Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:118

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
18-01-2017
Zaaknummer
201604858/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 april 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Veegplan Buitengebied" (hierna: het veegplan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/487
JOM 2017/1216
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201604858/1/R3.

Datum uitspraak: 18 januari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Hengelo,

en

de raad van de gemeente Hengelo,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Veegplan Buitengebied" (hierna: het veegplan) vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [partijen] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 2016, waar zijn verschenen [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door B. Scholten en M. Brummelhuis.

Overwegingen

1. Het veegplan ziet op de vaststelling van een partiële herziening van het door de raad op 21 september 2010 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied". De partiële herziening houdt in dat voor een aantal plandelen een gewijzigde regeling wordt vastgesteld.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

3. [ appellant] is eigenaar van een perceel aan de Deldenerdijk te Hengelo. Zijn beroep is erop gericht dat op het perceel een bedrijfswoning kan worden gebouwd.

3.1. In het bestemmingsplan "Buitengebied" is aan het perceel van Bergman de bestemming "Agrarisch met Waarden - Agrarische functie met natuur- en landschapswaarden" en een bouwvlak met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - veldschuur" toegekend.

Artikel 5, lid 5.1, onder p, van de planregels bij het bestemmingsplan "Buitengebied" luidt: "De voor "Agrarisch met waarden - Agrarische functie met natuur- en landschapswaarden" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

[…]

met daaraan ondergeschikt:

p. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - veldschuur" ook voor (veld)schuren."

Artikel 5, lid 5.2.1, aanhef en onder f, luidt: "Ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - veldschuur" is uitsluitend een (veld)schuur toegestaan waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 4 meter, dan wel de bestaande hoogte indien deze meer bedraagt."

Artikel 5, lid 5.2.2, luidt: "Binnen deze bestemming mogen bedrijfswoningen ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

a. per agrarisch bouwvlak is maximaal één bedrijfswoning toegestaan;

[…]."

3.3. [appellant] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in de bouw van een bedrijfswoning op zijn perceel. Hiertoe voert hij aan dat het bestemmingsplan "Buitengebied" de bouw van een dergelijke woning nog wel toestond. In dit kader heeft [appellant] ter zitting betoogd dat artikel 5, lid 5.2.2, van de bij het bestemmingsplan "Buitengebied" behorende regels de bouw van een bedrijfswoning toestaat. Dat in artikel 5, lid 5.2.1, aanhef en onder f, van die planregels staat dat ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - veldschuur" uitsluitend een (veld)schuur is toegestaan, doet daaraan niet af, zo betoogt [appellant].

Verder wijst [appellant] erop dat hij concrete plannen heeft voor de bouw van een bedrijfswoning: hij heeft voor de bouw daarvan een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend.

3.4. Uit de tekst van artikel 5, lid 5.2.1, aanhef en onder f, van de planregels bij het bestemmingsplan "Buitengebied" volgt duidelijk dat ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - veldschuur" uitsluitend een veldschuur mag worden gebouwd. De redactie van artikel 5, lid 5.2.2, van de planregels biedt voorts geen ruimte voor de uitleg dat in afwijking van artikel 5, lid 5.2.1, aanhef en onder f, van de planregels ook een bedrijfswoning mag worden gebouwd ter plaatse van de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - veldschuur". De raad heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat de bouw van een bedrijfswoning ter plaatse van het perceel van [appellant] op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied" niet was toegestaan.

3.5. Met betrekking tot de vraag of er los van het voorgaande aanleiding was om in het onderhavige plan ter plaatse de nieuwvestiging van een bedrijfswoning mogelijk te maken, overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de bouw van een nieuwe bedrijfswoning op het perceel ruimtelijk gezien ongewenst is, gelet op de ligging ervan in het buitengebied. [appellant] heeft geen argumenten aangevoerd die leiden tot het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dat standpunt heeft kunnen stellen. Of ten behoeve van de bouw van die woning tijdig een concreet bouwplan is ingediend, laat de Afdeling daarom in het midden.

4. [ appellant] betoogt ten slotte dat de raad willekeurig heeft gehandeld. Hij voert hiertoe aan dat de raad met twee maten heeft gemeten, door de bouwmogelijkheden op zijn perceel sterk in te perken, terwijl elders een bouwvlak is verdubbeld.

4.1. De raad heeft ter zitting toegelicht dat het door [appellant] bedoelde bouwvlak in het ontwerpplan per abuis was vergroot ten opzichte van het bestemmingsplan "Buitengebied". Deze vergissing is bij de vaststelling van het onderhavige plan hersteld. Hiertoe heeft de raad erop gewezen dat het desbetreffende perceel geen onderdeel uitmaakt van het onderhavige plangebied, zodat er geen sprake is van een vergroting van het bouwvlak. Gelet op deze toelichting van de raad ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad willekeurig heeft gehandeld.

Het betoog faalt.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O.S. Nijveld, griffier.

w.g. Pans

lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2017

786.