Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:13

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-01-2017
Datum publicatie
18-01-2017
Zaaknummer
201607703/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 9 september 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201607703/1/V1.

Datum uitspraak: 12 januari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 6 oktober 2016 in zaken nrs. 16/20492, 16/20499 en 16/20582 in het geding tussen:

[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor hun minderjarige kinderen, onder wie [vreemdeling 3] (hierna: de vreemdelingen)

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 9 september 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 6 oktober 2016 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. W.A. Berghuis, advocaat te Dordrecht, hebben een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Aanleiding

2. De vreemdelingen hebben de Servische nationaliteit en behoren tot de Roma-bevolkingsgroep. Zij hebben aan hun asielaanvragen - samengevat - ten grondslag gelegd dat zij niet kunnen terugkeren naar Servië, omdat zij een geldschuld hebben en vrezen voor de schuldeiser, die hen heeft bedreigd, en tevens omdat zij in Servië als Roma worden gediscrimineerd.

De staatssecretaris heeft deze aanvragen met toepassing van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) als kennelijk ongegrond afgewezen. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de vreemdelingen afkomstig zijn uit een door hem op 10 november 2015 aangewezen veilig land van herkomst en niet aannemelijk hebben gemaakt dat Servië voor hen wegens hun problemen geen veilig land van herkomst is.

De rechtbank heeft de ministeriële regeling van 10 november 2015, nummer 695431, onverbindend verklaard voor zover Servië daarbij door middel van een wijziging van bijlage 13 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: VV 2000) is aangemerkt als veilig land van herkomst. De rechtbank heeft daarom de hiertegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard en de besluiten van 9 september 2016 vernietigd.

2.1. Bij uitspraak van 14 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2474; onder 3.1. tot en met 3.5.) is de Afdeling op het rechtskarakter en de toetsing van de regeling ingegaan en heeft zij de vereisten voor het aanmerken van een land als veilig land van herkomst uiteengezet. De Afdeling verwijst hier kortheidshalve naar.

De grief over de onverbindendverklaring van de aanwijzing

3. De staatssecretaris klaagt in zijn eerste grief - samengevat en voor zover thans van belang - dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het onderzoek en de motivering die hij ten grondslag heeft gelegd aan de plaatsing van Servië op de nationale lijst van veilige landen van herkomst niet aan de daaraan gestelde eisen voldoet, zodat hij de presumptie dat de vreemdelingen afkomstig zijn uit een veilig land van herkomst niet kan handhaven. Daartoe voert de staatssecretaris aan dat hij bij zijn onderzoek of Servië als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt de vereiste informatiebronnen heeft gebruikt, waaronder het voortgangsrapport van de Europese Commissie van 10 november 2015 (SWD(2015) 211 final; hierna: het voortgangsrapport) in het kader van de toetredingsprocedure, en dat daaruit kan worden afgeleid dat Servië veilig is. De rechtbank is daarom ten onrechte tot onverbindendverklaring overgegaan, aldus de staatssecretaris.

Motivering door de staatssecretaris van de aanwijzing van Servië

3.1. In de toelichting op de regeling van 10 november 2015 staat onder meer dat Servië het Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951 (Trb. 1951, 131), zoals gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967 (Trb. 1967, 76; hierna: het Vluchtelingenverdrag) en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft geratificeerd, kandidaat-lidstaat is van de Europese Unie en dat zijn inwoners zijn vrijgesteld van de visumplicht voor toelating tot de Europese Unie. Verder staat daarin dat een aantal andere lidstaten van de Europese Unie Servië ook heeft aangewezen als veilig land van herkomst. Ook heeft de staatssecretaris in de toelichting en in zijn brief aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 3 november 2015 (Kamerstukken II 2015/16, 19 637, nr. 2076) gewezen op het onderzoek van de Europese Commissie, dat ten grondslag ligt aan het voorstel van 9 september 2015 van de Europese Commissie voor een Verordening tot vaststelling van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst (COM (2015) 452).

3.2. De staatssecretaris heeft ervoor gekozen de motivering van de regeling van 10 november 2015 aan te vullen, door de aanwijzing van Servië als veilig land van herkomst bij de toepassing ervan schriftelijk nader toe te lichten. Hij heeft in de voornemens in deze zaak, zoals die zijn herhaald en ingelast in de besluiten van 9 september 2016, gewezen op het voortgangsrapport. Voorts heeft de staatssecretaris gewezen op het EASO rapport 'Asylum applicants from the western Balkans: comparative analysis of trends, push-pull factors and responses - Update' van mei 2015. Verder heeft hij reeds in de voornemens de situatie van de Roma-bevolkingsgroep in Servië nader toegelicht onder verwijzing naar het eerder genoemde voortgangsrapport en een Country report on Human Right Practices for 2014 van het US Department of State. Zoals overwogen in eerdergenoemde uitspraak van 14 september 2016 is een dergelijke nadere toelichting in een concrete zaak in een schriftelijk stuk mogelijk zonder dat daarbij de rechtmatigheid van de aanwijzing als zodanig wordt aangetast. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de vreemdelingen zich tegen de nadere toelichting effectief hebben kunnen verweren.

Informatiebronnen (artikel 3.105ba, tweede lid, van het Vb 2000)

3.3. De staatssecretaris kon in zijn toelichting op de regeling van 10 november 2015 niet de door hem gewenste waarde hechten aan de omstandigheden dat burgers van Servië vrijgesteld zijn van de visumplicht voor toelating tot de Europese Unie en dat een aantal andere lidstaten van de Europese Unie Servië heeft aangewezen als veilig land van herkomst, omdat deze omstandigheden op zichzelf geen rol spelen bij de aanwijzing van een land als veilig land van herkomst en de staatssecretaris niet nader heeft toegelicht waarom hij deze omstandigheden in het geval van Servië relevant acht (vergelijk 3.8 van voornoemde uitspraak van 14 september 2016).

3.3.1. De omstandigheden dat Servië de status heeft van kandidaat-lidstaat van de Europese Unie en dat de Europese Commissie heeft voorgesteld om Servië op een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst te plaatsen spelen op zichzelf evenmin een rol bij de aanwijzing van een land als veilig land van herkomst. De staatssecretaris heeft echter tijdens de rechtbankzitting van 29 september 2016 toegelicht waarom deze omstandigheden, gelet op de feitelijke grondslag voor de status als kandidaat-lidstaat en de plaatsing op de EU-lijst van veilige landen van herkomst, zoals die blijkt uit de door hem genoemde bronnen, van belang zijn voor de door hem te maken beoordeling in het licht van de daarvoor geldende vereisten voor de aanwijzing. De Afdeling verwijst op dit punt kortheidshalve naar eerdergenoemde uitspraak van 14 september 2016 (onder 3.8.1.).

3.3.2. Door dit onderzoek van de Europese Commissie na een eigen, zelfstandig onderzoek ernaar en een beoordeling ervan gemotiveerd tot het zijne te maken en daarnaast bij zijn besluitvorming gemotiveerd in te gaan op het voortgangsrapport en de rapporten van EASO en het US Department of State, heeft de staatssecretaris zijn beoordeling of Servië een veilig land van herkomst is, gebaseerd op de in artikel 3.105ba, tweede lid, van het Vb 2000 voorgeschreven informatiebronnen. De aanwijzing van Servië als veilig land van herkomst voldoet in zoverre aan de wettelijke vereisten.

Juridische situatie (artikel 3.37f van het VV 2000)

3.4. De staatssecretaris heeft uit het voorstel van de Europese Commissie tot vaststelling van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst en het daaraan ten grondslag gelegde onderzoek, de voortgangsrapporten van de Europese Commissie, waaronder dat van 10 november 2015, en de ratificatie door Servië van het Vluchtelingenverdrag en het EVRM terecht afgeleid dat er in Servië wet- en regelgeving is die vervolging en behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM verbiedt en het voor instellingen mogelijk maakt om hiertegen bescherming te bieden. In voornoemd voorstel heeft de Europese Commissie geconcludeerd dat de materiële en procedurele mensenrechten- en anti-discriminatiewetgeving, inclusief het lidmaatschap van alle belangrijke internationale mensenrechtenverdragen, een adequate rechtsgrondslag vormen voor bescherming tegen vervolging en mishandeling. In het voortgangsrapport heeft de Europese Commissie geconcludeerd dat het wettelijk kader voor de bescherming van de mensenrechten in zijn algemeenheid in lijn met de Europese standaarden is.

Feitelijke situatie (artikel 3.37f van het VV 2000)

3.5. De staatssecretaris heeft uit de door hem betrokken informatiebronnen, zoals genoemd onder 3.1. en 3.2., terecht afgeleid dat in Servië daadwerkelijk bescherming wordt geboden tegen eventuele vervolging of onmenselijke behandeling door overheidsfunctionarissen of derden. Volgens het voortgangsrapport heeft Servië vooruitgang geboekt op het gebied van mensenrechten. Er is een 'Equality Protection Commissioner' aangesteld en er is een 'Office for Human and Minority Rights' die zich bezighouden met de bescherming van minderheden en kwetsbare groepen. Ook is in het voortgangsrapport vermeld dat de betrokken overheidsinstanties en maatschappelijke organisaties zich zijn blijven inzetten om handhaving van en bewustwording over mensenrechten, verdraagzaamheid en non-discriminatie te bevorderen. Uit het voortgangsrapport kan voorts worden afgeleid dat maatregelen zijn getroffen om de onafhankelijkheid van de politie te verbeteren en volgens het rapport van het US Department of State wordt het verbod op willekeurige arrestatie en detentie nageleefd. Uit deze rapporten volgt ook dat onrechtmatig optreden van politie- en justitiemedewerkers wordt vervolgd en bestraft. Verder is in het rapport van het US Department of State vermeld dat volgens de substituut Ombudsman geen aanwijzingen bestaan voor systematische mishandeling door overheidsdiensten in Servië. Ook is in dit rapport vermeld dat de regering inspanningen heeft geleverd om het in de grondwet neergelegde verbod op discriminatie te handhaven, de grondwet in Servië de mogelijkheid biedt om bij het Constitutioneel Hof te klagen over schending van mensenrechten en Servië de uitspraken van dit Hof in het algemeen respecteert. Tot slot hebben inwoners van Servië de door artikel 34 van het EVRM geboden mogelijkheid bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) te klagen over de in Servië in de praktijk geboden bescherming tegen mensenrechtenschendingen. Uit het rapport van het US Department of State volgt dat Servië de uitspraken van het EHRM tot nu toe heeft nageleefd.

3.5.1. Weliswaar blijkt uit de betrokken informatiebronnen dat in Servië nog de nodige knelpunten bestaan in de uitvoering van de hervormingsplannen en dat politieke en bestuurlijke hervormingen nodig zijn om toe te treden tot de Europese Unie, bijvoorbeeld bij de aanpak van discriminatie, het bestrijden van corruptie en het functioneren van politie en justitie, dat de feitelijke toepassing van het wettelijke stelsel ter bescherming van de mensenrechten nog te wensen overlaat, onder andere op het gebied van integratie van Roma, en dat er dus nog onvolkomenheden zijn in het systeem van rechtsbescherming, maar uit die informatie kan niet geconcludeerd worden dat de op dit moment geboden bescherming zodanig gebrekkig is, dat de bestaande rechtsmiddelen in de regel niet daadwerkelijk beschikbaar zijn.

3.5.2. Uit het voortgangsrapport en het rapport van het US Department of State blijkt dat etnische minderheden en kwetsbare groepen, zoals Roma, het in Servië moeilijk hebben. Dat discriminatie en geweld tegen personen in individuele gevallen voorkomt, maakt echter niet dat Servië reeds hierom niet als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt. Uit voormelde informatiebronnen kan niet worden afgeleid dat vorenbedoelde problemen, in het bijzonder voor Roma, op een dermate grote schaal voorkomen dat de conclusie moet zijn dat Servië geen veilig land van herkomst is. Hierbij is van belang dat uit het EASO-rapport volgt dat slechts 2,1% van de asielverzoeken van Servische asielzoekers, met name bestaande uit Roma-gezinnen, in de lidstaten is ingewilligd. Verder volgt uit het voorgangsrapport dat de Ombudsman bijdraagt aan verbetering van de positie van kwetsbare groepen, door het doen van onderzoek en aanbevelingen. Tot slot volgt uit het voortgangsrapport en het rapport van het US Department of State dat in 2014 een nieuwe strategie voor de Roma-bevolkingsgroep is aangenomen, die heeft geleid tot vooruitgang in de registratie van ongedocumenteerde Roma met als gevolg een vermindering van het risico op staatloosheid.

Conclusie toetsing van de aanwijzing

3.6. Uit het vorenstaande volgt dat de aanwijzing van Servië als veilig land van herkomst voldoet aan het bepaalde in artikel 3.105ba, tweede lid, van het Vb 2000, dat er in Servië wet- en regelgeving is die vervolging en behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM verbiedt, dat die wet- en regelgeving wordt toegepast en dat daadwerkelijk een systeem van rechtsmiddelen beschikbaar is, hetgeen voor Roma niet anders is. De staatssecretaris heeft zorgvuldig onderzocht en deugdelijk gemotiveerd dat er in Servië algemeen gezien geen vervolging of behandeling in strijd met artikel 3 van het ERVM plaatsvindt als bedoeld in artikel 3.37f van het VV 2000, waardoor zijn aanwijzing van Servië als veilig land van herkomst voldoet aan de wettelijk voorgeschreven vereisten. Gelet hierop heeft de rechtbank de regeling van 10 november 2015 voor wat betreft de aanwijzing van Servië als veilig land van herkomst ten onrechte onverbindend verklaard.

3.7. De eerste grief slaagt.

De grief over de persoonlijke situatie van de vreemdelingen

4. In zijn tweede grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij onvoldoende heeft onderzocht of in Servië door de autoriteiten in het algemeen bescherming wordt geboden tegen de door hem geloofwaardig geachte problemen van de vreemdelingen. Onder verwijzing naar zijn eerste grief voert hij aan dat hij deugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdelingen tegen hun geloofwaardig geachte problemen de bescherming van de autoriteiten kunnen inroepen. Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank niet onderkend dat de vreemdelingen niet hebben onderbouwd dat zij als Roma dusdanig worden gediscrimineerd dat zij op grond daarvan als vluchteling moeten worden aangemerkt en dat zij voorts hebben nagelaten bescherming van de autoriteiten tegen de geloofwaardig geachte problemen in te roepen.

Beoordeling van de grief

4.1. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de aanwijzing van Servië als veilig land van herkomst, bestaat een algemeen rechtsvermoeden dat vreemdelingen uit Servië geen bescherming nodig hebben. Het ligt op de weg van de vreemdelingen om aannemelijk te maken dat Servië in hun specifieke omstandigheden toch niet veilig is. Wegens voornoemd rechtsvermoeden geldt daarbij een hoge drempel. Dit laat onverlet dat de staatssecretaris hetgeen de vreemdelingen aanvoeren over hun specifieke individuele omstandigheden zal moeten onderzoeken en zal moeten motiveren of dit er al dan niet toe leidt dat Servië voor de vreemdelingen niet veilig is.

4.2. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdelingen niet aannemelijk hebben gemaakt dat in hun geval geen bescherming kan worden geboden tegen hun geloofwaardig geachte problemen die verband houden met een geldschuld, reeds omdat zij zich niet tot de autoriteiten hebben gewend om daartegen bescherming te vragen, terwijl dit wel van hen verwacht mocht worden.

4.3. Anders dan de vreemdelingen hebben aangevoerd, volgt uit hun verklaringen niet dat zij als Roma stelselmatig gediscrimineerd zijn. Uit die verklaringen blijkt dat de autoriteiten aan hen officiële documenten hebben verstrekt, zij een huurwoning hadden, verzekerd waren voor ziektekosten, werk hebben gehad, een opleiding konden volgen en kinderbijslag en een uitkering ontvingen. Ook overigens volgt uit die verklaringen niet dat de vreemdelingen als Roma in die mate gediscrimineerd zijn dat zij voor asielrechtelijke bescherming in Nederland in aanmerking komen.

4.4. De tweede grief slaagt eveneens.

Conclusie

5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen van de vreemdelingen tegen de besluiten van 9 september 2016 van de staatssecretaris alsnog ongegrond verklaren.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 6 oktober 2016 in zaken nrs. 16/20492, 16/20499 en 16/20582;

III. verklaart de door de vreemdelingen in die zaken ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, griffier.

w.g. Verheij w.g. Willems

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2017

412-827.

BIJLAGE - Wettelijk kader

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 30b

1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien:

(…)

b) de vreemdeling afkomstig is uit een veilig land van herkomst in de zin van de artikelen 36 en 37 van de Procedurerichtlijn;

(…)

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid.

(…)

Vreemdelingenbesluit 2000

Artikel 3.105ba

1. Bij ministeriële regeling kan een lijst worden opgesteld van veilige landen van herkomst in de zin van de artikelen 36 en 37 van de Procedurerichtlijn.

2. De beoordeling of een land een veilig land van herkomst is dient te stoelen op een reeks informatiebronnen, waaronder in het bijzonder informatie uit andere lidstaten, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO), de UNHCR, de Raad van Europa en andere relevante internationale organisaties.

3. Onze Minister onderzoekt de situatie in derde landen die zijn aangemerkt als veilige landen van herkomst als bedoeld in het eerste lid regelmatig opnieuw.

Artikel 3.106b

1. Een derde land kan voor een vreemdeling alleen als een veilig land van herkomst worden aangemerkt wanneer hij:

a) ofwel de nationaliteit van dat land heeft, ofwel staatloos is en voorheen in dat land zijn gewone verblijfplaats had; en

b) niet heeft onderbouwd dat het land in zijn specifieke omstandigheden niet als een veilig land van herkomst kan worden beschouwd ten aanzien van de vraag of hij voor internationale bescherming in aanmerking komt.

2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de toepassing van het eerste lid.

Voorschrift Vreemdelingen 2000

Artikel 3.37f

1. Een land wordt als veilig land van herkomst beschouwd als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, onder b, van de Wet, wanneer op basis van de rechtstoestand, de toepassing van de rechtsvoorschriften in een democratisch stelsel en de algemene politieke omstandigheden kan worden aangetoond dat er algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging, noch van foltering of onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, noch van bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of intern gewapend conflict.

2. Bij de beoordeling of een land als veilig land van herkomst wordt beschouwd, wordt onder meer rekening gehouden met de mate waarin bescherming wordt geboden tegen vervolging of mishandeling door middel van:

a) de desbetreffende wetten en andere voorschriften van het betrokken land en de wijze waarop die worden toegepast;

b) de naleving van de rechten en vrijheden die zijn neergelegd in het EVRM en/of het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en/of het Verdrag van de Verenigde Naties tegen foltering, in het bijzonder de rechten waarop geen afwijkingen uit hoofde van artikel 15, lid 2, van het EVRM zijn toegestaan;

c) de naleving van het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag;

d) het beschikbaar zijn van een systeem van daadwerkelijke rechtsmiddelen tegen schendingen van voornoemde rechten en vrijheden.

3. Met inachtneming van het eerste en het tweede lid zijn als veilige landen van herkomst als bedoeld in artikel 3.105ba, eerste lid, van het Besluit aangewezen de landen die zijn opgenomen in bijlage 13 bij deze regeling.

Bijlage 13, behorend bij artikel 3.37f, derde lid, VV 2000 (veilige landen van herkomst)

[…]

Servië

[…]