Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:123

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
18-01-2017
Zaaknummer
201605586/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juni 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Aanlegplaatsen Vreeland Noordoost" gewijzigd vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2017/2898
AR 2017/273
Milieurecht Totaal 2017/6565
ABkort 2017/52
JOM 2017/71
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201605586/1/R2.

Datum uitspraak: 18 januari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Vreeland, gemeente Stichtse Vecht,

2. [appellante sub 2], gevestigd te Vreeland, gemeente Stichtse Vecht, en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 2]),

en

de raad van de gemeente Stichtse Vecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Aanlegplaatsen Vreeland Noordoost" gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellante sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 november 2016, waar [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. J. Rutteman, advocaat te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. T. de Smet, zijn verschenen.

Voorts is Stichting Commissie voor de Vecht en het Oostelijk en Westelijk plassengebied, vertegenwoordigd door mr. M.C. Smit-van Donselaar, gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1. Het plan voorziet in de aanleg van een haven voor zestig aanlegplaatsen met bijbehorende voorzieningen waaronder een vaste brug ter plaatse van de Bergseweg, steigers, parkeerplaatsen en een verenigingsgebouw met ondergeschikte horeca. Het plan is gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan. Er is daarbij een aantal bouw- en gebruiksverboden toegevoegd opdat het beoogde kleinschalige karakter zoveel als mogelijk wordt gewaarborgd, aldus het raadsvoorstel.

2. [appellant sub 1] woont aan de Vecht aan de [locatie] te Vreeland in de gemeente Stichtse Vecht. Dit is ten noorden van het plangebied op een afstand van ongeveer 200 m. Hij kan zich niet verenigen met het plan, omdat volgens hem geen sprake is van een eerlijke behandeling.

[appellante sub 2] is eigenaar van de gronden in het plangebied en tevens initiatiefnemer om in het plangebied een recreatieve haven te realiseren. [appellante sub 2] kan zich niet verenigen met de wijzigingen die in het plan zijn aangebracht ten opzichte van het ontwerpplan. Deze wijzigingen naar aanleiding van de naar voren gebrachte zienswijzen zijn volgens [appellante sub 2] te beperkend voor de exploitatie van de haven en vanuit ruimtelijk oogpunt niet nodig. [appellante sub 2] richt zich tegen de ten opzichte van het ontwerpplan nieuw opgenomen gebiedsaanduiding "overige zone-oeverzone" en tegen een aantal nieuw opgenomen bouw- en gebruiksverboden.

Beroep van [appellant sub 1]

Oneerlijke behandeling

3. [appellant sub 1] betoogt oneerlijk te zijn behandeld door zowel de provincie Utrecht als de gemeente Stichtse Vecht doordat hij de steiger bij zijn woning niet mocht behouden dan wel moest verkleinen vanwege het belang van de aanwezige natuurwetenschappelijke, landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden, terwijl de provincie Utrecht geen bezwaren heeft tegen de in het plan voorziene realisering van een haven en brug in de Bergseweg in hetzelfde gebied nabij zijn woning. In dit verband verwijst [appellant sub 1] naar een krantenartikel in de Vreelandpost van juni 2016 waarin staat dat de betrouwbaarheid van de overheid van doorslaggevend belang was om voor het plan te stemmen, omdat al zoveel inspanningen waren verricht om het plan te realiseren. Dit is volgens [appellant sub 1] onredelijk, aangezien hij zijn steiger niet mocht behouden en [appellante sub 2] wel haar plan mag realiseren.

3.1. De door [appellant sub 1] gemaakte vergelijking tussen de in het plan mogelijk gemaakte aanlegplaatsen voor boten en de steiger bij zijn woning treft geen doel. In deze procedure gaat het om de vaststelling van een plan door de raad. Dit betreft een ander bestuursorgaan, dan het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht dat [appellant sub 1] in 2007 op grond van de provinciale Verordening bescherming natuur en landschap provincie Utrecht 1996 heeft gelast zijn steiger te verwijderen dan wel te verkleinen.

Het betoog faalt in zoverre.

3.2. Voor zover [appellant sub 1] bedoelt dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening in verband met de gevolgen voor de natuur, het landschap en de cultuurhistorische waarden overweegt de Afdeling dat de raad in de plantoelichting en de daaraan ten grondslag gelegde rapporten heeft onderbouwd hoe de voorziene haven op aanvaardbare wijze in het landschap kan worden ingepast en hoe rekening is gehouden met de natuur en cultuurhistorische waarden. [appellant sub 1] heeft deze onderbouwing niet inhoudelijk bestreden. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich in zoverre niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan ruimtelijk aanvaardbaar is en strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het betoog faalt.

Beroep van [appellante sub 2]

Intrekking beroepsgrond

4. [appellante sub 2] heeft ter zitting haar beroepsgrond over de bouwhoogte van de voorziene brug, zoals opgenomen in artikel 6, lid 6.2.2, van de planregels, ingetrokken.

Aanduiding "overige zone - oeverzone"

5. [appellante sub 2] voert aan dat zij door het in artikel 6, lid 6.2.3, en artikel 7, lid 7.2.2, aanhef en onder b, van de planregels opgenomen verbod op keerwandconstructies ter plaatse van de aanduiding "overige zone-oeverzone" onnodig wordt belemmerd bij het treffen van waterbouwkundige voorzieningen. Zij voert aan dat in het aan het plan ten grondslag gelegde rapport "Ontwerpkeuzes definitief ontwerp sloephaven en vervangende nieuwbouw ijsbaan Vreeland" van 4 maart 2016 al staat dat natuurvriendelijke oevers zullen worden aangelegd. Ook zijn de planregels volgens haar niet nodig vanuit het oogpunt van landschappelijke inpassing.

5.1. Op grond van de artikelen 4, lid 4.1, onder e, artikel 6, lid 6.1 onder h, en artikel 7, lid 7.1 onder c, van de planregels zijn de voor onderscheidenlijk "Groen", "Verkeer" en "Water" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "overige zone-oeverzone" bestemd voor natuurvriendelijke oevers. Een natuurvriendelijke oever is volgens artikel 1.23 van de planregels een geleidelijk aflopende overgang van land naar water die een divers habitat biedt aan flora en fauna. Het door [appellante sub 2] bedoelde verbod op het plaatsen van keerwandconstructies is opgenomen in de artikelen 6, lid 6.2.3, en 7, lid 7.2.2, van de planregels. Deze planregels worden hierna weergegeven.

5.2. Artikel 6, lid 6.2.3: "In afwijking van het bepaalde in 6.2.1 is het verboden de volgende overige bouwwerken te bouwen:

a. keerwandconstructies ter plaatse van de aanduiding "overige zone - oeverzone"."

Artikel 7, lid 7.2.1: "Ten behoeve van de in artikel 7.1 genoemde doeleinden mogen de daarbij behorende overige bouwwerken worden gerealiseerd, met inachtneming van het bepaalde in 7.2.2 en de volgende bepalingen:

a. […]

c. keerwandconstructies, met dien verstande dat de hoogte niet meer bedraagt dan 1,0 meter ten opzichte van het waterpeil;

d. […]."

Artikel 7, lid 7.2.2: "In afwijking van het bepaalde in 7.2.1 is het verboden de volgende overige bouwwerken te bouwen:

a. […];

b. keerwandconstructies als bedoeld in 7.2.1, onder c, ter plaatse van de aanduiding "overige zone - oeverzone"."

5.3. Tussen partijen is niet in geschil dat natuurlijke oevers zullen worden gerealiseerd. Ter zitting is gebleken dat [appellante sub 2] zich richt tegen het in het plan opgenomen algemene verbod op keerwandconstructies. Daarbij heeft [appellante sub 2] toegelicht dat het door het opnemen van een dergelijk algemeen verbod niet mogelijk is om waterbouwkundige constructies, zoals de benodigde inlaat ten behoeve van de ijsbaan, te realiseren. Om deze inlaat te kunnen realiseren, dient volgens [appellante sub 2] de dijk te worden doorsneden door middel van een geul waarlangs zich een keerwandconstructie zal moeten bevinden. Ter zitting heeft [appellante sub 2] aan de hand van een foto van een bestaande door het waterschap goedgekeurde inlaat met keerwandconstructie in het plangebied toegelicht hoe de benodigde keerwandconstructie eruit zou kunnen zien. In reactie daarop heeft de raad ter zitting naar voren gebracht niet te hebben beoogd een door het waterschap goedgekeurde inlaat ten behoeve van de ijsbaan in het plan uit te sluiten. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het plan, voor zover in de artikelen 6, lid 6.2.3 en 7, lid 7.2.2, onder b, van de planregels geen uitzondering is opgenomen voor een door het waterschap goedgekeurde inlaat ten behoeve van de ijsbaan niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog slaagt.

Bouwverboden

6. [appellante sub 2] betoogt dat in artikel 5, lid 5.2.4 en artikel 7, lid 7.2.2, van de planregels beperkingen voor bouwen zijn opgenomen die onvoldoende zijn onderbouwd. De exploitatie van de haven wordt volgens [appellante sub 2] door deze beperkingen belemmerd zonder dat daarvoor ruimtelijke noodzaak bestaat.

6.1. De door [appellante sub 2] genoemde planregels luiden als volgt:

Artikel 5, lid 5.2.4: "Het is verboden overige bouwwerken in de vorm van vlaggenmasten, verlichtingsmasten, botenkranen en boatsavers te bouwen."

Artikel 7, lid 7.2.2: "In afwijking van het bepaalde in 7.2.1 is het verboden de volgende overige bouwwerken te bouwen:

a. boatsavers;

b.[…]."

6.2. De raad acht de hiervoor genoemde planregels noodzakelijk gelet op de locatie en het belang van omwonenden en wenst daarmee verrommeling door de komst van vlaggenmasten, verlichtingsmasten, botenkranen en boatsavers te voorkomen.

6.3. Ter zitting heeft [appellante sub 2] naar voren gebracht dat zijn beroep vooral is gericht tegen het in deze planregels opgenomen verbod om boatsavers in het water te bouwen. Boatsavers in het water zijn volgens [appellante sub 2] lichte constructies ter bescherming van het vaartuig. De landschappelijke waarden en de kleinschaligheid van de haven worden daardoor volgens [appellante sub 2] niet geschaad. In het plan is in artikel 1.11 van de planregels boatsaver gedefinieerd als een al dan niet drijvende overkapping voor een recreatievaartuig. Volgens [appellante sub 2] had de raad in het plan moeten aansluiten bij de definitie van boatsaver in de provinciale Landschapsverordening provincie Utrecht 2016, welke ruimte biedt voor lichte overkappingsconstructies.

De raad heeft daarover naar voren gebracht dat in het plan zestig aanlegplaatsen worden mogelijk gemaakt. Wanneer boatsavers in het water toegestaan zouden worden, zouden zestig boatsavers in het plangebied gerealiseerd kunnen worden. Dit acht de raad een te grote inbreuk op het landschap en niet wenselijk. Daarnaast zijn er volgens de raad andere mogelijkheden om boten te beschermen. Dit standpunt van de raad komt de Afdeling niet onredelijk voor. Voor zover [appellante sub 2] meent dat aangesloten had moeten worden bij de definitie van boatsaver in de provinciale landschapsverordening overweegt de Afdeling dat daarvoor geen rechtsgrond bestaat. In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een algeheel verbod op boatsavers heeft kunnen opnemen in het plan.

Het betoog faalt.

Lengte recreatievaartuig

7. [appellante sub 2] betoogt dat de in artikel 7, lid 7.3.1, van de planregels opgenomen gebruiksregel onnodig beperkend is voor de bedrijfsvoering van de haven. Uit de aan het plan ten grondslag gelegde verkeersonderzoeken volgt dat geen problemen zullen ontstaan wanneer geen maximale lengte voor vaartuigen is voorgeschreven, zodat de betreffende planregel niet nodig is. Verder is volgens [appellante sub 2] in de definitie van recreatievaartuig voldoende bepaald welke vaartuigen van de haven gebruik mogen maken en is het niet nodig de lengte van de vaartuigen te beperken tot 12 m. In dit verband voert [appellante sub 2] aan dat in de concept-zienswijzennota van maart 2016 de lengte van de recreatievaartuigen was beperkt tot 15 m en dat zij daarmee kon instemmen. Volgens [appellante sub 2] maakt het de haven, die buiten de bebouwde kom is voorzien, aantrekkelijker wanneer daar grotere boten dan 12 m mogen liggen, onder meer omdat buiten de bebouwde kom in de Vecht geen boten mogen liggen met een lengte van meer dan 12 m.

7.1. Artikel 7, lid 7.3.1, van de planregels luidt als volgt: "Tot een gebruik in strijd met de bestemming van de in artikel 7.1 bedoelde gronden en bouwwerken, wordt in ieder geval gerekend:

a. het gebruiken of laten gebruiken van ligplaatsen voor recreatievaartuigen met een lengte groter dan 12 m."

7.2. In de definitiebepaling van recreatievaartuig in het plan zijn geen beperkingen opgenomen omtrent de afmetingen van een recreatievaartuig. In artikel 1.32 van de planregels is recreatievaartuig gedefinieerd als een vaartuig, bestemd of in gebruik voor kortdurend recreatief verblijf van een of meerdere personen zonder overnachting. Naar aanleiding van de zienswijzen is in het plan een beperking opgenomen van de lengte van recreatievaartuigen in de haven. In de door [appellante sub 2] overgelegde concept-zienswijzennota van maart 2016 was onder 2.3.4 deze lengte beperkt tot 15 m. Blijkens de uiteindelijk vastgestelde Zienswijzennota van 1 juni 2016 (hierna: Zienswijzennota) heeft de raad de lengte beperkt tot 12 m. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat het doel van het plan is om een kleinschalige haven met zestig aanlegplaatsen voor recreatievaartuigen te realiseren. Om de kleinschaligheid te waarborgen stelt de raad een maximum te hebben gesteld aan het aantal aanlegplaatsen, de doorvaarthoogte van de toegang tot de haven te hebben beperkt, gebruiksbepalingen te hebben opgenomen voor ongewenst gebruik en een maximum lengte van de recreatievaartuigen te hebben opgenomen van 12 m. Deze 12 m is volgens de raad een redelijke en gangbare afmeting die ook in andere bestemmingsplannen van de gemeente is opgenomen, zoals het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Noord" en het bestemmingsplan in "Nieuwersluis". Dit is door [appellante sub 2] niet gemotiveerd bestreden. In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid ervoor heeft kunnen kiezen de lengte van de recreatievaartuigen voor het gebruiken of laten gebruiken van de in het plan voorziene ligplaatsen te beperken tot 12 m.

Het betoog faalt.

Gebruiksverboden

8. [appellante sub 2] betoogt dat de gebruiksverboden in artikel 11, lid 11.1 onder a, b en c, van de planregels onnodig beperkend zijn voor het gebruik van de haven. De ruimtelijke noodzaak voor het opnemen van deze planregels is volgens [appellante sub 2] onvoldoende onderbouwd. Uit het door Delft Infra Advies opgestelde verkeersonderzoek, waarvan de resultaten zijn opgenomen in de notitie "Verkeerseffecten aanlegplaatsen Vreeland Noordoost en beschouwing zienswijzen" van 1 april 2015 (hierna: verkeersnotitie), volgt dat geen problemen zullen optreden bij de afwikkeling van het verkeer of met het parkeren, aldus [appellante sub 2].

8.1. Artikel 11, lid 11.1, van de planregels luidt als volgt: "Tot een gebruik in strijd met de bestemming van de in dit plan begrepen gronden en bouwwerken, wordt in ieder geval gerekend:

a. het gebruiken en of laten gebruiken van de gronden en gebouwen ten behoeve van de verhuur van recreatievaartuigen;

b. het gebruiken of laten gebruiken van de gronden en gebouwen voor het plegen van grootschalig onderhoud aan de recreatievaartuigen, alsmede de opslag van recreatievaartuigen;

c. het gebruiken of laten gebruiken van de gronden en gebouwen voor stalling en opslag van recreatievaartuigen en onderdelen daarvan."

8.2. Zoals onder 1 is overwogen maakt het plan de realisering van een haven met een verenigingsgebouw met ondergeschikte horeca mogelijk. In de door [appellante sub 2] genoemde verkeersnotitie staat dat in het plan niet is uitgegaan van passanten of dagrecreatie. Over verhuur van recreatievaartuigen, onderhoud aan en stalling en opslag van recreatievaartuigen is daarin verder niets vermeld. De raad stelt dat deze activiteiten niet passen binnen de doelstelling van een kleinschalige haven voor toekomstige bewoners van de nieuwbouwwijk Vreeland Oost en bestaande bewoners uit Vreeland. De raad wil met deze planregels verrommeling en het creëren van bedrijvigheid in de zin van de Staat van bedrijfsactiviteiten, zoals grootschalig onderhoud, in het plangebied voorkomen. In dat kader is in artikel 1.27 van de planregels onderhoud van recreatievaartuigen gedefinieerd als activiteiten gericht op het in goede staat houden, dan wel brengen van recreatievaartuigen waarbij onderscheid wordt gemaakt in grootschalig onderhoud, indien sprake is van onderhoud buiten het waterbekken en waarbij gebruik wordt gemaakt van (veelal) machinale bewerkingen en kleinschalig onderhoud, indien sprake is van onderhoud aan aangemeerde recreatievaartuigen door de gebruiker zelf. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de in artikel 11, lid 11.1, van de planregels opgenomen gebruiksverboden in het plan heeft kunnen vaststellen. Voor zover [appellante sub 2] in dit verband naar voren heeft gebracht dat door het opnemen van een algeheel verbod op het verhuren van recreatievaartuigen ook particulieren hun recreatievaartuig niet mogen verhuren, is de Afdeling naar aanleiding van het besprokene ter zitting tot de conclusie gekomen dat artikel 11, lid 11.1, onder a, van de planregels zo moet worden begrepen dat de bedrijfsmatige verhuur van recreatievaartuigen niet is toegestaan.

Het betoog faalt.

Gebruiksregels voor ondergeschikte horeca

9. [appellante sub 2] betoogt dat de gebruiksbeperkingen ten aanzien van de in het plan mogelijk gemaakte ondergeschikte horeca in artikel 5, lid 5.3.1, onder e, f en g en lid 5.3.2, onder b tot en met e, van de planregels niet noodzakelijk zijn op grond van ruimtelijke afwegingen. Volgens [appellante sub 2] zijn in de Drank- en Horecaverordening Stichtse Vecht 2013 de noodzakelijke beperkende voorschriften opgenomen en blijkt uit zowel het akoestisch- als het verkeersonderzoek, dat ten grondslag ligt aan het plan, dat de bedrijfsvoering als toegestaan in het ontwerpplan niet tot problemen zal leiden. De zienswijze naar aanleiding waarvan deze planregels zijn opgenomen, is bovendien gebaseerd op de niet meer geldende Nota tijdelijk horecabeleid 2013, aldus [appellante sub 2].

9.1. De door [appellante sub 2] genoemde planregels luiden als volgt:

Artikel 5, lid 5.3.1: "Het uitoefenen van ondergeschikte horeca is in overeenstemming met de recreatieve functie van het verenigingsgebouw, indien wordt voldaan aan de volgende regels:

a. […];

e. de openingstijden van het verenigingsgebouw worden afgestemd op het feitelijke gebruik door de gebruikers van de aanlegplaatsen als bedoeld in 7.1, onder a, met dien verstande dat de uiterste openings- en sluitingstijd samenvalt met de periode van zonsopgang tot zonsondergang (of daarbinnen valt);

f. in afwijking van het bepaalde onder e mag maximaal vijf keer per kalenderjaar de sluitingstijd worden verlengd tot 01:00 uur ten behoeve van verenigingsactiviteiten, zoals vergaderingen en feestavonden, uitsluitend indien deze betrekking hebben op de vereniging.

g. ten behoeve van het afspelen van muziek gelden de volgende beperkingen:

1. muziek mag uitsluitend binnen het verenigingsgebouw worden afgespeeld;

2. het equivalent geluidniveau van de muziek mag niet meer bedragen dan aangegeven in het Activiteitenbesluit."

Artikel 5, lid 5.3.2: "Tot een gebruik in strijd met de bestemming van de in artikel 5.1 bedoelde gronden en bouwwerken wordt in ieder geval gerekend:

a. […]

b. het gebruiken of laten gebruiken van het verenigingsgebouw buiten de in 5.3.1 onder e genoemde openingstijden;

c. het gebruiken of laten gebruiken van het verenigingsgebouw anders dan voor de in 5.3.1, onder f, genoemde activiteiten, zoals het verhuren voor andere activiteiten of aan andere personen;

d. het afspelen van muziek buiten het verenigingsgebouw;

e. het afspelen van muziek met een equivalent geluidniveau hoger dan bepaald in het Activiteitenbesluit."

9.2. Ter zitting heeft [appellante sub 2] naar voren gebracht zich vooral te richten tegen de planregels over openingstijden die zijn beperkt tussen zonsopgang en zonsondergang en het afspelen van muziek buiten het verenigingsgebouw. Naar het oordeel van de Afdeling zijn deze planregels anders dan [appellante sub 2] betoogt ruimtelijk relevant. Een aan de bestemming "Recreatie" ondergeschikte horeca kan minder belastend zijn voor het woon- en leefklimaat voor omwonenden dan een zelfstandig functionerende horeca-inrichting. Met de omschrijving van het begrip verenigingsgebouw heeft de raad beoogd een vorm van horeca behorend bij een verenigingsgebouw mogelijk te maken die tevens past in de directe nabijheid van woningen. De planregels laten ruimte om eigen openingstijden vast te stellen binnen de periode tussen zonsopgang en zonsondergang. Vijf keer per jaar mag de sluitingstijd van het verenigingsgebouw verlengd worden tot 01:00 uur ten behoeve van verenigingsactiviteiten. Dit acht de Afdeling niet onredelijk.

Met betrekking tot de planregel over het afspelen van muziek buiten het verenigingsgebouw overweegt de Afdeling dat [appellante sub 2] niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze planregel voor haar onnodig bezwarend is. Ook anderszins ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd geen redenen dat de raad deze planregel over het afspelen van muziek buiten het verenigingsgebouw om geluidhinder voor omwonenden te voorkomen niet in het plan had mogen opnemen. Het afspelen van muziek buiten het verenigingsgebouw is niet betrokken in het aan het plan ten grondslag gelegde akoestisch rapport, dat in opdracht van [appellante sub 2] is opgesteld. Daarin staat op pagina twee dat het geluid afkomstig van muziek buiten beschouwing is gelaten, omdat binnen in de horecagelegenheid muziek alleen als achtergrondmuziek ten gehore wordt gebracht en op het terras geen muziek ten gehore zal worden gebracht. Voor zover onduidelijkheid mocht bestaan over het afspelen van muziek buiten het verenigingsgebouw, moet dit zo worden gelezen dat de muziekinstallatie niet buiten mag staan.

Het betoog faalt in zoverre.

9.3. Het betoog van [appellante sub 2] dat de regelgeving in de Drank- en Horecaverordening Stichtse Vecht 2013 voldoende beperkingen bevat voor de in het plan mogelijk gemaakte horeca treft geen doel, nu deze verordening geen betrekking heeft op de regulering van een goede ruimtelijke ordening. Voorts volgt uit de Zienswijzennota onder 2.2.4 dat de nota Gastvrij Stichtse Vecht, Nota tijdelijk horecabeleid 2013 gold tot 31 december 2013, zodat dit beleid niet behoefde te worden betrokken bij de vaststelling van het plan. Het betoog dat dit beleid is betrokken bij de vaststelling van het plan mist derhalve feitelijke grondslag.

Het betoog faalt.

Conclusie

10. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond. Het beroep van [appellante sub 2] is, gelet op hetgeen is overwogen onder 5.3, gegrond. Het bestreden besluit dient, voor zover in artikel 6, lid 6.2.3, en artikel 7, lid 7.2.2, onder b, van de planregels geen uitzondering is opgenomen voor een door het waterschap goedgekeurde inlaat ten behoeve van de ijsbaan, te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Opdracht

11. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor het plan voor zover vernietigd met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit vast te stellen. De Afdeling zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

Proceskosten

12. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellante sub 2] te worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub 1] bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellante sub 2]. en anderen gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Stichtse Vecht van 1 juni 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Aanlegplaatsen Vreeland Noordoost", voor zover in artikel 6, lid 6.2.3, en artikel 7, lid 7.2.2, onder b, van de planregels geen uitzondering is opgenomen voor een door het waterschap goedgekeurde inlaat ten behoeve van de ijsbaan;

III. draagt de raad van de gemeente Stichtse Vecht op om binnen 14 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen naar aanleiding van de onder II uitgesproken vernietiging;

IV. verklaart het beroep van [appellant sub 1] ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Stichtse Vecht tot vergoeding van bij [appellante sub 2]. en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Stichtse Vecht aan [appellante sub 2]. en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. F.D. van Heijningen en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Alderlieste, griffier.

w.g. Hagen w.g. Alderlieste

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2017

590.