Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:115

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
18-01-2017
Zaaknummer
201600797/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2014 heeft de staatssecretaris de aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) voor de functie van begeleider wonen bij De Twentse Zorgcentra afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600797/1/A3.

Datum uitspraak: 18 januari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 22 december 2015 in zaak nr. 15/821 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2014 heeft de staatssecretaris de aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) voor de functie van begeleider wonen bij De Twentse Zorgcentra afgewezen.

Bij besluit van 5 maart 2015 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 december 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 september 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. A.H.J.G. van Voorthuizen, advocaat te Ede, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R. Faasse, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] werkte vanaf 1987 als begeleider wonen bij De Twentse Zorgcentra. De Twentse Zorgcentra is een aanbieder van zorg- en dienstverlening aan mensen met een verstandelijke beperking in Twente. Het dienstverband van [appellant] is met ingang van 1 december 2011 opgeschort wegens detentie in Duitsland. [appellant] wil zijn functie als begeleider wonen weer uitoefenen, maar dient daartoe eerst een VOG over te leggen.

2. Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens is een VOG een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, weigert de minister de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, kan de minister bij zijn onderzoek met betrekking tot de afgifte van de VOG van een natuurlijk persoon kennis nemen van op de aanvrager betrekking hebbende justitiële gegevens.

3. Bij de beoordeling van de aanvraag heeft de staatssecretaris de criteria toegepast die zijn gepubliceerd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2013 (Stcrt. 2013, 5409).

Volgens paragraaf 3 ontvangt de staatssecretaris ten behoeve van de beoordeling van een VOG-aanvraag alle justitiële gegevens betreffende de aanvrager die zijn geregistreerd in het Justitieel Documentatiesysteem (hierna: het JDS). Wanneer een aanvrager voorkomt in het JDS wordt de beoordeling of een VOG kan worden afgegeven verricht aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium.

Volgens paragraaf 3.1 wordt bij de beoordeling van de justitiële gegevens van de aanvrager een zogenoemde terugkijktermijn in acht genomen.

Volgens paragraaf 3.2 wordt de afgifte van de VOG in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die over de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.

Volgens paragraaf 3.2.2 toetst de staatssecretaris of het justitiële gegeven, op zichzelf en afgezien van de persoon van de aanvrager, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van de functie, taak dan wel bezigheid zou verhinderen, omdat daarbij een risico voor de samenleving ontstaat. Toepassing van het objectieve criterium ziet slechts op de vraag of er sprake zou zijn van een risico voor de samenleving wanneer dit of een soortgelijk strafbaar feit zou worden gepleegd door een persoon in de uitoefening van de functie, taak dan wel bezigheid waarvoor de VOG wordt aangevraagd. Bij de beoordeling van het objectieve criterium is niet relevant of het feit plaatsvond in de privésfeer. Evenmin is het relevant of er sprake is van een reëel recidivegevaar.

Volgens paragraaf 3.2.3 wordt bij de vaststelling van het risico voor de samenleving een onderverdeling gemaakt in risico’s voor informatie, geld, goederen, diensten, zakelijke transacties, proces, aansturen organisatie en personen. Met behulp van een algemeen screeningsprofiel en een aantal specifieke screeningsprofielen worden de risico’s nader uitgewerkt. Op basis hiervan wordt beoordeeld of een justitieel gegeven als relevant moet worden beschouwd voor het doel van de aanvraag.

Volgens paragraaf 3.3.1 ziet het subjectieve criterium op de omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van een VOG. Omstandigheden van het geval die altijd bij de beoordeling worden betrokken zijn de afdoening van de strafzaak, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten. In het geval dat de minister na weging van de omstandigheden van het geval niet tot een goede oordeelsvorming kan komen en twijfel heeft over de vraag of een VOG kan worden afgegeven, worden de omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden bij de beoordeling betrokken.

4. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat de staatssecretaris voldoende heeft gemotiveerd dat het objectieve criterium in de weg staat aan de afgifte van een VOG en dat het subjectieve criterium niet toch tot afgifte had moeten leiden.

5. Uit het JDS volgt dat [appellant] op 29 september 2012, in de terugkijktermijn, door het Landgericht Ravensburg in Duitsland is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren en negen maanden wegens het vijftien keer illegaal invoeren van grote hoeveelheden verdovende middelen. De uitspraak waarbij [appellant] is veroordeeld is op 6 oktober 2012 in kracht van gewijsde gegaan. Daarnaast is in het JDS vermeld dat de Officier van Justitie op 18 februari 2014 heeft besloten tot overname van de straf en tot gelasting van de verdere tenuitvoerlegging. Het besluit van de Officier van Justitie is onherroepelijk. Als kwalificatie van het feit is vermeld het meerdere keren opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, onder A, in samenhang gelezen met artikel 11, vierde lid, van de Opiumwet (drugsdelicten).

Het objectieve criterium

6. [appellant] voert aan dat de rechtbank ten onrechte een risico voor cliënten van De Twentse Zorgcentra heeft aangenomen en een belemmering voor een goede uitoefening van de functie indien de in het JDS geregistreerde drugsdelicten worden herhaald. Bij de vraag of er een risico is, had de rechtbank alleen moeten uitgaan van de drugsdelicten waarvoor hij is veroordeeld. Voor zover de rechtbank heeft aangenomen dat de staatssecretaris heeft mogen uitgaan van een herhaling van soortgelijke strafbare feiten, heeft zij nagelaten te motiveren wat onder die feiten dient te worden verstaan. Daarnaast zijn de cliënten geen drugsgebruikers of -afnemers. Ten tijde van de het plegen van de strafbare feiten was [appellant] reeds werkzaam als begeleider wonen zonder dat cliënten in aanraking zijn gekomen met drugs. De rechtbank heeft ten onrechte niet gemotiveerd op welke wijze de cliënten in aanraking kunnen komen met het criminele milieu. Verder heeft [appellant] geen strafbaar feit jegens een persoon gepleegd.

6.1. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat is voldaan aan het objectieve criterium. Volgens de staatssecretaris bestaat het risico dat cliënten van De Twentse Zorgcentra in aanraking komen met drugs(handel) en/of samenhangende criminaliteit. Daarnaast bestaat het risico dat grondstoffen voor medicijnen worden aangewend om drugs te vervaardigen en/of te verhandelen.

6.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4726), dient de staatssecretaris bij de toepassing van het objectieve criterium te onderzoeken of het justitiële gegeven, op zichzelf en afgezien van de persoon van de aanvrager, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van de functie zou verhinderen, omdat daarbij een risico voor de samenleving bestaat. Bij de toepassing van dit criterium is niet van belang of sprake is van een reëel recidivegevaar.

Voor de beoordeling of de justitiële gegevens van [appellant] een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie van begeleider wonen heeft de staatssecretaris het bij de Beleidsregels behorende screeningsprofiel "gezondheid en welzijn voor mens en dier van toepassing" gebruikt. Volgens dit screeningsprofiel vallen hieronder zowel beroepen in de intramurale als de extramurale zorg. Functionarissen in het screeningsprofiel zijn belast met de zorg voor personen en kunnen in een één-op-één relatie komen te verkeren met degenen die aan hun zorg zijn toevertrouwd. In deze relatie kan sprake zijn van een (tijdelijke) afhankelijkheid. Het risico bestaat dat misbruik wordt gemaakt van de (tijdelijke) afhankelijkheid en dat dat misbruik tot strafbare feiten zal leiden.

Aangezien [appellant] binnen de terugkijktermijn in het JDS voorkomt wegens het invoeren van grote hoeveelheden drugs in Duitsland heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft mogen stellen dat deze feiten op zichzelf en afgezien van de persoon van de aanvrager, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie van begeleider wonen. Uit paragraaf 3.2.2 van de Beleidsregels volgt dat bij de toepassing van het objectieve criterium het in het JDS vermelde feit of een soortgelijk feit in aanmerking dient te worden genomen. Voor het oordeel dat de rechtbank nader had moeten motiveren wat in dit geval onder soortgelijke strafbare feiten dient te worden verstaan is geen grond, nu duidelijk is dat het om drugsgerelateerde delicten gaat. Voorts heeft de staatssecretaris zich op het standpunt mogen stellen dat tussen [appellant] en cliënten van De Twentse Zorgcentra één-op-één relaties kunnen ontstaan en het risico bestaat dat deze relaties worden misbruikt waardoor cliënten in aanraking komen met drugs en daarmee samenhangende criminele activiteiten. Dat de cliënten volgens [appellant] geen drugsgebruikers of -afnemers zijn en hij de functie eerder zonder deze problemen uitoefende, neemt op zichzelf dit risico niet weg. Dat het justitieel gegeven geen betrekking heeft op een strafbaar feit jegens een persoon is verder niet van belang. Het betoog faalt.

Het subjectieve criterium

7. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat op grond van het subjectieve criterium een VOG had moeten worden afgegeven en dat de weigering disproportioneel is. Daartoe voert hij, wat betreft de afdoening van de strafzaak, aan dat indien de strafbare feiten waarvoor hij in Duitsland is veroordeeld in Nederland zouden zijn gepleegd hij minder streng zou zijn bestraft, nu hij de betreffende middelen enkel vervoerde ten behoeve van zijn vrienden in Duitsland. Daarnaast voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het tijdsverloop geen reden kan zijn om de VOG af te geven wegens de korte duur daarvan. In dit verband wijst [appellant] erop dat hij na zijn detentie niet heeft gerecidiveerd. De rechtbank gaat voorbij aan zijn begeleiding door het Penitentiair Trajectencentrum. Tijdens deze begeleiding is [appellant] zich, mede gelet op zijn leeftijd van 62 jaar, bewust geworden van de nadelige gevolgen van zijn detentie voor zijn mogelijkheden op de arbeidsmarkt. Ook voert [appellant] aan dat de rechtbank heeft nagelaten te motiveren waarom de omstandigheden waaronder hij de strafbare feiten heeft gepleegd niet tot een afgifte van een VOG kunnen leiden. Evenals in de zaak waarover de Afdeling bij uitspraak van 12 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:382, heeft geoordeeld, hadden deze omstandigheden daartoe moeten leiden. Tot slot voert [appellant] aan dat hij 27 jaren als begeleider wonen heeft gewerkt en in die jaren nooit misbruik van zijn functie heeft gemaakt en altijd naar tevredenheid heeft gefunctioneerd.

7.1. Vaststaat dat [appellant] is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor een duur van vijf jaren en negen maanden wegens het plegen van drugsdelicten. In de "last tot tenuitvoerlegging veroordelend vonnis" van het Openbaar Ministerie Oost Nederland van 18 februari 2014 gelast de Officier van Justitie tot de verdere tenuitvoerlegging van de in Duitsland opgelegde gevangenisstraf. Gelet hierop heeft de staatssecretaris zich op het standpunt mogen stellen dat [appellant] zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige strafbare feiten, wat ook zij van de stelling van [appellant] dat hij in Nederland minder streng zou zijn bestraft indien de strafbare feiten waarvoor hij in Duitsland is veroordeeld in Nederland zouden zijn gepleegd.

De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris aan het tijdsverloop na de in het JDS vermelde pleegdatum van 16 november 2011 geen zwaarwegend belang heeft hoeven toe te kennen. De staatssecretaris heeft in zijn afweging mogen betrekken dat [appellant] tot augustus 2014 in detentie heeft verbleven en dat hij zich tot zijn invrijheidstelling niet vrij heeft kunnen bewegen in de samenleving. Bovendien is hij nadien, in ieder geval tot het besluit op bezwaar van 5 maart 2015, begeleid door het Penitentiair Trajectencentrum.

Voorts was de staatssecretaris, gelet op paragaaf 3.3.1 van de Beleidsregels, niet gehouden de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd in zijn beoordeling te betrekken. De staatssecretaris heeft na weging van de omstandigheden van het geval in redelijkheid niet hoeven te twijfelen aan de vraag of de VOG kon worden afgegeven. Bovendien heeft [appellant] geen specifieke omstandigheden aangevoerd die aanleiding gaven tot het plegen van het strafbare feit. Dergelijke omstandigheden waren in de zaak waarover de Afdeling bij uitspraak van 12 februari 2014 heeft geoordeeld wel aanwezig.

Dat [appellant] naar zijn stellen altijd naar tevredenheid van De Twentse Zorgcentra heeft gefunctioneerd en dat hij gezien zijn leeftijd en de duur van zijn dienstverband bij De Twentse Zorgcentra moeilijk aan ander werk zal kunnen komen neemt, gelet op het risico dat cliënten in aanraking komen met drugs en daarmee samenhangende criminele activiteiten, de belemmering voor een behoorlijke uitoefening van de functie niet weg. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat niet is voldaan aan het subjectieve criterium en dat de weigering van de VOG disproportioneel is. Het betoog faalt.

Conclusie

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. K.S. Man, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Man

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2017

629.