Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1461

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-06-2017
Datum publicatie
07-06-2017
Zaaknummer
201702568/1/R2 en 201702568/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 januari 2017, kenmerk Z/15/51885-VB/16/07551, heeft de raad het bestemmingsplan "Het Vierde Kwadrant te Kockengen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/2867
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201702568/1/R2 en 201702568/2/R2.

Datum uitspraak: 2 juni 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Kockengen, gemeente Stichtse Vecht,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Stichtse Vecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2017, kenmerk Z/15/51885-VB/16/07551, heeft de raad het bestemmingsplan "Het Vierde Kwadrant te Kockengen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

[appellant] en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

BPD Ontwikkeling B.V. heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 mei 2017, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant] en [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door S.C. Lutters en drs. H.G. Steutel, zijn verschenen. Voorts is ter zitting gehoord BPD Ontwikkeling B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J.S. Haakmeester, advocaat te Baarn.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Overwegingen

1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Inleiding

2.    Het plan maakt de bouw van maximaal 70 woningen mogelijk in de polder Portengen, direct grenzend aan de kern Kockengen. Ten behoeve van de voorziene woningen is in de verbeelding aan negen los van elkaar staande plandelen de bestemming "Woongebied" en de aanduiding ‘bouwvlak’ toegekend. Op grond van het plan zijn vrijstaande-, twee-aaneengebouwde-, en aaneengebouwde woningen toegestaan, waarvan 30% van het totaal aantal te realiseren woningen binnen het plangebied binnen de sociale categorie, te weten sociale koop en sociale huur, moet vallen. De exacte locatie van de sociale woningbouw is niet vastgelegd. BPD Ontwikkeling B.V. is de ontwikkelaar van 64 van de 70 woningen die in het plan mogelijk worden gemaakt.

    [appellant] en anderen wonen in de directe omgeving van het plangebied. Zij hebben ter zitting desgevraagd toegelicht dat hun beroep uitsluitend is gericht tegen twee plandelen met de bestemming "Woongebied" en de aanduiding ‘bouwvlak’ aan de zuidwestzijde van het plangebied. Beide plandelen maken de bouw van 11 woningen mogelijk met een maximale bouwhoogte van 11 meter en een maximale goothoogte van 6 meter. [appellant] en anderen betogen dat gezien de afstand tussen hun woningen en de voorziene woningen met een maximale bouwhoogte van 11 meter het plan in zoverre leidt tot aantasting van hun woon- en leefklimaat en waardevermindering van hun woningen.

Ontvankelijkheid

3.    Het beroep van [appellant] en anderen is deels gericht tegen de vaststelling van artikel 5, aanhef en onder g, van de planregels. Het beroep steunt in zoverre niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze over het ontwerpplan.

    Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

    Deze omstandigheid doet zich niet voor, onder meer omdat het plan op dit punt niet gewijzigd is vastgesteld. Het beroep is dan ook niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen de vaststelling van artikel 5, aanhef en onder g, van de planregels.

Toetsingskader

4.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Beroepsgronden

5.    [appellant] en anderen hebben ter zitting de beroepsgrond met betrekking tot het uitgevoerde verkeerskundig onderzoek ingetrokken.

6.    [appellant] en anderen betogen dat het plan leidt tot aantasting van hun woon- en leefklimaat. Hiertoe voeren zij aan dat het uitzicht vanuit hun woningen vermindert. In dit verband wijzen zij erop dat in het bestemmingsplan "Vierde Kwadrant" van 23 november 2010 aan gronden aan de zuidwestzijde van het plangebied de bestemming "Water" en aan vier los van elkaar staande plandelen de functieaanduiding "specifieke vorm van water - waterwoning" was toegekend. Op basis hiervan zijn vier waterwoningen toegestaan die maximaal 6,25 meter boven de waterspiegel mogen uitsteken. Het bestemmingsplan "Vierde Kwadrant" voorzag slechts in een rij aaneengebouwde sociale woningen achter deze waterwoningen, op grotere afstand van hun woningen. Het aanzicht van de in het plan voorziene rij aaneengesloten woningen met een maximale bouwhoogte van 11 meter verschilt volgens [appellant] en anderen aanzienlijk van de vier niet aaneengesloten waterwoningen met een bouwhoogte van 6,25 meter die in het bestemmingsplan "Vierde Kwadrant" waren opgenomen. Daarnaast voeren zij aan dat de zonlichttoetreding in de woningen aan de Roerdomp afneemt door de geringe afstand tussen deze woningen en de voorziene woningbouw met een maximale bouwhoogte van 11 meter. Voorts vrezen [appellant] en anderen dat zij geluidhinder zullen ondervinden van de voorziene sociale woningbouw aan de zuidwestzijde van het plangebied.

    Tevens betogen [appellant] en anderen dat het plan vanwege de voorziene sociale woningbouw leidt tot waardevermindering van hun woningen.

6.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het plan geen grote nadelen heeft voor [appellant] en anderen. In dit verband wijst de raad erop dat het op grond van het bestemmingsplan "Vierde Kwadrant" van 23 november 2010 mogelijk was 92 woningen in het plangebied te realiseren, waaronder sociale woningbouw en waterwoningen aan de zuidwestzijde van het plangebied. Volgens de raad is de afstand tussen de in het voorliggende plan voorziene woningen aan de zuidwestzijde van het plangebied en de woningen van [appellant] en anderen niet wezenlijk ingekort ten opzichte van dat bestemmingsplan. Voorts stelt de raad dat de voorziene woningen in typologie en bouwhoogte aansluiten bij de omliggende bestaande bebouwing. Daarnaast wijst de raad erop dat in het plan tussen de voorziene woningen en de woningen van [appellant] en anderen een watergang is voorzien.

    Verder heeft de raad toegelicht dat [appellant] en anderen in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan "Vierde Kwadrant" van 23 november 2010 financieel zijn gecompenseerd. Volgens de raad leiden de aanpassingen in het voorliggende plan niet tot verdere waardevermindering van de woningen van [appellant] en anderen.

6.2.    Artikel 6, lid 6.1, aanhef onder a, van de planregels luidt: "De voor 'Woongebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen in de vorm van vrijstaande-, twee-aaneengebouwde-, en aaneengebouwde woningen, waarvan 30% van het totaal aantal te realiseren woningen binnen het plangebied binnen de sociale categorie, te weten sociale koop en sociale huur moet vallen."

6.3.    De Afdeling stelt voorop dat de exacte locatie van de voorziene woningen binnen de sociale categorie niet is vastgelegd. Het plan maakt deze categorie woningen derhalve ook mogelijk op gronden waartegen het beroep van [appellant] en anderen is gericht. Voorts heeft BPD Ontwikkeling B.V. ter zitting toegelicht dat het de bedoeling is om in het bovenste bouwvlak van de twee in het geding zijnde plandelen sociale koopwoningen te realiseren en in het onderste bouwvlak sociale huurwoningen.

    De percelen van [appellant] en anderen aan de Roerdomp grenzen direct aan de zuidwestzijde van het plangebied. De kortste afstand tussen deze woningen van [appellant] en anderen en de in het plan voorziene woningen is ongeveer 24 meter. De percelen van [appellant] en anderen aan de Waterlelie grenzen direct aan deze straat en liggen tegenover de zuidwestzijde van het plangebied. De kortste afstand tussen deze woningen van [appellant] en anderen en de in het plan voorziene woningen is ongeveer 24,5 meter. Vast staat dat de voorziene woningen dichterbij de woningen van [appellant] en anderen worden gerealiseerd dan de in het bestemmingsplan "Vierde Kwadrant" van 23 november 2010 voorziene sociale woningbouw en waterwoningen in dit gedeelte van het plangebied. Tevens verschilt het aanzicht van de in het plan voorziene rij aaneengesloten woningen met een maximale bouwhoogte van 11 meter van de vier niet aaneengesloten waterwoningen met een bouwhoogte van 6,25 meter die in het bestemmingsplan "Vierde Kwadrant" waren opgenomen. Hierdoor treedt vermindering van het uitzicht vanuit de woningen van [appellant] en anderen op. Niettemin is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid een zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen die met de verwezenlijking van het plan zijn gemoeid dan aan de belangen [appellant] en anderen bij behoud van hun huidige uitzicht. Hierbij betrekt de Afdeling de minimale afstand van ongeveer 24 meter tussen de voorziene woningen en de woningen van [appellant] en anderen en het gegeven dat binnen deze afstand onder meer de achter- of voortuinen van de desbetreffende percelen, een watergang en groenstrook liggen. Tevens neemt de Afdeling in aanmerking dat geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat.

    Voorts hebben [appellant] en anderen gezien de situering van de voorziene woningen ten opzichte van de woningen aan de Roerdomp en de afstand tussen de woningen, niet aannemelijk gemaakt dat een afname van zonlichttoetreding, indien die zich zou voordoen, van zodanige omvang is dat de raad om die reden niet in redelijkheid de woningbouw op de wijze als in het plan voorzien mogelijk had mogen maken.

    Wat betreft de gestelde geluidhinder overweegt de Afdeling dat [appellant] en anderen ter zitting naar voren hebben gebracht dat de voorziene sociale woningbouw lawaai met zich kan brengen. [appellant] en anderen hebben niet onderbouwd op welke wijze de voorziene sociale woningbouw een onaanvaardbare geluidhinder tot gevolg zou kunnen hebben.

    De betogen falen.

6.4.    Ten aanzien van het betoog dat het plan leidt tot waardedaling van hun woningen, overweegt de Afdeling dat wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van deze woningen betreft, geen grond bestaat voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Voor eventuele tegemoetkoming van planschade bestaat een aparte procedure met eigen rechtsbeschermingsmogelijkheden.

    Het betoog faalt.

7.    [appellant] en anderen betogen dat de besluitvorming onzorgvuldig is verlopen. Bij de planvorming zijn volgens hen ten onrechte de wensen van ontwikkelaar BPD Ontwikkeling B.V. als uitgangspunt zijn genomen. Inspraakavonden en overleg met omwonenden hebben wel plaatsgevonden, maar de ontwikkelaar heeft aan gesprekken tussen belanghebbenden en de raad actief mogen deelnemen. Volgens [appellant] en anderen heeft de raad derhalve nooit serieus rekening gehouden met de wensen en bezwaren van omwonenden. De omstandigheid dat hun aanvullende zienswijze niet bij de stukken voor de commissievergadering is gevoegd en de aanvullende zienswijze pas op hun initiatief aan de stukken voor de raadsvergadering is toegevoegd, illustreert dit volgens [appellant] en anderen. De raadsleden hebben derhalve geen of onvoldoende notie kunnen nemen van hun aanvullende zienswijze.

    Daarnaast wijzen [appellant] en anderen erop dat commissie- en raadsleden hebben aangegeven dat zij wat betreft de inhoud van het plan voor een voldongen feit zijn gesteld en dat één van de raadsleden het tevens niet eens is met de gevolgde procedure. De raadsleden die met het plan hebben ingestemd, hebben dit gedaan om te voorkomen dat de gewenste woningbouw vertraging zou oplopen. Een raadslid heeft in de raadsvergadering daarom de oproep aan de ontwikkelaar gedaan om met omwonenden te gaan praten. Deze oproep van de raad is volgens [appellant] en anderen evenwel niet in de notulen van de raadsvergadering terecht gekomen.

7.1.    De Afdeling overweegt dat de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en de Awb de kaders bepalen waaraan de raad zich moet houden bij de vaststelling van het plan. Dat het initiatief voor het plan en de daarin mogelijk gemaakte ontwikkelingen niet is genomen door het gemeentebestuur maar door een ontwikkelaar, betekent niet dat het plan niet binnen de kaders moet blijven die in de Wro en de Awb zijn gesteld, en ook niet dat de raad zijn besluit om het plan vast te stellen niet aan de geldende kaders heeft getoetst.

    Ten aanzien van de stelling dat nooit serieus rekening is gehouden met de wensen en bezwaren van [appellant] en anderen als omwonenden, overweegt de Afdeling dat onbestreden is dat het ontwerpplan op de voorgeschreven manier ter inzage is gelegd en dat daartegen zienswijzen naar voren konden worden gebracht en door [appellant] en anderen zijn gebracht. De raad is in de nota zienswijzen op de zienswijze van [appellant] en anderen ingegaan. Op 31 januari 2017 is het plan met inbegrip van de nota zienswijzen in de raadsvergadering behandeld. Voorts staat vast dat de aanvullende zienswijze van [appellant] en anderen aan de raad is voorgelegd. De raad heeft derhalve kennis kunnen nemen van deze aanvullende zienswijze. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan onvoldoende geïnformeerd heeft vastgesteld.

    Voorts is het besluit tot vaststelling van het plan genomen met 22 stemmen voor en 6 stemmen tegen. Uit het raadsvoorstel en het raadsbesluit blijkt dat de raad een eigen en zelfstandige afweging heeft gemaakt van alle bij dit besluit betrokken belangen. Dat de raadsleden mogelijk pas in een laat stadium op de hoogte zijn gesteld van de definitieve inhoud van het plan en met het plan hebben ingestemd om te voorkomen dat de gewenste woningbouw vertraging zou oplopen, maakt niet dat de raad geen eigen en zelfstandige afweging heeft kunnen maken.

    Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat de besluitvorming onzorgvuldig is verlopen.

    Het betoog faalt.

7.2.    Voor zover [appellant] en anderen betogen dat de notulen van de raadsvergadering onvolledig is omdat daarin de oproep aan de ontwikkelaar om met omwonenden te gaan praten niet is opgenomen, heeft de raad ter zitting toegelicht dat van de raadsvergadering ook een geluidsopname is gemaakt. De gestelde omstandigheid dat de oproep aan de ontwikkelaar niet in de papieren versie van de notulen is opgenomen is bovendien een onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan daarom geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit, zodat ook dit betoog faalt.

8.    Voor het overige hebben [appellant] en anderen zich in hun beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] en anderen hebben in het beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

9.    Gelet op het vorenstaande is het beroep van [appellant] en anderen, voor zover ontvankelijk, ongegrond en bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep voor zover dat is gericht tegen de vaststelling van artikel 5, aanhef en onder g, van de planregels niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep voor zover ontvankelijk ongegrond;

III.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.E. Reichardt, griffier.

w.g. Van Sloten    w.g. Reichardt

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2017

772.