Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:112

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
18-01-2017
Zaaknummer
201508645/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 januari 2013 heeft het college aan Sachem Europe B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van haar inrichting voor de productie van en handel in organische chemicaliën aan het Van Voordenpark 15 te Zaltbommel.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1557
AR 2017/266
JOM 2017/72
JBO 2017/31 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201508645/1/A1.

Datum uitspraak: 18 januari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Stichting Veiliger Zaltbommel, gevestigd te Zaltbommel,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 oktober 2015 in zaak nr. 14/166 in het geding tussen:

de stichting

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland.

Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2013 heeft het college aan Sachem Europe B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van haar inrichting voor de productie van en handel in organische chemicaliën aan het Van Voordenpark 15 te Zaltbommel.

Bij besluit van 27 november 2013 heeft het college het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard en het besluit van 24 januari 2013 gewijzigd.

Bij uitspraak van 15 oktober 2015 heeft de rechtbank het door de stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting hoger beroep ingesteld.

Het college en Sachem hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 september 2016, waar de stichting, vertegenwoordigd door mr. J.E. Dijk, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door R. Rikmanspoel en R. Jansen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Sachem, vertegenwoordigd door mr. H.M.F.F. Verbeet, ir. J.W.P.M. Knaapen, V. van de Pas en R.A. Rosman, gehoord.

Overwegingen

1. Bij besluit van 21 december 2006 heeft het college aan Sachem een revisievergunning als bedoeld in de Wet milieubeheer (thans omgevingsvergunning) verleend die de gehele inrichting omvat. In die vergunning is bepaald dat de termijn voor het voltooien en in werking hebben van de aangevraagde koelinstallatie zes jaar bedraagt, te rekenen vanaf de datum van vergunningverlening. Deze termijn houdt verband met het uitvoeren van een grondwater- en bodemsanering op het bedrijfsterrein van Sachem, waarbij grondwater wordt opgepompt. Sachem gebruikt dat grondwater mede als koelwater, waarna het wordt geloosd op oppervlaktewater. Omdat de sanering nog niet is afgerond, heeft Sachem wijziging van de vergunning gevraagd, in die zin dat het tijdstip van het plaatsen van de koelinstallatie wordt afgestemd op het tijdstip van beëindiging van de sanering. De bij besluit van 24 januari 2013 verleende omgevingsvergunning, zoals gewijzigd bij besluit van 27 november 2013, ziet op het uitstel van het plaatsen van de koelinstallatie en het voortzetten van het gebruik van opgepompt grondwater als koelwater. De termijn voor realisatie van de koelinstallatie is bij die vergunning bepaald op drie maanden na afronding van de grondwatersanering.

2. Het college heeft de vergunning verleend met toepassing van artikel 3.10, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), omdat verlenging van de termijn voor plaatsing van de koelinstallatie volgens hem niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan volgens de revisievergunning van 21 december 2006 is toegestaan. De rechtbank heeft het college hierin gevolgd. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat een aantal door de stichting aangevoerde beroepsgronden geen betrekking heeft op het toetsingskader voor het verlenen van een vergunning als hier in geding.

3. De stichting betoogt dat de rechtbank bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een milieuneutrale verandering, ten onrechte ervan is uitgegaan dat het gebruik van opgepompt grondwater als koelwater op grond van de vergunning van 21 december 2006 was toegestaan. De rechtbank heeft miskend dat die vergunning verplichtte tot het in 2012 overschakelen op een ander koelsysteem, waarbij niet langer grote hoeveelheden grondwater zouden worden onttrokken. Vergeleken met de situatie dat een ander koelsysteem in werking is, is het voortzetten van de grondwateronttrekking en het daarmee gepaard gaande gebruik van grondwater als koelwater niet milieuneutraal. Zo is het gebruik van glycol-koeling milieuvriendelijker dan het gebruik van grondwater als koelwater. Verder leidt de lozing van het grondwater op oppervlaktewater tot een verslechtering van de kwaliteit van het oppervlaktewater, aldus de stichting.

De stichting betoogt voorts dat een koelsysteem waarbij grondwater wordt opgepompt, niet kan worden aangemerkt als een voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare techniek. Zij wijst er in dit verband op dat een deel van de grondwateronttrekking niet nodig is voor de bodem- en grondwatersanering en uitsluitend dient voor het gebruik als koelwater. Nu bij het verlenen van een milieuomgevingsvergunning moet worden getoetst aan het vereiste van de toepassing van de beste beschikbare technieken, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de beroepsgronden over het onttrekken en lozen van grondwater in deze procedure niet aan de orde kunnen komen, aldus de stichting.

3.1. De relevante bepalingen van de Wabo zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

3.2. Uit het bepaalde in de artikelen 2.14, vijfde lid, en 3.10, derde lid, van de Wabo volgt dat de omgevingsvergunning moet worden verleend indien de gevraagde verandering van de inrichting niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan volgens de geldende omgevingsvergunning zijn toegestaan.

De aanvraag die ten grondslag ligt aan de vergunning van 21 december 2006, behelst onder meer het gebruik van een koelinstallatie. In de vergunning is bepaald dat de termijn voor het voltooid en in werking hebben van de koelinstallatie 6 jaar bedraagt na verlening van de vergunning. De koelinstallatie moest derhalve in 2012 zijn gerealiseerd en in werking zijn gebracht. Er is niet een specifiek koelsysteem vergund; in de vergunning wordt overwogen dat Sachem pas later kiest voor een systeem en daarbij de BREF Industriële koelsystemen in acht moet nemen. In vergunningvoorschrift 14.1 is bepaald dat vier weken voor de plaatsing van de koelinstallatie moet worden aangetoond dat aan het vereiste van toepassing van de beste beschikbare technieken is voldaan. Ten tijde van het nemen van het besluit op de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het veranderen van de inrichting waren de milieugevolgen die op grond van de geldende vergunning waren toegestaan dus niet de gevolgen van het koelen met opgepompt koelwater, maar de milieugevolgen van het gebruik van een koelinstallatie die als beste bestaande techniek kan worden aangemerkt. Die gevolgen moeten worden vergeleken met de gevolgen van het voortzetten van het koelen met opgepompt grondwater, zijnde de situatie waarvoor in 2013 vergunning is verleend.

3.3. Het in artikel 2.14, eerste lid, van de Wabo neergelegde vereiste dat de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast, geldt, gelet op het vijfde lid, niet bij het verlenen van een vergunning met toepassing van artikel 3.10, derde lid. Voor zover de stichting betoogt dat niet aan dit vereiste wordt voldaan, faalt het derhalve.

Verder gaat het om de nadelige gevolgen voor het milieu als bedoeld in de Wet milieubeheer. Dat betekent dat de gevolgen van het oppompen van grondwater en het lozen van afvalwater, welke activiteiten vallen onder het vergunningvereiste van de Waterwet, niet kunnen worden betrokken bij de beoordeling van de aanvraag van Sachem voor een omgevingsvergunning voor het veranderen van de inrichting. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de beroepsgronden die daarop betrekking hebben buiten het toetsingskader vallen. Het betoog faalt in zoverre.

3.4. Bij besluit van 18 april 2013 heeft het waterschap Rivierenland vergunning krachtens de Waterwet verleend voor voortzetting van een grondwateronttrekking in de periode van 1 juli 2013 tot 1 juli 2023, met een maximale hoeveelheid te onttrekken grondwater van 1.800.000 m3 per jaar. Deze vergunning gold ten tijde van het nemen van het besluit van 27 november 2013. Weliswaar is deze vergunning bij uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:234, vernietigd omdat niet het waterschap maar het college het tot vergunningverlening bevoegde gezag is, maar er was voor het college geen aanleiding om te veronderstellen dat voor de grondwateronttrekking geen Waterwetvergunning kon worden verleend. De grondwateronttrekking vindt plaats ten behoeve van de grondwatersanering op een deel van het bedrijfsterrein van Sachem. Verder kon het college ervan uitgaan dat niet meer grondwater wordt opgepompt en als koelwater wordt gebruikt dan voor de sanering nodig is. De ontwerp-Waterwetvergunning van 13 juli 2016 is daar ook op afgestemd. Het gaat bij de aangevraagde verandering dus over het gebruik van voor andere doeleinden opgepompt grondwater als koelwater.

Het gebruik van een koelinstallatie is thans, nu koelwater voorhanden is, zowel uit bedrijfseconomisch oogpunt als uit een oogpunt van bescherming van het milieu, niet nodig. Zoals het college ter zitting heeft gesteld kan ervan worden uitgegaan dat het gebruik van een koelinstallatie, die aan het vereiste van toepassing van de beste beschikbare technieken voldoet, meer nadelige milieugevolgen heeft, bijvoorbeeld ten aanzien van geluidemissie, energieverbruik en externe veiligheid, dan het bovenbedoelde gebruik van grondwater als koelwater. Het college heeft dan ook terecht de gevraagde vergunning verleend met toepassing van artikel 3.10, derde lid, van de Wabo. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen. Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier.

w.g. Slump w.g. Van der Maesen de Sombreff

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2017

190.

BIJLAGE

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

(…)

e.

(…)

2°. het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting of mijnbouwwerk of

(…).

Artikel 2.14

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e:

(…)

c. neemt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval in acht:

1°. dat in de inrichting of het mijnbouwwerk ten minste de voor de inrichting of het mijnbouwwerk in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden toegepast;

(…)

5. In afwijking van het eerste tot en met vierde lid wordt in gevallen als bedoeld in artikel 3.10, derde lid, de omgevingsvergunning verleend indien wordt voldaan aan de in het laatstgenoemde lid gestelde voorwaarden.

Artikel 3.10

1. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op:

(…)

c. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e;

(…)

3. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een verandering van een inrichting of mijnbouwwerk of de werking daarvan, die niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan volgens de geldende omgevingsvergunning is toegestaan, waarvoor geen verplichting bestaat tot het maken van een milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer, en die niet leidt tot een andere inrichting of mijnbouwwerk dan waarvoor eerder een omgevingsvergunning is verleend.