Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:117

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
18-01-2017
Zaaknummer
201604773/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 maart 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Recreatiecentrum Garnwerd - zuidelijk deel van de Gemeente Winsum" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2017/54 met annotatie van M.A.J. West
AR 2017/302
JOM 2017/63
JGROND 2018/137 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
JGROND 2017/137 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201604773/1/R3.

Datum uitspraak: 18 januari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te Garnwerd, gemeente Winsum,

en

de raad van de gemeente Winsum,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Recreatiecentrum Garnwerd - zuidelijk deel van de Gemeente Winsum" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 2016, waar zijn verschenen [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden] en de raad, vertegenwoordigd door A. Spier.

Buiten bezwaren van de raad hebben [appellant] en anderen ter zitting een stuk in het geding gebracht.

Overwegingen

-inleiding

1. Het plangebied ligt aan de zuidoostzijde van het dorp Garnwerd, langs de rivier het Reitdiep. Het gebied was in het verleden in gebruik als kampeerterrein. Nu maakt het gebied onderdeel uit van Recreatiecentrum Garnwerd aan Zee. Het centrum bestaat onder meer uit een kleine recreatieve jachthaven met 65 tot 85 ligplaatsen en een restaurant. Het plan beoogt de inrichting van het plangebied als ligweide mogelijk te maken.

[appellant] en anderen wonen allen aan de Akkerstraat te Garnwerd, op korte afstand van het plangebied. Zij vrezen overlast als gevolg van de voorziene dagrecreatie. Met hun beroep willen zij daarom bereiken dat in het plan waarborgen worden opgenomen ter bescherming van hun woon- en leefklimaat.

-toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

-behandeling zienswijze

3. [appellant] en anderen betogen dat de zienswijze die zij naar voren hebben gebracht over het ontwerpplan onvoldoende serieus is behandeld. In dit kader wijzen zij erop dat hun zienswijze in de nota van zienswijzen is ingekort, waardoor de strekking en de samenhang zijn veranderd. Verder brengen zij naar voren dat de beantwoording van de zienswijzen tegenstrijdigheden bevat: zo staat in de nota zienswijzen dat het niet gaat om een nieuw bestemmingsplan, terwijl verderop te lezen is dat het plan een nieuw bestemmingsplan betreft. Ten slotte stellen zij aan de orde dat de indruk is ontstaan dat bij de beantwoording van de zienswijze niet is getracht te komen tot een oplossing.

3.1. Artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten van [appellant] en anderen niet in de overwegingen zijn betrokken. Hierbij betrekt de Afdeling dat ter zitting door de raad is toegelicht dat de veronderstelde tegenstrijdigheid een kennelijke verschrijving is. Bedoeld is tot uitdrukking te brengen dat het vast te stellen plan een nieuw bestemmingsplan is.

Het betoog faalt.

-strijd omgevingsverordening

4. [appellant] en anderen betogen dat het plan in strijd is met de Omgevingsverordening Groningen 2009 (hierna: de omgevingsverordening). Hiertoe voeren zij aan dat in de omgevingsverordening een verbod is opgenomen voor het gebruik van de gronden anders dan voor grasland, terwijl het plan ter plaatse onder meer voorziet in dagrecreatieve voorzieningen. Verder is het diepploegen, egaliseren en afschuiven van dijkgronden op grond van de verordening verboden, terwijl het plan dat wel mogelijk maakt, zo voeren [appellant] en anderen aan.

4.1. Ingevolge artikel 4.42, eerste lid, van de omgevingsverordening voorziet een bestemmingsplan niet in bouwmogelijkheden ten gevolge waarvan het bestaande profiel van de in bijlage 12, kaart 6a, aangegeven oude dijken of delen dan wel restanten daarvan worden gewijzigd.

Ingevolge het tweede lid stelt een bestemmingsplan in elk geval de volgende regels ten aanzien van de gebruiksmogelijkheden voor in de in bijlage 12, kaart 6a, aangegeven dijken:

a. een verbod op het diepploegen, egaliseren en afschuiven van dijkgronden;

b. een verbod op houtteelt en aanleg van boomgaarden;

c. een verbod op het gebruik anders dan als grasland.

4.2. Volgens de verbeelding is aan het plangebied de aanduiding "vrijwaringszone - dijk" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.4, van de planregels wordt onder strijdig gebruik in ieder geval begrepen:

e. het gebruiken van met "vrijwaringszone - dijk" aangeduide gronden anders dan als grasland, tenzij een ontheffing van de Provinciale Omgevingsverordening is verleend voor het gebruik anders dan als grasland;

f. het ontgronden, afgraven, ophogen en egaliseren van het dijklichaam, voor zover niet betrekking hebbend op normaal onderhoud;

g. het aanbrengen van opgaande beplantingen tussen de kruin van het dijklichaam en het Reitdiep, met uitzondering van grassen en riet;

h. het egaliseren en diepploegen.

4.3. De raad stelt zich op het standpunt dat met het bepaalde in artikel 3, lid 3.4, van de planregels wordt voldaan aan artikel 4.42 van de omgevingsverordening. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op dat standpunt heeft gesteld.

Het betoog faalt.

-vrees overlast

5. [appellant] en anderen betogen dat het plan leidt tot een ontoelaatbare verzwaring van de overlast die zij ervaren. Ter zitting hebben [appellant] en anderen geconcretiseerd dat het hen gaat om de geluidoverlast die de bezoekers van de ligweide veroorzaken. Verder hebben zij aangegeven dat de ligweide bezoekers trekt die de auto in hun straat parkeren. Ten slotte hebben [appellant] en anderen naar voren gebracht dat de bezoekers van de ligweide wandelen over de nabij de weide gelegen dijk. Vanaf deze dijk kunnen de bezoekers in de tuinen van [appellant] en anderen kijken.

[appellant] en anderen voeren verder aan dat de raad ten onrechte geen gewicht heeft toegekend aan het convenant dat in 2012 is gesloten tussen [initiatiefnemer], de gemeente en de bewoners van de Akkerstraat. In dit convenant staan afspraken over het voorkomen van overlast op het gebied van geluid en privacy als gevolg van de kampeeractiviteiten in het plangebied. De omstandigheid dat het plangebied ten tijde van het sluiten van het convenant nog werd gebruikt als camping, betekent volgens [appellant] en anderen niet dat aan de afspraken geen betekenis meer hoeft toe te komen: de wens om beschermd te worden tegen geluidoverlast en de inbreuk op de privacy is namelijk nog steeds actueel, zo brengen zij naar voren. In dit kader achten zij van belang dat de intiatiefnemer het gebruik van het plangebied in strijd met het destijds geldende bestemmingsplan heeft gewijzigd. Nu de afspraken in het convenant betrekking hebben op het gebruik van de gronden als camping, is een regeling in het plan ter bescherming van de overlast voor hen noodzakelijk, zo hebben zij ter zitting uiteen gezet.

[appellant] en anderen hebben er in dit verband verder op gewezen dat de afstand van hun woningen tot de recreatieplas beperkt is, namelijk 200 meter. Volgens de Handreiking "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 2009 geldt een richtafstand van 300 meter, zo brengen zij naar voren.

5.1. Wat geluidhinder betreft, heeft de raad gewezen op het akoestisch rapport van adviesbureau WMA van 13 augustus 2014 (bijlage 5 bij de plantoelichting). Hierin staat dat de geluidspieken als gevolg van gillen of schreeuwen boven de streefwaarden voor landelijk gebied uitkomen, maar dat het geluidniveau ruim blijft onder de grenswaarden zoals opgenomen in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening.

Over parkeren staat in de plantoelichting het volgende. Het parkeren en de routing van bezoekersverkeer is een belangrijk aandachtspunt. Daarvoor wordt via bebording - en via een parkeerwacht bij evenementen - gestuurd naar het parkeerterrein aan de overzijde van de molen aan de Hunzeweg, naar het parkeerterrein bij café Hammingh en de Doorrit, alsmede in toenemende mate naar het grote parkeerterrein ten zuiden van de begraafplaats aan de Oostumerweg. Via een voetpad wordt dit verbonden met de Akkerstraat en het vanaf hier aanwezige pad over de dijk naar het recreatiecentrum. Dit centrum zelf kent op eigen terrein een parkeergelegenheid aan het eind van de toegangsweg (met keermogelijkheid) vanaf de brugzijde, zo staat in de plantoelichting.

Wat privacy betreft heeft de raad ter zitting gesteld dat het plan geen betrekking heeft op de gronden waarop de dijk ligt, zodat voor zover het gebruik van het pad leidt tot een inbreuk op de privacy, het plan daar geen verandering in kan brengen.

5.2. Gelet op het akoestisch rapport ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het geluidniveau als gevolg van het plan ter plaatse van de woningen van [appellant] en anderen niet in redelijkheid aanvaardbaar heeft kunnen achten. Hierbij betrekt de Afdeling dat [appellant] en anderen weliswaar ter zitting hebben gesteld dat de metingen niet op representatieve dagen hebben plaatsgevonden, maar nu uit het akoestisch rapport blijkt dat ook op zonnige dagen metingen zijn gedaan, acht de Afdeling voldoende aannemelijk dat op representatieve dagen is gemeten.

De raad heeft echter niet inzichtelijk gemaakt dat de gevolgen van het plan voor de privacy van [appellant] en anderen in de beoordeling zijn betrokken. Met het standpunt dat de dijk geen onderdeel uitmaakt van het plangebied, zodat het gebruik van die dijk niet in dit plan kan worden geregeld, heeft de raad miskend dat het plan gevolgen voor het gebruik van die dijk kan meebrengen, en dat die gevolgen hadden moeten worden betrokken in de belangenafweging die ten grondslag ligt aan de vaststelling van het plan. Dit geldt temeer, daar de raad bij het sluiten van het door [appellant] en anderen bedoelde convenant nog wel aanleiding heeft gezien om afspraken te maken over niet alleen het voorkomen van geluidoverlast, maar ook over het verhinderen van zicht vanaf de dijk op de percelen van de bewoners aan de Akkerstraat.

5.3. Gezien het voorgaande geeft het aangevoerde aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen van het plan voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen van [appellant] en anderen. Daarom is het bestreden besluit genomen in strijd met de bij het voorbereiden van het besluit te betrachten zorgvuldigheid.

-conclusie

6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

7. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

8. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Winsum van 22 maart 2016 waarbij het bestemmingsplan "Recreatiecentrum Garnwerd - zuidelijk deel van de Gemeente Winsum" is vastgesteld;

III. draagt de raad van de gemeente Winsum op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II. wordt verwerkt op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Winsum tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 57,90 (zegge: zevenenvijftig euro en negentig cent), met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

V. gelast dat de raad van de gemeente Winsum aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O.S. Nijveld, griffier.

w.g. Pans

lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2017

786.