Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1459

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-02-2017
Datum publicatie
07-06-2017
Zaaknummer
201607391/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 mei 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201607391/1/V3.

Datum uitspraak: 14 februari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 23 september 2016 in zaak nr. 16/11771 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 23 september 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en  de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. P.J.M. Bongaarts, advocaat te Maastricht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Voor de beantwoording van de in het hogerberoepschrift opgeworpen vragen verwijst de Afdeling naar haar uitspraken van 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:74 en ECLI:NL:RVS:2017:75. De daarin gegeven overwegingen zijn ook in deze zaak van toepassing. De omstandigheid dat Duitsland in deze zaak ingevolge artikel 25, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (PB 2013, L 180), wegens het laten verstrijken van de voorgeschreven termijn om te beslissen op het terugnameverzoek, van rechtswege heeft ingestemd met terugname van de vreemdeling maakt daarbij - anders dan de vreemdeling in haar schriftelijke uiteenzetting naar voren heeft gebracht - geen verschil. Ingevolge deze bepaling staat het fictieve claimakkoord immers gelijk met de uitdrukkelijke aanvaarding van het verzoek om terugname.

2.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 27 mei 2016 van de staatssecretaris alsnog ongegrond verklaren.

3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 23 september 2016 in zaak nr. 16/11771;

III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.

w.g. Van der Wiel    w.g. Van Meurs-Heuvel

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2017

47.