Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1484

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
07-06-2017
Zaaknummer
201607275/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 mei 2015 heeft het college een verzoek van [appellante] om haar persoonsgegevens in de basisregistratie personen (hierna: de brp) te wijzigen, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 36
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2017/51
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201607275/1/A3.

Datum uitspraak: 7 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Amsterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 augustus 2016 in zaak nr. 16/1152 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2015 heeft het college een verzoek van [appellante] om haar persoonsgegevens in de basisregistratie personen (hierna: de brp) te wijzigen, afgewezen.

Bij besluit van 15 januari 2016 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 9 augustus 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 mei 2017, waar [appellante] en het college, vertegenwoordigd door mr. S. de Ruijter, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellante] is in de brp geregistreerd als [appellante], [voornaam], geboren op [..-..-….] te [plaats], nationaliteit onbekend.

Deze gegevens zijn ontleend aan een door [appellante] op 10 juli 2001 bij de gemeente Dongen afgelegde verklaring onder ede.

    [appellante] heeft het college op 28 april 2014 verzocht de gegevens te wijzigen naar [naam], [voornaam], geboren op [..-..-……] te [plaats]. Ter staving van haar verzoek tot wijziging heeft zij een Nigeriaans paspoort, afgegeven op 26 april 2013, een leeftijdsverklaring, gedateerd 18 november 2013, een geboorteakte, gedateerd 18 november 2013, die op de leeftijdsverklaring is gebaseerd, een lesdiploma, gedateerd 17 december 1987, en een basisschooldiploma, gedateerd 31 augustus 1983, overgelegd.

    Ter zitting bij de rechtbank heeft [appellante] een medische verklaring van het Universitair onderwijsziekenhuis te Benin, gedateerd 18 april 2016, en een authenticiteitsverklaring betreffende de geboorteakte, gedateerd 20 april 2016, overgelegd.

2.    Het college heeft aan de bij het besluit op bezwaar gehandhaafde afwijzing van het verzoek ten grondslag gelegd dat de door [appellante] verzochte wijziging van persoonsgegevens zodanig is dat haar identiteit geheel wijzigt. Daaraan worden hoge eisen gesteld. Alleen als er overtuigend bewijs is dat de nieuw opgegeven identiteit aan [appellante] toebehoort, kan de registratie in de brp worden aangepast. Uit de overgelegde documenten kan niet worden opgemaakt hoe de Nigeriaanse autoriteiten hebben vastgesteld dat de in de documenten vermelde identiteit [appellante]’s identiteit is. De geboorteakte betreft een zeer late registratie. Er is daarom reden te twijfelen aan de juistheid van de in deze akte vermelde gegevens. Gelet hierop bestaat geen zekerheid over de juistheid van de gestelde identiteit, aldus het college.

Aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank volgt het college in zijn standpunt dat [appellante] met de door haar overgelegde documenten niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij dezelfde persoon is als degene die in de overgelegde documenten is vermeld.

Zolang zij daarin niet is geslaagd, staat niet onomstotelijk vast dat de in de brp met betrekking tot [appellante] geregistreerde gegevens onjuist zijn.

De door [appellante] overgelegde documenten houden hieromtrent niets in, maar vermelden slechts gegevens met betrekking tot een zekere [naam], waarvan [appellante] stelt dat zij die persoon is. Dat de overgelegde documenten van een hogere rangorde zijn dan de door haar eerder afgelegde verklaring onder ede, maakt het vorenstaande niet anders, nu [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij [naam] is. Het is juist dat, zoals [appellante] betoogt, het algemeen belang ermee gediend is dat in de brp de juiste gegevens worden vermeld. Juist daarom is het van belang dat, als er eenmaal gegevens in de brp staan opgenomen waarvan anderen kunnen uitgaan, deze niet worden gewijzigd zolang niet onomstotelijk vaststaat dat zij onjuist zijn, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

4.    [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college in strijd met de goede procesorde en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur eerst in beroep heeft gesteld dat zij niet de in het paspoort en de geboorteakte vermelde persoon zou zijn. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft het college het verzoek afgewezen omdat aan de correctheid van de overgelegde documenten werd getwijfeld. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank echter terecht geoordeeld dat de geboorteakte en het paspoort brondocumenten zijn waaraan in de Wet basisregistratie personen (hierna: de Wet brp) een hogere rangorde wordt toegekend dan aan de eerder door [appellante] onder ede afgelegde verklaring. Van een overheidsinstantie mag in beginsel worden verwacht dat een geboorteakte of een paspoort niet wordt verstrekt aan een ander dan degene waarop het document ziet. Met deze brondocumenten, waarvan de authenticiteit niet in twijfel kan worden getrokken, heeft [appellante] aannemelijk gemaakt dat zij de daarin vermelde persoon is. Het college heeft het tegenovergestelde niet aangetoond met de enkele verwijzing naar de omstandigheid dat de desbetreffende gegevens voor het grootste deel afwijken van de thans in de brp opgenomen gegevens. Het algemeen belang is ermee gediend dat de correcte gegevens in de brp vermeld staan, aldus [appellante].

4.1.    Het betoog faalt. Het verzoek van [appellante] komt neer op het verwijderen van nagenoeg alle in de brp opgenomen persoonsgegevens en het registreren van volledig andere, beweerdelijk haar betreffende gegevens. Daartoe dient onomstotelijk vast te staan dat de thans in de brp geregistreerde gegevens onjuist zijn. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] dit niet heeft aangetoond. [appellante] heeft niet duidelijk gemaakt hoe de Nigeriaanse autoriteiten hebben kunnen vaststellen dat zij dezelfde persoon is als degene die in de documenten is genoemd. Voorts kan uit niets worden afgeleid op welke wijze de Nigeriaanse ambassade voorafgaand aan de afgifte van het paspoort de identiteit van [appellante] heeft vastgesteld. Anders dan [appellante] betoogt, heeft het college bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 13 mei 2015 het verzoek om deze reden afgewezen en deze niet eerst in de beroepsprocedure naar voren gebracht. Nu niet kan worden vastgesteld dat de gegevens als vermeld in de door [appellante] overgelegde documenten daadwerkelijk op haar betrekking hebben, staat niet onomstotelijk vast dat de in de brp geregistreerde gegevens feitelijk onjuist zijn en was het college niet gehouden de gegevens te wijzigen. Gelet hierop is niet van belang

dat het paspoort en de geboorteakte brondocumenten zijn die volgens de Wet brp hoger in rang zijn dan de onder ede afgelegde verklaring. De rechtbank heeft derhalve met juistheid geoordeeld dat het college de afwijzing van het verzoek van [appellante] terecht heeft gehandhaafd.

    Ten overvloede wordt opgemerkt dat het college ter zitting desgevraagd heeft uiteengezet dat [appellante] bijvoorbeeld met DNA-onderzoek alsnog kan aantonen dat zij de in de door haar reeds ingebrachte documenten vermelde persoon is.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.C.J. de Wilde, griffier.

w.g. Verheij    w.g. De Wilde

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2017

598.