Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:100

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
18-01-2017
Zaaknummer
201504757/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 april 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Woonwagenlocatie Ma Braunpad" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2017/7695
AR 2017/367
TBR 2017/59 met annotatie van H.J. de Vries
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504757/2/R1.

Datum uitspraak: 18 januari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] e.a., wonend te Amsterdam,

en

raad van de gemeente Amsterdam,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:150, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na de verzending van de tussenuitspraak het daarin geconstateerde gebrek in het besluit van 22 april 2015 te herstellen.

Per brief van 14 juli 2016 heeft de raad aan de Afdeling laten weten dat door de raad is beslist over de wijziging van het bestemmingsplan "Woonwagenlocatie Ma Braunpad".

[appellant] en anderen hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De Afdeling heeft bij de tussenuitspraak geoordeeld dat het besluit van 22 april 2015 is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), waarin is bepaald dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. Hiertoe heeft zij overwogen dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in het plan op gronden met de bestemming "Wonen - woonwagenstandplaats" slechts een bouwhoogte van maximaal 4 m is toegestaan.

In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om het geconstateerde gebrek in het besluit van 22 april 2015 te herstellen. Daartoe diende de raad de in het plan opgenomen, maximale bouwhoogte van 4 m alsnog toereikend te motiveren, dan wel een hogere maximale bouwhoogte vast te stellen. De Afdeling heeft de raad voorts opgedragen om binnen 26 weken na verzending van de tussenuitspraak aan haar en aan [appellant] en anderen de uitkomst mede te delen en de wijzigingen van het besluit op de voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

2. De raad heeft per brief van 14 juli 2016 aan de Afdeling laten weten dat naar aanleiding van de tussenuitspraak in de gemeenteraad is besloten om de bouwhoogte in het plan te wijzigen in 7,5 m. In deze brief is door de raad tevens vermeld dat dit besluit bij vaststelling in de raad is geamendeerd, zodat op dat moment nog niet tot bekendmaking van het herstelbesluit kon worden overgegaan. Behalve de brief van 14 juli 2016 heeft de raad de Afdeling geen reactie op de opdracht in de tussenuitspraak doen toekomen, ook niet na de brief van de Afdeling aan de raad van 22 november 2016, waarin de Afdeling de raad eraan heeft herinnerd dat het herstelbesluit alsnog op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend diende te worden gemaakt. Op die brief heeft de Afdeling evenmin een reactie ontvangen.

3. Artikel 3.8, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) luidt: "De bekendmaking van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan geschiedt binnen twee weken na de vaststelling. Burgemeester en wethouders plaatsen de kennisgeving van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan tevens in de Staatscourant en voorts geschiedt deze langs elektronische weg. Gelijktijdig verzenden zij de kennisgeving, bedoeld in de vorige volzin, langs elektronische weg aan de diensten en bestuursorganen bedoeld in het eerste lid, onder b, en stellen zij het besluit met de hierbij behorende stukken langs elektronische weg beschikbaar. In afwijking van artikel 3:1, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zijn op een besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan de artikelen 3:40, 3:42, 3:43, 3:44 en 3:45 en afdeling 3.7 van die wet van toepassing."

Artikel 3:40 van de Awb luidt: "Een besluit treedt niet in werking voordat het is bekendgemaakt."

Artikel 3:42, tweede lid, van de Awb luidt: "De bekendmaking van besluiten van een niet tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door kennisgeving van het besluit of van de zakelijke inhoud ervan in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Elektronische bekendmaking vindt uitsluitend plaats in een van overheidswege uitgegeven blad, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald."

4. Gelet op de onder 2 genoemde omstandigheden, houdt de Afdeling het ervoor dat het besluit tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan niet is bekendgemaakt overeenkomstig 3.8, derde lid, van de Wro, in samenhang met artikel 3:42, tweede lid, van de Awb. Hieruit volgt dat ingevolge artikel 3:40 van de Awb dit besluit niet in werking is getreden. De raad heeft derhalve niet voldaan aan de opdracht in de tussenuitspraak.

5. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding het beroep van [appellant] en anderen tegen het besluit van 22 april 2015 gegrond te verklaren en dit besluit te vernietigen wat betreft artikel 7, lid 7.2.2, onder e, van de planregels, alsmede de daarbij behorende maximum bouwhoogte van 4 m die op de verbeelding is aangegeven. De Afdeling ziet tevens aanleiding om de raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, en het zesde lid, van de Awb, op te dragen met inachtneming van hetgeen in deze en de tussenuitspraak is overwogen het door de raad genomen herstelbesluit alsnog op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken. De Afdeling zal daartoe een termijn stellen. Voorts ziet de Afdeling aanleiding om de raad een dwangsom op te leggen van € 500,00 voor iedere dag die de raad in gebreke blijft deze uitspraak na te leven. De dwangsom zal worden gemaximeerd op € 50.000,00.

6. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Amsterdam van 22 april 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Woonwagenlocatie Ma Braunpad" wat betreft artikel 7, lid 7.2.2, onder e, van de planregels, alsmede de daarbij behorende maximum bouwhoogte van 4 m die op de verbeelding is aangegeven;

III. draagt de raad van de gemeente Amsterdam op om binnen twee weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen hierin en in de tussenuitspraak van de Afdeling van 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:150, is overwogen het herstelbesluit als bedoeld in de brief van de raad van 14 juli 2016 alsnog op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. bepaalt dat de raad van de gemeente Amsterdam aan [appellant] en anderen een dwangsom verbeurt voor elke dag waarmee hij de onder III genoemde termijn overschrijdt, waarbij de hoogte van de dwangsom € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro) per dag bedraagt, met een maximum van € 50.000,00 (zegge: vijftigduizend euro);

V. veroordeelt de raad van de gemeente Amsterdam tot vergoeding van de bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 495,00 (zegge: vierhonderdvijfennegentig euro), geheel toe te rekenen aan een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Amsterdam aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Groen, griffier.

w.g. Van Buuren w.g. Groen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2017

831.