Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1218

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-05-2017
Datum publicatie
10-05-2017
Zaaknummer
201600862/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:7577, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 april 2015, zoals aangevuld op 30 april 2015, heeft het college geweigerd aan [appellante] omgevingsvergunning te verlenen voor een nieuwe inrichting op het perceel [locatie] te Someren (hierna: het perceel) en heeft het voorts de bij besluit van 6 juli 2004 aan [appellante] verleende omgevingsvergunning voor een agrarisch bedrijf met vleesvarkens en opslag en verwerking van bijproducten op voormeld perceel ingetrokken.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2017/98 met annotatie van M. Velthuis
Gst. 2017/117 met annotatie van B. van der Vorm
AR 2017/4027
AR 2017/2454
JOM 2017/492
JBO 2017/144 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600862/1/A1.

Datum uitspraak: 10 mei 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Lierop, gemeente Someren,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 29 december 2015 in zaken nrs. 15/1431, 15/1423, 15/1429 en 15/1424 in het geding tussen onder meer:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Someren.

Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2015, zoals aangevuld op 30 april 2015, heeft het college geweigerd aan [appellante] omgevingsvergunning te verlenen voor een nieuwe inrichting op het perceel [locatie] te Someren (hierna: het perceel) en heeft het voorts de bij besluit van 6 juli 2004 aan [appellante] verleende omgevingsvergunning voor een agrarisch bedrijf met vleesvarkens en opslag en verwerking van bijproducten op voormeld perceel ingetrokken.

Bij afzonderlijk besluit van 21 april 2015 heeft het college in verband met de exploitatie van de inrichting op het perceel [appellante] onder oplegging van een dwangsom gelast het aanvoeren van varkens te beëindigen, de inrichting schoon te maken en de dierlijke mest af te voeren nadat de vleesvarkens zijn afgevoerd.

Bij uitspraak van 29 december 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 28 juli 2016 heeft het college besloten over te gaan tot invordering van de door [appellante] verbeurde dwangsommen van in totaal € 345.000,00.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 februari 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door J. Maessen en mr. B. Mutsaerts, bijgestaan door mr. F.A. Pommer, advocaat te Nijmegen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellante] exploiteert op het perceel een agrarisch bedrijf met vleesvarkens. Voor het op het perceel gevestigde agrarisch bedrijf en de bestaande opslag en verwerking van bijproducten heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant op 6 juli 2004 een revisievergunning ingevolge de Wet milieubeheer verleend. Op 17 november 2008 heeft [appellante] een nieuwe, de gehele inrichting omvattende, vergunning ingevolge de Wet milieubeheer (thans omgevingsvergunning) aangevraagd. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het college het Landelijk Bureau Bibob (hierna: het Bureau) gevraagd advies uit te brengen als bedoeld in artikel 9 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: de Wet Bibob). Het Bureau heeft op 13 februari 2014, zoals dat is gecorrigeerd op 26 februari 2015, advies uitgebracht. In dit advies heeft het Bureau geconcludeerd dat er een ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde en de eerder verleende vergunningen mede zullen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten en om strafbare feiten te plegen, zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet Bibob.

    Het college heeft dit advies aan het besluit tot weigering en intrekking van de omgevingsvergunning ten grondslag gelegd. Het heeft zich op het standpunt gesteld dat bedoeld ernstig gevaar met name bestaat, omdat is vastgesteld dat [appellante] in een zakelijk samenwerkingsverband staat of heeft gestaan tot natuurlijke personen en rechtspersonen die (vermoedelijk) strafbare feiten hebben gepleegd.

    De rechtbank heeft overwogen dat het college, met inachtneming van het advies van het Bureau, in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat een ernstig gevaar bestaat als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob.

2.    De relevante bepalingen van de Wet Bibob en de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) zijn opgenomen in de bijlage die integraal onderdeel is van deze uitspraak.

De weigering en intrekking van de omgevingsvergunning

3.    [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat geen zakelijk samenwerkingsverband als bedoeld in de Wet Bibob bestaat tussen haar en de verschillende in het advies met name genoemde vennootschappen en natuurlijke personen die vermoedelijk strafbare feiten hebben begaan. Hiertoe voert zij aan dat, voor zover er al een zakelijk samenwerkingsverband zou zijn, dat in rechtens relevante zin is beëindigd en er geen relevante bindingen meer resteren. [appellante] wijst er in dit verband op dat zij als afzonderlijke entiteit een gescheiden bedrijfsvoering voert ten opzichte van de betreffende vennootschappen en personen, die bovendien geliquideerd of gefailleerd zijn. [appellante] voert voorts aan dat een zakelijk samenwerkingsverband, gelet op het doel en de strekking van de Wet Bibob, gericht dient te zijn op het plegen van strafbare feiten dan wel in belangrijke mate daartoe bijdraagt en dat de belanghebbenden ten aanzien waarvan de besluiten worden genomen eveneens strafbare feiten hebben begaan dan wel daarbij betrokken zijn, waarvan in dit geval geen sprake is. Het is in strijd met het doel van de Wet Bibob om tot intrekking en weigering van de omgevingsvergunningen te besluiten ten aanzien van een inrichting, waar zich geen rechtens relevante strafbare feiten hebben voorgedaan, aldus [appellante].

3.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de door de rechtbank aangehaalde uitspraak van 9 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW5278), mag een bestuursorgaan, gelet op de expertise van het Bureau, in beginsel van het advies van het Bureau uitgaan. Dit neemt niet weg dat een bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen dat het advies en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand gekomen zijn en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval indien de feiten voor de conclusies te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is.

    Uit voormelde uitspraak van de Afdeling volgt eveneens dat voor het weigeren dan wel intrekken van vergunningen krachtens de Wet Bibob niet is vereist dat aannemelijk is dat strafbare feiten hebben plaatsgevonden binnen de inrichting op het perceel. Evenmin is vereist dat de strafbare feiten zijn gepleegd door werknemers van [appellante]. Noodzakelijk is dat strafbare feiten hebben plaatsgevonden en dat [appellante] in relatie staat tot de plegers van deze strafbare feiten.

3.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat voor het aannemen van een zakelijk samenwerkingsverband sprake moet zijn van een zakelijke relatie die gericht is op samenwerking en die een zeker duurzaam en structureel karakter heeft. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat daarbij niet is vereist dat de zakelijke relatie is gericht op het plegen van strafbare feiten en dat evenmin noodzakelijk is dat alle elementen van het zakelijk samenwerkingsverband afzonderlijk een relatie hebben met strafbare feiten die (vermoedelijk) binnen het zakelijk samenwerkingsverband zijn begaan. Evenmin is het hebben van onderlinge invloed op, of zeggenschap in de bestaande entiteiten een noodzakelijke voorwaarde voor het aannemen van een zakelijk samenwerkingsverband. Uit de tekst van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet Bibob volgt dat bij de beoordeling of een betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in artikel 3, tweede en derde lid, van de Wet Bibob, het bestaan van een zakelijk samenwerkingsverband niet op één lijn kan worden gesteld met het hebben van invloed en zeggenschap. Het zijn omstandigheden die afzonderlijk kunnen leiden tot de conclusie dat een betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in artikel 3, tweede en derde lid, van de Wet Bibob. Dat [appellante] als afzonderlijke entiteit een gescheiden bedrijfsvoering voert ten opzichte van de in het Bibob-advies genoemde overige aan het strafrechtelijk onderzoek onderworpen vennootschappen, naar gesteld, is op zichzelf derhalve onvoldoende reden om aan te nemen dat er geen zakelijk samenwerkingsverband bestaat.

    Niet in geschil is dat er tussen [appellante] en de in het Bibob-advies genoemde natuurlijke personen en rechtspersonen, die (vermoedelijk) strafbare feiten hebben begaan, zakelijke relaties, familierechtelijke relaties en financieringsrelaties bestaan dan wel bestonden. Op basis van de uit het onderzoek naar voren gekomen feiten en omstandigheden heeft het Bureau geconcludeerd dat binnen de onoverzichtelijke organisatiestructuur van natuurlijke en rechtspersonen een tweetal zakelijke samenwerkingsverbanden bestaan tussen [appellante] enerzijds en één of meer natuurlijke en rechtspersonen anderzijds. De rechtbank heeft in hetgeen [appellante] in beroep heeft aangevoerd terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college hiervan niet mocht uitgaan. Nog daargelaten dat ook in het verleden bestaande samenwerkingsverbanden in de beoordeling kunnen worden betrokken, heeft de rechtbank terecht geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de aan [appellante] gelieerde ondernemingen ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar zijn geliquideerd, gefailleerd dan wel anderszins zijn beëindigd. De rechtbank heeft terecht evenmin aanleiding gezien om te twijfelen aan de gemotiveerde conclusie in het Bibob-advies dat het overlijden van [persoon] niet tot gevolg heeft gehad dat het zakelijk samenwerkingsverband niet meer bestaat, aangezien tussen de nog in leven zijnde natuurlijke personen en nog bestaande rechtspersonen nog altijd een aanzienlijk aantal onderlinge verbanden bestaat van uiteenlopende aard.

    Het betoog faalt.

4.    [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de in het Bibob-advies vermelde en door haar niet betwiste feiten en omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat [appellante] reeds vanwege het bestaan van het zakelijk samenwerkingsverband in relatie staat tot de genoemde strafbare feiten. Hiertoe voert zij aan dat de Wet Bibob vereist dat sprake is van rechtens relevante strafbare feiten die toe te rekenen zijn aan [appellante]. Daarvan is in dit geval volgens [appellante] niet gebleken, omdat zij niet betrokken is bij de door andere vennootschappen en natuurlijke personen gepleegde ernstige strafbare feiten in het kader van de Meststoffenwet. De door haar gepleegde rechtens niet relevante overtredingen dateren van lang geleden, zijn van ondergeschikte aard en niet bewezen, aldus [appellante].

4.1.    Het college heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat [appellante] in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Wet Bibob, omdat [appellante] zelf, [bedrijf], zijnde enig aandeelhouder en bestuurder van [appellante], alsmede meerdere natuurlijke personen en rechtspersonen die in een zakelijk samenwerkingsverband staan tot [appellante], strafbare feiten hebben gepleegd, dan wel feitelijk leiding hebben gegeven aan de vennootschappen die deze strafbare feiten (vermoedelijk) hebben gepleegd.

    Uit het Bibob-advies blijkt dat binnen de in kaart gebrachte zakelijke samenwerkingsverbanden gedurende een lange periode een groot aantal milieudelicten is gepleegd waarmee de betrokken natuurlijke personen en rechtspersonen een zeer groot financieel voordeel hebben behaald. Dat de door [appellante] zelf begane overtredingen los staan van deze vermoedelijk gepleegde milieudelicten, zoals gesteld en wat daarvan ook zij, laat onverlet dat [appellante] in relatie staat tot bedoelde strafbare feiten, reeds omdat zij in een zakelijk samenwerkingsverband staat tot degenen die die strafbare feiten (vermoedelijk) hebben gepleegd, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen. Voor het oordeel dat de strafbare feiten die zijn gepleegd of vermoedelijk zijn gepleegd door een ander, tot wie [appellante] in een zakelijk samenwerkingsverband staat, moeten kunnen worden toegerekend aan [appellante] biedt de Wet Bibob geen grond.

    Het betoog faalt in zoverre.

4.2.    Om aan te kunnen nemen dat ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde of verleende vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet Bibob, vereist artikel 3, derde lid, onder a, van de Wet Bibob dat de in de beoordeling betrokken strafbare feiten gepleegd zijn bij activiteiten die overeenkomen dan wel samenhangen met de activiteiten waarvoor vergunning is gevraagd of verleend. Voor zover [appellante] heeft beoogd te betogen dat niet is voldaan aan het samenhangcriterium, nu de door haar gepleegde strafbare feiten niet zijn te relateren aan de binnen het zakelijk samenwerkingsverband vermoedelijk gepleegde strafbare feiten, en daarom rechtens niet relevant zijn, slaagt dit evenmin. Uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0168, kan worden afgeleid dat voldoende samenhang kan worden aangenomen tussen de activiteiten waarvoor de omgevingsvergunning is gevraagd dan wel is gegeven en de strafbare feiten waarmee [appellante] in verband wordt gebracht, als de omgevingsvergunning het plegen van deze strafbare feiten kan faciliteren. Het college heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat daarvan in dit geval sprake is. Daarbij heeft het college terecht in aanmerking genomen dat de (vermoedelijke) strafbare feiten met name zijn begaan bij varkenshouderijen in verband met handelingen met betrekking tot dierlijke meststoffen en varkens. Nu de omgevingsvergunningen zien op de exploitatie van een varkenshouderij en activiteiten die daarmee in direct verband staan, waaronder transport, opslag, verwerking van varkens en/of mest, heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat de strafbare feiten zijn gepleegd bij activiteiten die in het verlengde liggen van deze vergunde activiteiten.

4.3.    Gelet op vorenstaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college het Bibob-advies aan zijn besluit van 21 april 2015 ten grondslag mocht leggen en dat het voldoende heeft gemotiveerd dat ernstig gevaar bestaat dat de verleende en aangevraagde omgevingsvergunning door [appellante] mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten en om strafbare feiten te plegen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet Bibob.

    Het betoog faalt.

5.    [appellante] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij afweging van de bij het besluit betrokken belangen niet in redelijkheid de besluiten tot weigering en intrekking van de omgevingsvergunning heeft kunnen nemen. Hiertoe voert zij aan dat het bedrijf als gevolg van de besluitvorming moet worden gestaakt en dat het college had kunnen volstaan met minder ingrijpende maatregelen, nu de inrichting van [appellante] niet betrokken is geweest bij de strafbare feiten.

5.1.    Blijkens het besluit heeft het college het bedrijfseconomisch belang van [appellante] en het algemeen belang tegen elkaar afgewogen. Het college heeft het belang bij een ordelijke exploitatie van varkenshouderijen en daaraan verwante activiteiten en de naleving van wettelijke voorschriften alsmede het belang om oneerlijke concurrentie te voorkomen laten prevaleren boven het financiële belang van [appellante] bij voortzetting van de varkenshouderij. Gelet op de hoeveelheid strafbare feiten waarmee [appellante] in verband kan worden gebracht, alsmede op de aard en ernst daarvan, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de besluiten tot weigering van de omgevingsvergunning en tot intrekking van de verleende omgevingsvergunning heeft kunnen nemen.

    Nu het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat in dit geval een ernstig gevaar bestaat, bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat het college bevoegd was om minder ingrijpende maatregelen te treffen. Het college kan de in het zevende lid van artikel 3, van de Wet Bibob opgenomen bevoegdheid om voorschriften aan de vergunning te verbinden alleen gebruiken bij een mindere mate van gevaar.

    Het betoog faalt.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Invorderingsbeschikking

7.    Ingevolge artikel 5:39, eerste lid, van de Awb heeft het hoger beroep tegen de last onder dwangsom mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover belanghebbende deze beschikking betwist.

8.    Vast staat dat [appellante] een dwangsom van € 345.000,00 heeft verbeurd nu zij, naar niet in geschil is, niet binnen de gestelde begunstigingstermijn heeft voldaan aan de bij het besluit van 21 april 2015 opgelegde last, voor zover die ziet op het afvoeren van aanwezige dierlijke mest. Bij besluit van 28 juli 2016 is het college overgegaan tot invordering van het verbeurde bedrag aan dwangsommen.

9.    [appellante] betoogt dat het college heeft miskend dat er bijzondere omstandigheden zijn waardoor het college geheel of gedeeltelijk van invordering van de verbeurde dwangsommen had moeten afzien. Hiertoe voert [appellante] aan dat zij vanwege de gedwongen staking van de exploitatie van de varkenshouderij niet over de financiële middelen beschikt om de mest te kunnen afvoeren dan wel om de verschuldigde dwangsommen te kunnen voldoen. Voorts voert [appellante] aan dat faillissementen van de vennootschappen en alles wat daarmee samenhangt een verwoestend effect hebben gehad op het leven van meerdere personen, zodat invordering onevenredige gevolgen heeft.

9.1.    Bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom, dient aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

    De omstandigheden die [appellante] heeft aangevoerd, zijn geen bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld. Voor zover [appellante] heeft betoogd dat zij door een gebrek aan middelen niet aan de last kon voldoen, overweegt de Afdeling dat dit veeleer is gericht tegen het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom dan tegen het besluit tot invordering van de verbeurde dwangsommen. Voor zover [appellante] heeft betoogd dat zij niet over de financiële middelen beschikt om de verschuldigde dwangsommen te kunnen voldoen, overweegt de Afdeling dat een beroep op geringe draagkracht in de invorderingsfase in beginsel niet voor honorering in aanmerking komt. De Afdeling acht in dit geval geen bijzondere omstandigheden aanwezig die aanleiding geven om hiervan af te wijken. Overigens kan het college desgewenst een betalingsregeling vaststellen die voorziet in gespreide betaling van het verschuldigde bedrag. Dat de aan het invorderingsbesluit voorafgaande besluitvorming ingrijpende gevolgen heeft gehad voor meerdere personen is evenmin een bijzondere omstandigheid om van invordering af te zien.

    Het betoog faalt.

9.2.    Het beroep tegen het besluit van het college van 28 juli 2016 is ongegrond.

Proceskosten

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    verklaart het beroep tegen het besluit van 28 juli 2016 van het college van burgemeester en wethouders van Someren ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

w.g. Borman    w.g. Deen

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2017

604. BIJLAGE

Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob)

Artikel 3

1 Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of

b. strafbare feiten te plegen.

2 Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

3 Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

4 De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:

a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,

b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of

c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat of heeft gestaan.

5 De weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:

a. de mate van het gevaar en

b. voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

6 Eenzelfde bevoegdheid tot weigering dan wel intrekking als bedoeld in het eerste lid hebben bestuursorganen, indien feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd. De weigering dan wel intrekking vindt slechts plaats, indien deze tenminste evenredig is met, ingeval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit.

7 Voorzover blijkt dat geen sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, kan het bestuursorgaan bij mindere mate van gevaar aan de beschikking voorschriften verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar.

8 In dit artikel wordt mede verstaan onder strafbaar feit een overtreding waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.

Artikel 8

Er is een Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

Artikel 9

1. Het Bureau heeft tot taak aan bestuursorganen, voorzover deze bij of krachtens de wet de bevoegdheid hebben gekregen het Bureau daartoe te verzoeken, desgevraagd advies uit te brengen over de mate van gevaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid, of over de ernst van de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 3, zesde lid.

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 5:39

1 Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.