Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1383

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-05-2017
Datum publicatie
24-05-2017
Zaaknummer
201605634/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:6699, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juli 2015 heeft de staatssecretaris de aanvragen van de stichting om bijzondere bekostiging van eerste opvang vreemdelingen voor zeven onder haar gezag vallende basisscholen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABKort 2017/166
Onderwijs Totaal 2018/736
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201605634/1/A2.

Datum uitspraak: 24 mei 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 juni 2016 in zaak nr. 16/572 in het geding tussen:

Stichting Lucas Onderwijs gevestigd te 's-Gravenhage,

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2015 heeft de staatssecretaris de aanvragen van de stichting om bijzondere bekostiging van eerste opvang vreemdelingen voor zeven onder haar gezag vallende basisscholen afgewezen.

Bij besluit van 15 december 2015 heeft de staatssecretaris het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 juni 2016 heeft de rechtbank het door de stichting daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 december 2015 vernietigd en de staatssecretaris opgedragen binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De stichting heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 april 2017, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. T. Albertz en mr. J.T.M. Arkensteijn, en de stichting, vertegenwoordigd door mr. W. Brussee, advocaat te 's-Gravenhage, en mr. I.M. de Bonth-Weekhout, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Door de stichting wordt een aantal basisscholen in stand gehouden. Voor zeven van haar basisscholen heeft de stichting op grond van artikel 44 van de Regeling bekostiging personeel PO 2014-2015 en aanpassing bedragen voor ondersteuning van leerlingen in het PO en VO 2014-2015 (hierna: de Regeling) aanvragen ingediend voor bijzondere bekostiging eerste opvang vreemdelingen.

    De staatssecretaris heeft deze aanvragen afgewezen en dit besluit in bezwaar gehandhaafd omdat de aanvragen niet binnen vier weken na de peildatum door de Dienst Uitvoering Onderwijs (hierna: DUO) zijn ontvangen. Volgens de staatssecretaris is de termijn die in artikel 44, vierde lid, van de Regeling is gesteld voor het aanvragen van deze bijzondere bekostiging een fatale termijn, zodat afwijking daarvan niet mogelijk is.

    De stichting heeft tegen dit besluit van de staatssecretaris beroep ingesteld bij de rechtbank.

Uitspraak van de rechtbank

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de staatssecretaris de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen op de enkele grond dat de aanvraag te laat is ingediend. Volgens de rechtbank volgt uit de toelichting op de Regeling niet dat sprake is van een fatale termijn. De rechtbank heeft de stichting gevolgd in haar verwijzing naar artikel 4, tweede lid, van het Besluit onderwijs aan vreemdelingen, de voorganger van de Regeling, waarin expliciet is vermeld dat een overzicht dat na de genoemde periode van vier weken wordt ingediend, uitsluitend in behandeling wordt genomen indien sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Uit de omstandigheid dat voornoemde zin niet is opgenomen in artikel 44, vierde lid, van de Regeling kan volgens de rechtbank niet de conclusie worden getrokken dat is beoogd te laat ingediende aanvragen direct af te wijzen, zonder te beoordelen of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Voorts heeft de rechtbank de stichting gevolgd in haar verwijzing naar het algemene deel van de toelichting bij de Regeling waar is vermeld dat aanvragen voor bijzondere bekostiging in bijzondere situaties op grond van artikel 123, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs of artikel 120, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra die zijn ontvangen na 1 juli 2015 worden afgewezen. Daarbij is toegelicht dat dit het geval is omdat deze aanvragen, gelet op de ingangsdatum van de bekostiging, anders niet leiden tot bekostiging in het schooljaar waarop de regeling van toepassing is.

    De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de nadelige gevolgen van het besluit van de staatssecretaris, te weten het geheel onbekostigd blijven van daadwerkelijk verrichte bijzondere opvang, onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doel als bedoeld in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Het hoger beroep van de staatssecretaris

3.    De staatssecretaris bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat de termijn in artikel 44, vierde lid, van de Regeling geen fatale termijn is. Aan het schrappen van de zinsnede dat aanvragen die worden ingediend na de genoemde periode van vier weken uitsluitend in behandeling worden genomen indien sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, kan volgens de staatssecretaris niet de conclusie worden verbonden dat de termijn in de Regeling niet fataal is. Voor een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 van de Awb is volgens de staatssecretaris dan ook geen plaats. Overigens is bezien of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, maar daarvan is niet gebleken, aldus de staatssecretaris.

3.1.    Artikel 44, derde lid van de Regeling luidt: "Het bevoegd gezag van een school waar de eerste opvang in het onderwijs wordt verzorgd voor tenminste 4 vreemdelingen die korter dan 1 jaar in Nederland verblijven, ontvangt op aanvraag bijzondere bekostiging voor personeel en aanvullende bekostiging voor materiële instandhouding".

    Het vierde lid luidt: "De bijzondere en aanvullende bekostiging, bedoeld in het derde lid, heeft betrekking op een periode van vier maanden, met als peildata:

    a. 1 oktober voor de periode augustus tot en met november;

    b. 1 februari voor de periode december tot en met maart;

    c. 1 juni voor de periode april tot en met juli.

Het bevoegd gezag dient ter verkrijging van de bijzondere en aanvullende bekostiging een aanvraag in die binnen vier weken na de peildatum door DUO moet zijn ontvangen.

3.2.    Niet in geschil is dat de aanvraag van de stichting op 1 juli 2015 door DUO is ontvangen, terwijl deze ingevolge de peildatum van artikel 44, vierde lid, van de Regeling uiterlijk op 29 juni 2015 diende te zijn ontvangen. Daarmee was de aanvraag twee dagen te laat ingediend. Voorts is niet in geschil dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

3.3.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat uit het voorschrift van artikel 44, vierde lid, van de Regeling niet ondubbelzinnig blijkt dat de daarin genoemde termijnen fatale termijnen en geen termijnen van orde zijn. Anders dan in de artikelen 39, 40, 43 en 45, van de Regeling, waarin het ook gaat om bijzondere bekostiging, is in artikel 44, vierde lid, immers niet expliciet vermeld dat aanvragen die worden ontvangen na de gestelde datum worden afgewezen. In de stukken noch ter zitting heeft de staatssecretaris een overtuigende verklaring gegeven waarom de termijnen in artikel 44, vierde lid, van de Regeling ondanks het ontbreken van deze zinsnede niettemin als fataal moeten worden aangemerkt.

    Het vorenstaande brengt met zich dat de staatssecretaris de door de stichting ingediende aanvragen voor bijzondere bekostiging in het jaar 2014-2015 niet zonder meer mocht afwijzen vanwege de termijnoverschrijding voor het indienen van de aanvraag.

3.4.    Ten overvloede merkt de Afdeling op dat de staatssecretaris de Afdeling bij brief van 23 maart 2017 heeft gewezen op de Regeling voor bijzondere bekostiging voor eerste opvang asielzoekers en overige vreemdelingen basisscholen geldend in het jaar 2016-2017, waarin anders dan in de Regeling 2014-2015 wel is opgenomen dat aanvragen die zijn ontvangen na de genoemde peildata in ieder geval worden afgewezen. Omdat de onderhavige aanvragen van de stichting betrekking hebben op bekostiging in het jaar 2014-2015, kan de staatssecretaris bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar geen rekening houden met deze wijziging omdat die uitsluitend is doorgevoerd in de Regeling die geldt voor bekostiging in het jaar 2016-2017.

Conclusie

4.     Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, dient te worden bevestigd.

5.     De Afdeling stelt vast dat de rechtbank het besluit van 15 december 2015 heeft vernietigd. De staatssecretaris dient een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door de staatssecretaris te nemen nieuwe besluit op het bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

6.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    bepaalt dat tegen het door de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap te nemen nieuwe besluit op het bezwaar van Stichting Lucas Onderwijs slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

III.    veroordeelt de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap tot vergoeding van bij Stichting Lucas Onderwijs in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV.    bepaalt dat van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een griffierecht van € 503,00 (zegge: vijfhonderddrie euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.C.V. Fenwick, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Fenwick

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2017

608.