Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:110

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
18-01-2017
Zaaknummer
201601664/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 februari 2016, kenmerk 708527/758310, heeft het college aan de stichting Stichting Faunabeheereenheid Noord-Holland (hierna: de Faunabeheereenheid) een vergunning krachtens de artikelen 16 en 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor de uitvoering van de aan de Faunabeheereenheid verleende ontheffing krachtens artikel 68 van de Flora- en Faunawet (hierna: Ffw) voor het populatiebeheer van damherten in het Natura 2000-gebied "Kennemerland-Zuid".

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Flora- en faunawet
Natuurbeschermingswet 1998
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/265
Module Ruimtelijke ordening 2017/7696 met annotatie van G. van den End
Milieurecht Totaal 2017/6571
ABkort 2017/53
Omgevingsvergunning in de praktijk 2017/7498
JOM 2017/73
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601664/1/R2.

Datum uitspraak: 18 januari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. Stichting de Faunabescherming (hierna: de Faunabescherming), gevestigd te Amstelveen,

2. Stichting Herstel Inheems Duin (hierna: de Stichting), gevestigd te Amsterdam,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2016, kenmerk 708527/758310, heeft het college aan de stichting Stichting Faunabeheereenheid Noord-Holland (hierna: de Faunabeheereenheid) een vergunning krachtens de artikelen 16 en 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor de uitvoering van de aan de Faunabeheereenheid verleende ontheffing krachtens artikel 68 van de Flora- en Faunawet (hierna: Ffw) voor het populatiebeheer van damherten in het Natura 2000-gebied "Kennemerland-Zuid".

Tegen dit besluit hebben de Faunabescherming en de Stichting beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Faunabescherming en de Stichting hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 november 2016, waar de Faunabescherming, vertegenwoordigd door A.P. de Jong, de Stichting, vertegenwoordigd door C. Piël, bijgestaan door mr. J.E. Dijk, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.A. Schoordijk en ing. C.F.P. Vrolijk, L. van Breukelen en ing. R. Lensink, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Bij besluit van 9 februari 2016 heeft het college aan de Faunabeheereenheid onder voorschriften ontheffing verleend als bedoeld in artikel 68 van de Ffw voor het populatiebeheer van damherten door het doden daarvan binnen het leefgebied met gebruik van een geweer met geluiddemper en een hond. De Ffw-ontheffing voorziet in het terugbrengen van het aantal damherten tot 1.000 stuks, waarvan 800 in de Amsterdamse Waterleidingduinen en 200 in het Nationaal Park Zuid-Kennemerland. De Amsterdamse Waterleidingduinen en het Nationaal Park Zuid-Kennemerland liggen beide binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied "Kennemerland-Zuid". De Ffw-ontheffing is verleend met het oog op de belangen gemoeid met het voorkomen van schade aan flora en fauna en schade aan het verkeer en de verkeersveiligheid. De Faunabeheereenheid kan via de wildbeheereenheden jacht(akte)houders, en zo nodig incidenteel individuele grondgebruikers, schriftelijk machtigen tot gebruik van de ontheffing. De ontheffing is verleend voor de periode tot 17 november 2020.

De onderhavige Nbw-vergunning is verleend voor de activiteiten die voortvloeien uit het gebruik van deze aan de Faunabeheereenheid verleende ontheffing als bedoeld in artikel 68 van de Ffw voor het beheren van de populatie damherten in het Natura 2000-gebied "Kennemerland-Zuid". Aan de vergunning zijn voorschriften verbonden.

De Faunabescherming en de Stichting hebben bezwaar tegen de Nbw 1998-vergunning. De Faunabescherming is van mening dat geen damherten zouden moeten worden afgeschoten. De Stichting is daarentegen van mening dat meer damherten zouden moeten worden afgeschoten.

De relevante regels uit de Nbw 1998 en de Habitatrichtlijn zijn vermeld in de bijlage bij deze uitspraak.

2. Bij besluit van 25 april 2013, zoals gewijzigd bij besluit van 16 oktober 2014, is het gebied "Kennemerland-Zuid" krachtens artikel 10a van de Nbw 1998 aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, vierde lid, van de Habitatrichtlijn. Het gebied is aangewezen voor verscheidene habitattypen en de habitatsoorten Nauwe korfslak (H1014), Meervleermuis (H1318) en Groenknolorchis (H1903).

Het beroep van de Faunabescherming

3. De Faunabescherming kan zich niet verenigen met de Nbw-vergunning. Zij betoogt dat de vergunning is verleend in strijd met de grondgedachte die blijkt uit de preambule van het Verdrag inzake biologische diversiteit, Rio de Janeiro, 5 juni 1992, (hierna: Biodiversiteitsverdrag). Zij

voert daartoe - onder verwijzing naar een notitie die begin 2016 is uitgebracht door F.W.M. Vera (hierna: de notitie) - aan dat voor het behoud van biodiversiteit nodig is dat inheemse soorten als het damhert de vegetatie beïnvloeden. Die invloed kan volgens haar niet als schadelijk worden aangemerkt en dient te worden bepaald door uitsluitend natuurlijke processen, waarmee grootschalig populatiebeheer als hier aan de orde zich niet verdraagt. Het vorenstaande is volgens de Faunabescherming ten onrechte niet onderkend in stukken die aan de vergunning ten grondslag liggen, omdat is uitgegaan van een te beperkte betekenis van het begrip biodiversiteit.

De Faunabescherming betoogt voorts dat de gevolgen van de huidige aantallen damherten op het gebied onvoldoende in kaart zijn gebracht. Zij voert onder verwijzing naar verscheidene foto’s, studies en rapporten aan dat geen sprake is van negatieve, maar juist van positieve gevolgen voor de flora, fauna en biodiversiteit in het gebied. De Faunabescherming stelt dat in het gebied beheermaatregelen als maaien, snoeien en afplaggen worden getroffen. Dat deze maatregelen nodig zijn, bevestigt volgens haar dat de begrazing door damherten niet overmatig is en zelfs niet kan worden gemist. Gelet op het vorenstaande is onvoldoende onderbouwd dat de bestaande populatie damherten schadelijk is voor de natuur en dat het om die reden nodig zou zijn damherten te doden, aldus de Faunabescherming. Nu de vergunde activiteit volgens het college niet noodzakelijk is voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen, is de aanleiding voor het verlenen van de Nbw-vergunning volgens de Faunabescherming onduidelijk.

De Faunabescherming betoogt tevens dat het verminderen van het aantal damherten negatieve effecten met zich brengt, zoals een toename van verbossing en verstruiking. Daarnaast betoogt zij dat damherten en andere diersoorten, waaronder soorten waarvoor het gebied is aangewezen, worden verstoord door het afschieten, nu het gebruik van geluiddempers op geweren niet wegneemt dat dieren een schot horen. Het geluid van de mondingsknal is ondanks het gebruik van een geluiddemper meer dan 110 dB en de geluidsbarrièreknal blijft 140 dB, zo stelt de Faunabescherming. In het rapport is onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom het afschieten geen significante effecten voor de meervleermuis met zich brengt. Zij voert hiertoe aan dat onduidelijk is waarop de in het rapport vermelde afstand van 250 meter rond de bunkers die de verblijfplaatsen van deze soort vormen, is gebaseerd. Ook is niet uitgesloten dat zich daarbuiten vliegroutes en foerageergebied van deze soort bevinden. Volgens de Faunabescherming is onduidelijk hoe het aan de vergunning verbonden voorschrift 12, op grond waarvan geen afschot mag plaatsvinden binnen 250 meter van de vijf bunkers die gebruikt worden door meervleermuizen, aan jagers wordt opgelegd en of dit handhaafbaar is. Verder betoogt de Faunabescherming dat ten onrechte de gevolgen van de afvoer van de kadavers met gemotoriseerd vervoer niet inzichtelijk zijn gemaakt.

Ten slotte betoogt de Faunabescherming dat ten onrechte geen alternatieve maatregelen zijn onderzocht om de begrazingsdruk te verminderen, zoals het plaatsen van rasters.

3.1. Het college wijst erop dat de noodzaak tot het uitvoeren van populatiebeheer in de procedure die heeft geleid tot de verlening van de Ffw-ontheffing is komen vast te staan. De gevolgen van het afnemen van de begrazingsdruk en het schieten met geweren zijn volgens het college geïnventariseerd en brengen geen significant negatieve effecten met zich voor de habitattypen of soorten waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen. Het college baseert zich hierbij op de vergunningaanvraag, het rapport "Passende beoordeling aantalsreductie damherten Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid; Toetsing in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998" (hierna: het rapport), uitgebracht door Bureau Waardenburg in 2015, en het Faunabeheerplan ‘Damherten in het Noord- en Zuid-Hollandse duingebied 2016-2020’ (hierna: het Faunabeheerplan), dat is opgesteld door de Faunabeheereenheden Noord-Holland en Zuid-Holland.

3.2. Wat betreft het betoog dat het Biodiversiteitsverdrag aan verlening van de Nbw 1998-vergunning in de weg staat omdat het begrip biodiversiteit gelet op de preambule van dat verdrag zo moet worden begrepen dat de invloed van inheemse soorten als het damhert op de vegetatie per definitie niet als schadelijk kan worden gezien en dat de populatieomvang van deze soorten gevrijwaard moet blijven van beheer, overweegt de Afdeling het volgende. De preambule van het Biodiversiteitsverdrag, waarnaar de Faunabescherming verwijst, bevat geen bepalingen die voor de rechter als een ieder verbindend als bedoeld in artikel 93 van de Grondwet kunnen worden ingeroepen. De Faunabescherming heeft, daartoe door de Afdeling in de gelegenheid gesteld, ook niet gewezen op één of meer artikelen uit het Biodiversiteitsverdrag die dergelijke bepalingen bevatten.

Het betoog faalt reeds daarom.

3.3. In de onderhavige procedure staat uitsluitend de verleende Nbw-vergunning ter beoordeling. Over de betogen van de Faunabescherming dat in de instandhoudingsdoelstellingen van het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied, het Faunabeheerplan en de daaraan ten grondslag liggende rapporten ten onrechte geen aandacht wordt besteed aan het van oorsprong in het gebied aanwezige damhert, dat de noodzaak van het afschot van damherten niet is aangetoond en dat resterende damherten ondanks het gebruik van geluiddempers door het geluid van geweerschoten worden verstoord, overweegt de Afdeling het volgende.

Ingevolge artikel 19d moet bij het verlenen van een vergunning worden bezien welke gevolgen een activiteit heeft voor de soorten waarvoor het gebied is aangewezen als Natura 2000-gebied. De bedoelde oorspronkelijke fauna, het damhert, is geen soort waarvoor het gebied is aangewezen als Natura 2000-gebied of was aangewezen als beschermd natuurmonument. De vraag wat de effecten van het afschieten voor deze diersoort zijn, staat daarom in de onderhavige procedure niet ter beoordeling. Om diezelfde reden staan de gevolgen van afschot voor andere diersoorten waarvoor het gebied niet is aangewezen in deze procedure evenmin ter beoordeling.

Voor zover de Faunabescherming stelt dat de soort damhert wel in het aanwijzingsbesluit opgenomen had moeten worden, dient dit buiten beschouwing te blijven in dit geding. De procedure betreffende het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied "Kennemerland-Zuid" was de aangewezen procedure om dit bezwaar aan te voeren. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ3436.

3.4. Voor zover de Faunabescherming heeft aangevoerd dat het afschieten van damherten niet noodzakelijk is, overweegt de Afdeling, zoals zij eerder heeft gedaan in de uitspraak van 30 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2174, dat het college bij de verlening van een vergunning ingevolge artikel 19d van de Nbw 1998 ingevolge artikel 19e ook dient te beoordelen of de aangevraagde vergunning bij afweging van de betrokken belangen kan worden verleend. Deze belangenafweging in het kader van artikel 19e van de Nbw 1998 vergt echter niet dat het college bij verlening van een Nbw-vergunning dient te beoordelen of de activiteit waarop de aangevraagde vergunning ziet, noodzakelijk is. Het college moet bezien of het door de aanvrager gestelde belang bij die activiteit aannemelijk is, welk belang vervolgens wordt afgewogen tegen de daartegenover staande natuurbelangen. Het college heeft in dit verband aansluiting gezocht bij de krachtens de Ffw aan de Faunabeheereenheid verleende ontheffing, waarin staat dat afschot van damherten noodzakelijk is met het oog op het voorkomen van schade aan flora en fauna in het Natura 2000-gebied en aanrijdingen met damherten. In de door de Faunabescherming overgelegde notitie, foto’s, studies en rapporten heeft het college in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om te twijfelen aan voormeld belang van de Faunabeheereenheid bij de vergunning.

Het betoog faalt.

3.5. Aan het betoog van de Faunabescherming dat het college de gevolgen van de activiteit ‘uitvoering van de activiteiten die voortvloeien uit het gebruik van de aan de Faunabeheereenheid verleende Ffw-ontheffing’ onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt, ligt de veronderstelling ten grondslag dat deze activiteit een project is als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 waarvan de gevolgen in een passende beoordeling inzichtelijk dienen te worden gemaakt. Het college heeft de gevolgen van de activiteit binnen het Natura 2000-gebied "Kennemerland-Zuid" in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen voor de habitattypen en -soorten waarvoor dit Natura 2000-gebied is aangewezen in zijn geheel beoordeeld op basis van de aanvraag, het rapport en de daarbij behorende gegevens. Indien de activiteit ‘uitvoering van de activiteiten die voortvloeien uit het gebruik van de aan de Faunabeheereenheid verleende Ffw-ontheffing’ in dit geval een project zou zijn als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998, zouden deze stukken naar het oordeel van de Afdeling kunnen worden aangemerkt als een passende beoordeling. Het college heeft zich op basis van het rapport en de aan de vergunning verbonden voorschriften ervan verzekerd geacht dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast. Indien het college zich hiervan inderdaad verzekerd heeft mogen achten, kan in dit geval in het midden worden gelaten of deze activiteit op de betrokken gronden in het Natura 2000-gebied "Kennemerland-Zuid" als een project of als een andere handeling moet worden beschouwd. De Afdeling zal derhalve in de overwegingen 3.6 tot en met 3.10 eerst aan de hand van de beroepsgronden beoordelen of het college zich op basis van het rapport en de aan de vergunning verbonden voorschriften ervan verzekerd heeft mogen achten dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast.

3.6. Wat betreft het betoog dat afschot van damherten leidt tot een vermindering van de begrazing door deze dieren, hetgeen negatieve effecten zal hebben voor het Natura 2000-gebied, overweegt de Afdeling als volgt. De effecten van een verminderde begrazing door damherten zijn beschreven in het rapport.

In paragraaf 4.2.1 van het rapport zijn de effecten voor aangewezen habitattypen beschreven. Volgens het rapport zijn de meeste van de aangewezen habitattypen gebaat bij extensieve vormen van begrazing. In de verschillende gebiedsdelen vindt begrazing plaats door runderen, wisenten, schapen en damherten. Begrazing is tot op zekere hoogte noodzakelijk om vergrassing, verstruiking en verbossing tegen te gaan. Op basis van verschillende onderzoeken wordt in het rapport geconcludeerd dat de begrazingsdruk door damherten evenwel zo groot is dat flora- en andere faunasoorten daaronder lijden. Volgens het rapport heeft een afname van de begrazingsdruk dan ook een positief effect op de natuurwaarden, en zijn negatieve effecten op de habitattypen waarvoor het gebied is aangewezen uitgesloten.

In paragraaf 4.2.2 van het rapport zijn de effecten voor aangewezen soorten beschreven. De nauwe korfslak leeft in de strooisellaag op de overgang van bos en struweel naar open terrein. Als de begrazingsdruk afneemt, kan de strooisellaag dikker worden en kan strooisel voorkomen op meer locaties. Voor de nauwe korfslak is het effect van de vermindering van de begrazingsdruk volgens het rapport dan ook neutraal tot positief. Omdat een verminderde begrazingsdruk kansen biedt voor de groei en bloei van planten, kan dit ook een positief effect hebben op de groenknolorchis. De omvang van de begrazingsdruk is volgens het rapport niet van belang voor de meervleermuis. In het rapport wordt geconcludeerd dat negatieve effecten door een afname van de begrazingsdruk voor de soorten waarvoor het gebied is aangewezen zijn uitgesloten.

In het bestreden besluit is op basis van het rapport gesteld dat, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, significant negatieve effecten op het Natura 2000-gebied zijn uitgesloten. De door de Faunabescherming overgelegde stukken gaan niet specifiek in op de effecten van de afname van begrazing door het damhert voor de habitattypen en soorten waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen. Uit die stukken volgt evenmin dat de beoogde vermindering van het aantal damherten zal leiden tot een zodanige vermindering van de begrazing door damherten dat daardoor negatieve effecten optreden voor de aangewezen habitattypen en soorten. Uit de omstandigheid dat, zoals niet in geschil is, begrazing door damherten ook positieve effecten met zich brengt en dat, naar de Faunabescherming stelt, andere factoren met zich brengen dat negatieve effecten in het gebied optreden, volgt evenmin dat de afname van de begrazingsdruk door vermindering van het aantal damherten significant negatieve effecten met zich brengt voor de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Dat geldt ook voor de door de Faunabescherming naar voren gebrachte omstandigheid dat andere beheermaatregelen worden getroffen, zoals afplaggen, snoeien en maaien. Ter zitting is immers komen vast te staan dat de vermelde maatregelen onder meer worden getroffen om opgehoopte stikstof in de bodem, invasieve exoten en lokaal grof struweel te verwijderen, hetgeen niet plaatsvindt door begrazing door damherten. Hetgeen de Faunabescherming heeft aangevoerd, geeft gelet op het vorenstaande geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat door de afname van begrazing door damherten de instandhoudingsdoelstellingen voor de habitattypen en soorten waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen niet in geding komen.

Het betoog faalt.

3.7. Voor zover de Faunabescherming stelt dat het geluid van de geweerschoten soorten waarvoor het gebied is aangewezen zal verstoren, geldt het volgende. Het Natura 2000-gebied is aangewezen voor de soorten nauwe korfslak, meervleermuis en groenknolorchis. In het bestreden besluit is, op basis van paragraaf 4.2.2 van het rapport, vermeld dat het geluid van de geweerschoten geen effect heeft op deze soorten, omdat de nauwe korfslak en groenknolorchis geen gehoororganen hebben en het schieten plaatsvindt buiten een straal van 250 meter rond de bunkers waar zich meervleermuizen bevinden, waarmee verstoring van deze dieren door geluid wordt voorkomen.

Het college heeft ter zitting een nadere toelichting gegeven op de gevolgen van de geweerschoten voor de meervleermuis. Daarbij heeft het college uiteengezet dat de meervleermuizen de bunkers uitsluitend als winterverblijf gebruiken. Gedurende de winterperiode houden de meervleermuizen een winterslaap in de bunkers binnen het gebied. In winterslaap zijn meervleermuizen minder gevoelig voor geluid, omdat zij hun gehoorfunctie daarbij gedeeltelijk uitschakelen. Voorts dringt vanwege de constructie en inbedding in het landschap amper geluid van buiten door in de bunkers. Voor zover door schoten piekgeluiden doordringen tot in de bunkers, maakt dat niet dat de overwinterende meervleermuizen daardoor worden verstoord. Zodra de meervleermuizen ontwaken uit hun winterslaap verlaten zij de bunkers en het gebied, naar bijvoorbeeld de op ruime afstand gelegen oostelijke Vechtplassen. Dan kan verstoring door geweerschoten niet langer plaatsvinden. Dat niet binnen een straal van 250 meter rond de bunkers mag worden geschoten, is zekerheidshalve als voorschrift aan de vergunning verbonden zodat elk effect op deze soort is uit te sluiten, aldus het college. De Faunabescherming heeft het vorenstaande niet bestreden. Het college heeft zich gelet hierop terecht op het standpunt gesteld dat het geluid van de geweerschoten geen significant negatieve effecten met zich brengt voor de soorten waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen. Het betoog faalt.

3.8. Wat het in de praktijk brengen van het aan de vergunning verbonden voorschrift 12 betreft, is het volgende van belang. Ingevolge dit voorschrift zal afschot niet plaatsvinden binnen 250 meter van de vijf bunkers die gebruikt worden door meervleermuizen.

Op grond van het rechtszekerheidsbeginsel dient uit een vergunning duidelijk te blijken welke rechten en plichten deze in het leven roept. De locatie van de bunkers is weergegeven in figuur 3.2 van het rapport, dat deel uitmaakt van de vergunning. Gelet op het vorenstaande blijkt uit de vergunning dat geen afschot mag plaatsvinden binnen een straal van 250 meter rond de bedoelde bunkers. De Afdeling is van oordeel dat de vergunning daarmee voldoende duidelijkheid biedt over het schieten nabij deze bunkers. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat niet handhavend zou kunnen worden opgetreden tegen afschot dat plaatsvindt binnen 250 meter van deze bunkers.

Het betoog faalt.

3.9. Wat gevolgen van de afvoer van de kadavers betreft, overweegt de Afdeling het volgende. De Afdeling stelt vast dat het gebruik van gemotoriseerde voertuigen buiten de paden voor de afvoer van kadavers geen onderdeel van de aangevraagde en vergunde activiteit is, nu deze uitsluitend betrekking heeft op het gebruik van de Ffw-ontheffing en deze ontheffing niet ziet op het gebruik van gemotoriseerde voertuigen buiten de paden. Het college heeft in dit verband toegelicht dat de gemotoriseerde voertuigen op de paden blijven staan en dat de kadavers daar naartoe worden gedragen. Zoals het college ter zitting heeft toegelicht, zijn hiervan geen nadelige effecten te verwachten. Dit volgt ook uit het rapport, waarbij over de effecten van het afschot is vermeld dat daartoe het duin wordt betreden maar dat hiervan, mede nu dit in het niet valt bij de reeds toegestane betreding van het gebied buiten de paden door bezoekers, geen negatieve effecten zijn te verwachten. Het college heeft tevens toegelicht dat nauwelijks extra voertuigbewegingen plaatsvinden, omdat het afschot wordt gecombineerd met de gebruikelijke controlerondes die in het gebied worden verricht met gemotoriseerde voertuigen. De Faunabescherming heeft dat niet bestreden. Het college heeft zich gelet hierop terecht op het standpunt gesteld dat de afvoer van de kadavers geen significant negatieve effecten met zich brengen voor de soorten waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen.

Het betoog faalt.

3.10. Uit de voorgaande overwegingen volgt dat hetgeen de Faunabescherming heeft aangevoerd, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet op grond van de passende beoordeling ervan verzekerd heeft mogen achten dat als gevolg van het afschot de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast.

Het college heeft gelet hierop terecht afgezien van een beoordeling of alternatieven bestaan voor de aangevraagde handeling. Een beoordeling daarvan is immers ingevolge artikel 19g en 19h van de Nbw 1998 eerst nodig als het college de voormelde zekerheid niet zou hebben verkregen. Het betoog faalt.

3.11. Nu het college zich op grond van de passende beoordeling ervan verzekerd heeft mogen achten dat als gevolg van de activiteit ‘uitvoering van de activiteiten die voortvloeien uit het gebruik van de aan de Faunabeheereenheid verleende Ffw-ontheffing’ de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast, kan in dit geval in het midden worden gelaten of deze activiteit op de betrokken gronden in het Natura 2000-gebied "Kennemerland-Zuid" als een project als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998, of als een andere handeling moet worden beschouwd.

4. De Faunabescherming heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. De Faunabescherming heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

5. De conclusie is dat hetgeen de Faunabescherming heeft aangevoerd, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van de Faunabescherming is ongegrond.

Het beroep van de Stichting

6. De Stichting betoogt dat de vergunning ten onrechte erop is gericht om de populatie damherten in een periode van zes jaar terug te brengen tot 1.000 stuks, terwijl de populatie volgens haar tot 150 stuks zou moeten worden teruggebracht. Zij voert hiertoe onder verwijzing naar verscheidene studies aan dat de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied alleen kunnen worden gehaald als de populatie damherten wordt teruggebracht tot 150 stuks en in gevaar komen als de populatie slechts tot 1.000 stuks wordt verminderd. De vergunning is volgens de Stichting onzorgvuldig voorbereid omdat dit niet is onderkend. Ook staat de vergunde omvang van de activiteit volgens de Stichting op gespannen voet met artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn.

Daarnaast betoogt de Stichting dat uit artikel 19d van de Nbw 1998 volgt dat aan een Nbw-vergunning alleen voorschriften kunnen worden verbonden ter voorkoming van negatieve effecten op de waarden waarvoor het gebied is aangewezen. Omdat het verminderen van de populatie damherten tot minder dan 1.000 stuks geen negatieve effecten met zich brengt voor deze waarden, zijn volgens haar ten onrechte voorschriften aan de vergunning verbonden die als doel hebben dat de populatie niet verder wordt verminderd.

6.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het gehouden is om de vergunningaanvraag te beoordelen op basis van de aangevraagde activiteit en niet op basis van een alternatieve omvang.

6.2. In de onderhavige procedure staat uitsluitend de verleende Nbw-vergunning ter beoordeling. Voor zover de Stichting betoogt dat Ffw-ontheffing had moeten worden verleend voor

het terugbrengen van het aantal damherten tot het volgens de Stichting gewenste aantal, kan dat in deze procedure niet aan de orde komen. Het betoog faalt.

6.3. De Nbw-vergunning is aangevraagd en verleend voor de activiteiten die voortvloeien uit de Ffw-ontheffing van 9 februari 2016, die is verleend voor het terugbrengen van het aantal damherten tot een stand van 1.000 stuks.

Het college dient, zoals het terecht heeft gesteld, te beslissen op basis van de aanvraag zoals deze is ingediend. Het college hoefde derhalve niet te beoordelen of een Nbw-vergunning kon worden verleend voor een andere activiteit of de activiteit in een grotere omvang dan waar in de aanvraag om is verzocht. Hetgeen de Stichting heeft aangevoerd, geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de vergunning onzorgvuldig is voorbereid.

De aan de vergunning verbonden voorschriften bepalen onder meer dat afschot niet plaatsvindt in het weekend, niet binnen een straal van 250 meter rond de bunkers waar meervleermuizen zijn en niet gedurende het broedseizoen in de duinen. Voorts mogen niet meer dan 100 damherten per week worden afgeschoten. Deze voorschriften hebben onder meer tot doel de vegetatie en de soorten te beschermen. Anders dan de Stichting stelt, zijn de voorschriften gelet op het vorenstaande niet gericht op een beperking van het totale aantal door afschot te doden damherten. Het betoog faalt.

7. De Stichting heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. De Stichting heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

8. De conclusie is dat hetgeen de Stichting geeft aangevoerd, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van de Stichting is ongegrond.

Proceskosten

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, griffier.

w.g. Hoekstra w.g. Taal

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2017

325-743.

Bijlage

Nbw 1998

Artikel 10a

1 Onze Minister wijst gebieden aan ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn.

2 Een besluit als bedoeld in het eerste lid bevat de instandhoudingsdoelstelling voor het gebied. Tot de instandhoudingsdoelstelling behoren in ieder geval:

a. de doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van de leefgebieden, voorzover vereist ingevolge richtlijn Vogelrichtlijn of

b. de doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van de natuurlijke habitats of populaties in het wild levende dier- en plantensoorten voorzover vereist ingevolge Habitatrichtlijn.

3 De instandhoudingsdoelstelling, bedoeld in het tweede lid, kan mede betrekking hebben op doelstellingen ten aanzien van het behoud, het herstel en de ontwikkeling van het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis van het gebied, anders dan vereist ingevolge de richtlijnen, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 16

1 Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten of, ten aanzien van handelingen als bedoeld in het zesde lid, van Onze Minister, in een beschermd natuurmonument handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen, die schadelijk kunnen zijn voor het natuurschoon, voor de natuurwetenschappelijke betekenis van het beschermd natuurmonument of voor dieren of planten in het beschermd natuurmonument of die het beschermd natuurmonument ontsieren, dan wel in strijd met de bij een vergunning gestelde voorschriften of beperkingen handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen.

2 Als schadelijke handelingen worden in elk geval aangemerkt handelingen die de in het besluit tot aanwijzing als beschermd natuurmonument vermelde wezenlijke kenmerken van het beschermde natuurmonument aantasten.

3 […]

4 Het in het eerste lid bedoelde verbod is tevens van toepassing op handelingen als bedoeld in dat lid die buiten het beschermd natuurmonument kunnen worden verricht en die zijn vermeld in het besluit tot aanwijzing als beschermd natuurmonument, bedoeld in artikel 10 […].

Artikel 19d

1 Het is verboden zonder vergunning, of in strijd met aan die vergunning verbonden voorschriften of beperkingen, van gedeputeerde staten of, ten aanzien van projecten of andere handelingen als bedoeld in het vijfde lid, van Onze Minister, projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.

Artikel 19e

Gedeputeerde staten houden bij het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, rekening

a. met de gevolgen die een project of andere handeling, waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, kan hebben voor een Natura 2000-gebied;

b. met een op grond van artikel 19a of artikel 19b vastgesteld beheerplan, en

c. vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, alsmede regionale en lokale bijzonderheden.

Artikel 19f

1 Voor projecten waarover gedeputeerde staten een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, nemen, en die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, maakt de initiatiefnemer alvorens gedeputeerde staten een besluit nemen, een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, van dat gebied.

Artikel 19g

1 Indien een passende beoordeling is voorgeschreven op grond van artikel 19f, eerste lid, kan een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, slechts worden verleend indien gedeputeerde staten zich op grond van de passende beoordeling ervan hebben verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast.