand aldus werd gebruikt. Dat [appellant] gebruik maakt van de diensten van een bemiddelingsbureau maakt niet, dat hij zich niet behoeft te informeren over het gebruik dat van de woning wordt gemaakt. Niet is gebleken [appellant] zich daarover heeft geïnformeerd. Dat [appellant], zoals hij stelt, aan anderen dan [persoon D] en [persoon A] geen toestemming heeft gegeven zich in te schrijven op het adres, is geen bijzondere omstandigheid die het college ertoe had moeten bewegen van handhavend optreden af te zien.

Conclusie

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, griffier.

w.g. Pans    w.g. Neuwahl

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2017

280.