Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:130

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
18-01-2017
Zaaknummer
201604099/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 maart 2015 heeft de minister het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek), opnieuw afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Nationaliteitsrecht 2017/852
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201604099/1/V6.

Datum uitspraak: 18 januari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 april 2016 in zaak nr. 15/4663 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 20 maart 2015 heeft de minister het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek), opnieuw afgewezen.

Bij besluit van 20 oktober 2015 heeft de minister het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 april 2016 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 december 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. M. Grimm, advocaat te Groningen, en de minister, vertegenwoordigd door drs. J.M. Sidler, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de minister wordt tevens zijn rechtsvoorganger verstaan.

2. Bij besluit van 28 januari 2014 heeft de minister het verzoek afgewezen wegens het bestaan van ernstige vermoedens dat [appellant] een gevaar vormt voor de openbare orde. De minister heeft daaraan ten grondslag gelegd dat tegen [appellant] een strafzaak openstond. In dit besluit heeft de minister [appellant] er voorts op gewezen dat hij niet al het mogelijke heeft gedaan om afstand te doen van zijn Libanese nationaliteit. Hierbij heeft de minister in aanmerking genomen dat [appellant] nog niet beschikte over de vereiste toestemming van de Libanese president om de Nederlandse nationaliteit aan te nemen. Bij brief van 24 maart 2014 heeft de minister het besluit van 28 januari 2014 ingetrokken in afwachting van de uitkomst van de strafzaak en om [appellant] in de gelegenheid te stellen voormelde toestemming te verkrijgen.

Bij besluit van 20 maart 2015, gehandhaafd bij besluit van 20 oktober 2015, heeft de minister het verzoek opnieuw afgewezen wegens het bestaan van ernstige vermoedens als hiervoor bedoeld. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat [appellant] bij vonnis van de politierechter te Groningen van 5 januari 2015 is veroordeeld tot een maand voorwaardelijke gevangenisstraf en 120 uren werkstraf wegens handelen in strijd met de artikelen 3, aanhef en onder B., van de Opiumwet en artikel 311, eerste lid, aanhef en onder 5, van het Wetboek van Strafrecht.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zich zeer bijzondere omstandigheden voordoen die nopen tot inwilliging van het verzoek. Hij voert daartoe aan dat hij eenmaal een kleine misstap heeft begaan waarvoor hij zijn verantwoordelijkheid heeft genomen en dat hij door de afwijzing van het verzoek dubbel wordt gestraft. Voorts wijst [appellant] op de lange duur van zijn verblijf in Nederland, de lange behandelduur van het verzoek en de door hem overgelegde verklaring van de Libanese ambassade te Den Haag van 20 augustus 2015 (hierna: de verklaring van 20 augustus 2015), waaruit volgens hem blijkt dat hij zijn Libanese nationaliteit heeft verloren. Hieruit volgt dat hij staatloos is. [appellant] voert in dit verband verder aan dat de rechtbank de minister zonder meer is gevolgd in zijn standpunt over de verklaring van 20 augustus 2015, terwijl het op de weg van de minister had gelegen nader onderzoek te verrichten naar deze verklaring.

3.1. Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) luidt: 'Het verzoek van een vreemdeling die voldoet aan de artikelen 7 en 8 wordt niettemin afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk;'

De Handleiding voor de toepassing van de RWN (hierna: de Handleiding) luidt: (…) 'Het is in zeer bijzondere gevallen dus mogelijk dat een naturalisatie of optie dat op grond van bovenstaande regels zou moeten worden geweigerd, toch moet worden ingewilligd of worden bevestigd. (…) Een en ander neemt niet weg dat het voor de eenduidigheid, de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid van het grootste belang is dat niet snel van bovenstaande regels wordt afgeweken. Er moet zeer grote terughoudendheid worden betracht. (…)

Evenmin kunnen als bijzonder worden aangemerkt omstandigheden die hebben geleid of bijgedragen tot het misdrijf, aangezien die omstandigheden, voorzover zij als verzachtende omstandigheden hebben te gelden, door de strafrechter bij diens oordeel zijn betrokken. (…)

De beoordeling van bijzondere omstandigheden gebeurt bij naturalisatie bij de IND, en bij optie bij de burgemeester. Die bijzondere omstandigheden kunnen hoogstens leiden tot de conclusie dat de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde. Als wel sprake is van ernstige vermoedens dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt, moet naturalisatie of optie worden geweigerd. Daarvan kan bij naturalisatie niet met toepassing van artikel 10 RWN worden afgeweken. (…)

Hierna volgt een lijst van landen met vermelding van behoud of verlies van de nationaliteit bij de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap. (…) Libanon: (…) Betrokkene moet vóór het moment van verkrijgen of verlening van het Nederlanderschap toestemming van de Libanese > autoriteiten hebben om een andere nationaliteit te verkrijgen én om afstand te doen van de <Libanese > nationaliteit. (…) Nadat het Nederlanderschap is verleend of verkregen moet betrokkene dit, ten einde afstand van de <Libanese > nationaliteit te bewerkstelligen, melden bij de verantwoordelijke autoriteiten in Libanon (burgerlijke stand). Hiervan vindt vervolgens een aantekening plaats in de <Libanese > burgerlijke stand (civil registration). Betrokkene moet na het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit een origineel en gelegaliseerd uittreksel uit het register van de <Libanese > burgerlijke stand inleveren bij de bevoegde autoriteiten of overleggen aan de IND, waaruit blijkt dat betrokkene afstand heeft gedaan van de <Libanese nationaliteit.' (…)

3.2. Dat, aldus [appellant], hij eenmaal een kleine misstap heeft begaan, leidt niet tot het oordeel dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet als bedoeld in de Handleiding, omdat ervan moet worden uitgegaan dat de strafrechter dit bij zijn oordeel heeft betrokken. [appellant] betoogt tevergeefs dat hij door de afwijzing van het verzoek dubbel wordt gestraft voor de misdrijven waarvoor hij strafrechtelijk is veroordeeld, reeds omdat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, de afwijzing van een naturalisatieverzoek geen punitieve sanctie behelst. Dat [appellant] voorafgaand aan het verzoek lang in Nederland heeft verbleven, is ook niet aan te merken als een bijzondere omstandigheid, aangezien iedere vreemdeling die in aanmerking wil komen voor verlening van het Nederlanderschap, ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN gedurende ten minste vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het naturalisatieverzoek toelating en hoofdverblijf in het koninkrijk moet hebben gehad. Wat betreft de behandelduur van het verzoek heeft de minister toegelicht dat dit hoofdzakelijk in het voordeel van [appellant] is geweest, omdat hij daardoor de gelegenheid heeft gehad de vereiste presidentiële toestemming te verkrijgen voor verlies van zijn Libanese nationaliteit. De minister heeft er verder terecht op gewezen dat [appellant] zelf, bij brief van 10 november 2014, heeft verzocht om aanhouding van de beslissing op het verzoek.

De verklaring van 20 augustus 2015, waaruit volgens [appellant] volgt dat hij zijn Libanese nationaliteit heeft verloren, is niet gelegaliseerd. Daar komt bij dat de minister in het besluit van 20 oktober 2015, onder verwijzing naar de onder 3 weergegeven passage in de Handleiding, welke is gebaseerd op Libanese wetgeving, gemotiveerd heeft uiteengezet dat de verklaring van 20 augustus 2015 is gebaseerd op achterhaalde Libanese wetgeving en derhalve inhoudelijk onjuist is. Voor zover [appellant] betoogt dat de Handleiding op dit punt mogelijk niet meer actueel is, is dat enkele betoog onvoldoende om tot het oordeel te kunnen leiden dat de minister niet van de juistheid van dit onderdeel van de Handleiding mocht uitgaan. Reeds gelet op het voorgaande kan de verwijzing naar de verklaring van 20 augustus 2015 [appellant] niet baten en betoogt hij tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister hiernaar nader onderzoek had moeten verrichten.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Oei

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2017

670.